Artikel 2 (overtredingen 2e graad)

op . Gepost in 30 SEPTEMBER 2005

30 SEPTEMBER 2005. - Koninklijk besluit tot aanwijzing van de overtredingen per graad van de algemene reglementen genomen ter uitvoering van de wet betreffende de politie over het wegverkeer.
[BS 09.11.2005]

Hoofdstuk II : Overtredingen van de 2e graad

Artikel 2

De overtredingen op de hierna vermelde bepalingen zijn overtredingen van de tweede graad in de zin van artikel 29,§1, derde lid van de wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd op 16 maart 1968:

  BEPALINGEN ARTIKELEN
In het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg:
Het is verboden het verkeer te hinderen of onveilig te maken door voorwerpen, zwerfvuil of stoffen op de openbare weg te werpen, te plaatsen, achter te laten of te laten vallen, hetzij door er rook of stoom te verspreiden, hetzij door er enige belemmering aan te brengen. 7.3

Elke bestuurder moet in staat zijn te sturen, en de vereiste lichaamsgeschiktheid en de nodige kennis en rijvaardigheid bezitten.

Hij moet steeds in staat zijn alle nodige rijbewegingen uit te voeren en voortdurend zijn voertuig of zijn dieren goed in de hand hebben.

8.3
Behalve wanneer zijn voertuig stilstaat of geparkeerd is, mag de bestuurder geen gebruik maken van een draagbare telefoon die hij in de hand houdt. 8.4

Elke bestuurder moet zijn snelheid regelen zoals vereist wegens de aanwezigheid van andere weggebruikers, in 't bijzonder de meest kwetsbaren, de weersomstandigheden, de plaatsgesteldheid, haar belemmering, de verkeersdichtheid, het zicht, de staat van de weg, de staat en de lading van zijn voertuig; zijn snelheid mag geen oorzaak zijn van ongevallen, noch het verkeer hinderen.

De bestuurder moet in alle omstandigheden kunnen stoppen vóór een hindernis die kan worden voorzien.

10.1.1° en 10.1.3°
De bestuurder die de snelheid van zijn voertuig aanzienlijk wil verminderen, moet dit voornemen kenbaar maken door middel van de stoplichten wanneer het voertuig ervan voorzien is of, zoniet, en indien mogelijk, door een teken met de arm. 10.2, al. 2
Elke bestuurder moet vertragen wanneer hij trek-, last- en rijdieren of vee op de openbare weg nadert. Hij moet stoppen indien deze dieren tekenen van angst vertonen. 10.3
Elke weggebruiker moet voorrang verlenen aan de spoorvoertuigen; daartoe moet hij zich zo snel mogelijk van de sporen verwijderen. 12.1
De bestuurder die een kruispunt oprijdt moet dubbel voorzichtig zijn ten einde elk ongeval te voorkomen. 12.2
Elke bestuurder moet voorrang verlenen aan de bestuurder die van rechts komt, behalve indien hij op een rotonde rijdt of indien de bestuurder die van rechts komt uit een verboden rijrichting komt.

De bestuurder moet evenwel voorrang verlenen aan iedere bestuurder die rijdt op de openbare weg of de rijbaan die hij oprijdt :
  • wanneer hij uit een openbare weg of een rijbaan met een verkeersbord B 1 (omgekeerde driehoek) of met een verkeersbord B 5 (stop) komt;
    B1 B1        B5 B5
  • wanneer hij uit een aardeweg of een pad op een openbare weg met een rijbaan komt.
12.3.1
10° De bestuurder die een trottoir of een fietspad oversteekt, moet voorrang verlenen aan de weggebruikers die overeenkomstig dit besluit gerechtigd zijn om het trottoir of fietspad te volgen. 12.4 bis
11° De bestuurder die een manoeuver wil uitvoeren, moet voorrang verlenen aan de andere weggebruikers. 12.4 lid 1
12° De bestuurder die voorrang moet verlenen, mag slechts verder rijden indien hij zulks kan doen zonder gevaar voor ongevallen, gelet op de plaats van de andere weggebruikers, hun snelheid en de afstand waarop zij zich bevinden. 12.5
13° Het inhalen geschiedt links.
Het inhalen geschiedt echter rechts wanneer de in het halen bestuurder te kennen heeft gegeven dat hij voornemens is links af te slaan of zijn voertuig op te stellen aan de linkerkant van de openbare weg en zich naar links begeven heeft om deze beweging uit te voeren.
16.3
14°

Het inhalen van spoorvoertuigen die de rijbaan volgen geschiedt rechts, zowel wanneer die voertuigen in beweging zijn of stilstaan om reizigers te laten in- of uitstappen.

Het inhalen mag evenwel links geschieden wanneer het rechts niet kan wegens de engte van de doorgang of de aanwezigheid van een stilstaand of geparkeerd voertuig of enige andere vaste hindernis en op voorwaarde dat de tegemoetkomende weggebruikers niet gehinderd of in gevaar gebracht worden.

Het inhalen mag eveneens links geschieden op rijbanen met éénrichtingsverkeer, wanneer de behoeften van het verkeer het rechtvaardigen.

16.9
15° Buiten de bebouwde kommen moeten de bestuurders van voertuigen en slepen met een maximale toegelaten massa van meer dan 7,5 ton of langer dan 7 meter, onderling een afstand houden van ten minste 50 meter. 18.2
16°

De bestuurder die naar rechts afslaat moet zo dicht mogelijk bij de rechterrand van de rijbaan blijven.

De bestuurder mag zich evenwel naar links begeven wanneer hij wegens de plaatsgesteldheid en de afmetingen van het voertuig of de lading niet bij de rechterrand van de rijbaan kan blijven.

19.2.2°, lid 1 en 2
17° Op autosnelwegen en autowegen is het verboden een voertuig te laten stilstaan of te parkeren, behalve op de parkeerstroken, aangewezen door het verkeersbord E 9a. 21.4.4° en 22.2
18° Op de wegen voorbehouden voor voetgangers, fietsers en ruiters is alleen het verkeer toegestaan van de categorieën van weggebruikers waarvan het symbool afgebeeld is op de verkeersborden die bij de toegang geplaatst zijn en van de categorieën van weggebruikers die opgesomd zijn in artikel 22quinquies 1, tweede lid van het besluit.
F99a F99a        F99b F99b
22quinquies 1
19° Het is verboden een voertuig te laten stilstaan of te laten parkeren op elke plaats waar het duidelijk een gevaar zou kunnen betekenen voor de andere weggebruikers of waar het hun onnodig zou kunnen hinderen, inzonderheid :
  • op de trottoirs en, binnen de bebouwde kommen, op de verhoogde bermen, behoudens plaatselijke reglementering;
  • op de fietspaden en op minder dan 3 meter van de plaats waar de fietsers en bestuurders van tweewielige bromfietsen verplicht zijn het fietspad te verlaten om op de rijbaan te rijden of de rijbaan te verlaten om op het fietspad te rijden;
  • op de oversteekplaatsen voor voetgangers, op de oversteekplaatsen voor fietsers en bestuurders van tweewielige bromfietsen en op de rijbaan op minder dan 3 meter vóór deze oversteekplaatsen;
  • op de rijbaan in de onderbruggingen, in de tunnels en behoudens plaatselijke reglementering onder de bruggen;
  • op de rijbaan nabij de top van een helling en in een bocht wanneer de zichtbaarheid onvoldoende is.
24, lid 1,1°, 2°, 4°, 5° en 6°
20° Het is verboden een voertuig te parkeren :
  • op de plaatsen waar de voetgangers en de fietsers en bestuurders van tweewielige bromfietsen op de rijbaan moeten komen om omheen een hindernis te gaan of te rijden;
  • op de plaatsen waar de doorgang van spoorvoertuigen zou belemmerd worden;
  • wanneer de vrije doorgang op de rijbaan minder dan 3 meter breed zou worden;
25.1.4°, 6°, 7°
21° Het is verboden een voertuig te parkeren op de parkeerplaatsen gesignaleerd zoals voorzien in artikel 70.2.1.3° c, behalve voor de voertuigen gebruikt door personen met een handicap die in het bezit zijn van een speciale kaart zoals bedoeld in artikel 27.4.1 of 27.4.3. 25.1., 14°
22° De grootlichten moeten echter gedoofd en door de dimlichten vervangen worden :
  • bij het naderen van een tegemoetkomende weggebruiker, op de nodige afstand opdat deze laatste zijn weg gemakkelijk en zonder gevaar zou kunnen voortzetten;
  • bij het naderen van een spoorvoertuig of een boot waarvan de bestuurder of de stuurman door de grootlichten zou kunnen verblind worden;
  • wanneer het voertuig een ander voertuig op minder dan 50 meter afstand volgt, behalve wanneer het inhaalt.
30.1.1° a), b) en c);
  Wanneer het motorvoertuig of de aanhangwagen voorzien is van achtermistlichten, moeten deze lichten gebruikt worden bij mist of sneeuwval die de zichtbaarheid verminderen tot minder dan ongeveer 100 m alsook bij felle regen. 30.1.2°, tweede zin ; 30,3,2°, tweede lid, eerste zin
22°/1

De bestuurder en de passagiers van auto’s die aan het verkeer deelnemen, moeten de veiligheidsgordel dragen, op de plaatsen die ermee zijn uitgerust.

De bestuurder en de passagier van motorvoer tuigen die aan het verkeer deelnemen andere dan auto’s, moeten de veiligheidsgordel dragen op de plaatsen die ermee zijn uitgerust.

De veiligheidsgordel wordt gebruikt op een wijze die de beschermende werking ervan niet negatief beïnvloedt of kan beïnvloeden.

Het aantal inzittenden van een auto mag niet meer bedragen dan de som van het aantal plaatsen uitgerust met een veiligheidsgordel en van het aantal plaatsen die daarmee niet behoeven te zijn uitgerust.

De plaatsen uitgerust met veiligheidsgordels moeten bij voorrang worden ingenomen.

35.1.1, lid 1

35.1.1, lid 6, eerste zin
 

35.1.3

44.1, lid 3


44.1, lid 4

23° De lading van een voertuig moet zodanig geschikt zijn dat ze bij normale wegomstandigheden :
  1. de zichtbaarheid van de bestuurder niet kan hinderen;
  2. geen gevaar voor de bestuurder, de vervoerde personen, en de andere weggebruikers kan vormen;
  3. geen schade kan veroorzaken aan de openbare weg, aan zijn aanhorigheden, aan de erin liggende kunstwerken of aan de openbare- of privé-eigendommen;
  4. niet op de openbare weg kan slepen of vallen;
  5. de stabiliteit van het voertuig niet in het gedrang kan brengen;
  6. de lichten, de reflectoren en het inschrijvingsnummer niet onzichtbaar kan maken.
45.1
24° De ladingen van graangewassen, vlas, stro, paarden- of veevoeder in bulk of in balen, moeten overdekt worden met een dekzeil of met een net. Deze bepaling geldt echter niet voor vervoer binnen een straal van 25 km van de plaats van lading, voor zover het niet langs een autosnelweg geschiedt. 45.2
25° Bestaat de lading uit lange stukken, dan moeten deze onderling en ook aan het voertuig zo stevig vastgemaakt worden dat zij bij het schommelen niet buiten de grootste zijomtrek van het voertuig komen. 45.3
26° Al wat dient om de lading vast te maken of te beschutten moet in goede staat zijn en correct worden gebruikt.
Elk onderdeel dat de lading omsluit, zoals een ketting, een dekzeil, een net, enz. moet de lading nauw omsluiten.
45.4
27° Indien zij- of achterdeuren bij uitzondering moeten openblijven, moeten zij zodanig vastgezet worden dat zij niet uitsteken buiten de grootste zijomtrek van het voertuig. 45.6
28° Het vast oranjegeel licht betekent dat het verboden is de stopstreep of, zo er geen stopstreep is, het verkeerslicht zelf, voorbij te rijden, tenzij de bestuurder bij het aangaan van dat licht, zo dicht genaderd is, dat hij niet meer op voldoende veilige wijze kan stoppen; zo dit licht bij een kruispunt geplaatst is, mag de bestuurder, die de stopstreep of het licht in dergelijke omstandigheden voorbijgereden is, het kruispunt evenwel slechts oversteken op voorwaarde de andere weggebruikers niet in gevaar te brengen. 61.1.2° en 62ter, lid 2, 2°
29° Wanneer één of meer bijkomende lichten in de vorm van één of meer groene pijlen tegelijk met een oranjegeel licht branden, betekenen de pijlen dat alleen in de richtingen die door de pijlen worden aangeduid mag voortgereden worden, op voorwaarde dat voorrang verleend wordt aan de bestuurders die op regelmatige wijze uit andere richtingen komen en aan de voetgangers.  
30° Het verkeersbord B1 niet in acht nemen.
B1 B1
5 en 67.3 (verkeersbord B1)
31° Het verkeersbord B5 niet in acht nemen.
B5 B5
5 en 67.3 (verkeersbord B5)