19.1.
Voorsorteringspijlen.
1° De lengte van deze pijlen is ongeveer :
-
5,00 m op de wegen waar de hoogste toegelaten snelheid lager is dan of
gelijk aan 70 km/u; deze pijlen worden aangebracht overeenkomstig
plaat 7 van bijlage
4 tot dit besluit.
-
7,50 m op de wegen waar een hogere snelheid dan 70 km/u. wordt toegelaten;
deze pijlen worden aangebracht overeenkomstig
plaat 8 van bijlage
4 tot dit besluit.
2° Telkens wanneer de plaatsgesteldheid het toelaat moeten vóór het
kruispunt ten minste drie opeenvolgende voorsorteringspijlen worden aangebracht.
De tussenafstand tussen de overeenstemmende punten bedraagt in beginsel ongeveer
20 m. De laatste pijl bevindt zich op ten hoogste 10 m van het kruispunt.
3° Op het kruispunt mag de afstand tussen de opeenvolgende pijlen worden
verminderd en aangepast aan de plaatsgesteldheid. Deze pijlen zijn ongeveer 5 m
lang.
19.2.
Rijstrookverminderingspijlen.
1° De naderingsmarkering bedoeld in artikel 14.3.2° van dit besluit mag
aangevuld worden met rijstrookverminderingspijlen; het aantal ervan bedraagt ten
minste vier.
In dit geval worden ze aangebracht op de rijstroken die ophouden ten gevolge van
een vermindering van het aantal stroken of die om een of andere reden niet meer
mogen gevolgd worden.
Op de rijbanen met twee rijstroken en verkeer in beide richtingen worden de
rijstrookverminderingspijlen evenwel ongeveer in de as van de rijbaan
aangebracht.
2° De rijstrookverminderingspijlen zijn ongeveer 5,00 m lang.
De overeenstemmende punten van de opeenvolgende rijstrookverminderingspijlen
bevinden zich op een afstand van ten minste 10 m van elkaar; ze worden
aangebracht overeenkomstig
plaat 9 van bijlage 4
tot dit besluit.
19.3.
Markeringen van verkeersgeleiders en verdrijvingsvlakken op de grond.
1° Deze geleiders en verdrijvingsvlakken worden afgebakend met een
doorlopende witte streep met een breedte van ongeveer :
- 0,30 m op de autosnelwegen;
- 0,15 m op de andere wegen.
2° De evenwijdige strepen in de geleiders en verdrijvingsvlakken zijn
ongeveer 0,40 m breed, hebben een tussenafstand van ongeveer 0,60 m en vormen
een hoek van ongeveer 45° met de as van de rijbaan overeenkomstig
plaat 10 van bijlage
4 tot dit besluit. In het geval van een uitgestrekte verkeersgeleider ten
minste 50 m mogen de evenwijdige strepen ongeveer 1 m breed zijn en een
tussenafstand van ongeveer 2,00 m hebben.
19.4.
Markeringen van parkeerplaatsen.
In een parkeerzone of in een parking zijn de strepen die de plaatsen
afbakenen waar de voertuigen moeten staan, ongeveer 0,10 m breed.
De strepen mogen worden beperkt tot de hoeken van deze plaatsen.
De markering van parkeerplaatsen gedeeltelijk of volledig op de verhoogde berm
of het trottoir, is slechts toegestaan voorzover aan de buitenkant van de
openbare weg een begaanbare strook voor de voetgangers blijft van ten minste
1,50 meter.
19.5.
Markeringen van opstelvakken voor fietsers en bestuurders van tweewielige bromfietsen.
De lengte van het opstelvak moet minimum 4,00 m bedragen.
Naast de rijstrook voor het autoverkeer wordt een toeleidend fietspad gemarkeerd
van ongeveer 1.00 m breed, behalve wanneer de rijstrookbreedte daardoor minder
dan 2,50 m zou bedragen.
Het toeleidend fietspad moet minimum 15 m lang zijn.
19.7.
Dambordmarkeringen.
Deze markeringen bestaan uit witte vierkanten met een zijde van ongeveer 0,50 m.
Zij mogen slechts gebruikt worden om de plaats af te bakenen voorbehouden aan
voertuigen voor geregelde diensten voor gemeenschappelijk vervoer op een
bijzondere overrijdbare bedding of om eigen beddingen en bijzondere overrijdbare
beddingen met elkaar te verbinden.
Zij mogen niet gebruikt worden wanneer de markeringen bepaald in
artikel 14.6.
aangebracht zijn.