20 DECEMBER 2013. — Besluit van de Vlaamse Regering betreffende de bescherming van de verkeersinfrastructuur in geval van vervoer met langere en zwaardere slepen in het kader van een proefproject.
[B.S. 03.02.2014]

HOOFDSTUK 1. — Definities

Artikel 1

In dit besluit wordt verstaan onder:

minister: de Vlaamse minister, bevoegd voor de openbare werken;

vervoer met langere en zwaardere slepen: het vervoer, vermeld in artikel 4 van het decreet van 3 mei 2013 betreffende de bescherming van de verkeersinfrastructuur in geval van bijzonder wegtransport;

technisch reglement: het koninklijk besluit van 15 maart 1968 houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de auto's, hun aanhangwagens, hun onderdelen en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen en de aanpassingen ervan;

HOOFDSTUK 2. — Voertuigen, lading en bestuurder

Artikel 2

Het vervoer met langere en zwaardere slepen kan worden toegelaten voor de volgende voertuigcombinaties, waarbij elk voertuig beantwoordt aan de voorschriften, vermeld in het technisch reglement:

trekker-oplegger-aanhangwagen;

vrachtwagen-dolly-oplegger;

vrachtwagen-aanhangwagen-aanhangwagen;

trekker-oplegger-oplegger.

Artikel 3

Het vervoer met langere en zwaardere slepen wordt niet toegelaten voor:

het vervoer van gevaarlijke goederen (A.D.R.), vermeld in het Europees Verdrag betreffende het internationaal vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg, ondertekend te Genève op 30 september 1957, als gewijzigd;

het tankvervoer;

het vervoer van levende dieren;

het vervoer van containers van 45 voet;

een goederenstroom die op het ogenblik van de vergunningsaanvraag via het spoor of de binnenvaart verloopt.

Artikel 4

Elke bestuurder is in het bezit van een Belgisch bekwaamheidsattest voor het besturen van een langere en zwaardere sleep of van een bekwaamheidsattest daarvoor dat in België erkend is en dat afgeleverd is door een lidstaat van de Europese Unie.

De bestuurder heeft minimaal vijf jaar ervaring met het besturen van een vrachtwagencombinatie die een rijbewijs C+E vereist.

De bestuurder mag geen verval van het recht tot sturen hebben opgelopen gedurende drie jaar voor de vergunningsaanvraag.

HOOFDSTUK 3. — Trajecten

Artikel 5

Het vervoer met langere en zwaardere slepen kan alleen toegelaten worden op de hoofdtrajecten, vermeld in artikel 6, en op de bedieningstrajecten naar, vanaf of tussen de hoofdtrajecten.

Artikel 6

Alle wegen, met inbegrip van de op- en afritten ervan, geselecteerd in het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen als hoofdweg, maken deel uit van de hoofdtrajecten, met uitzondering van de volgende wegvakken:

de wegvakken van de Ring rond Brussel tussen het Waalse Gewest en de op- en afrit nr.2 in Wezembeek-Oppem, in beide richtingen;

de wegvakken van de Ring rond Brussel tussen de op- en afrit nr.5 Machelen-Woluwelaan en nr. 6 Vilvoorde-Koningslo, in beide richtingen;

de wegvakken van de Ring rond Brussel tussen de op- en afrit nr.9 Jette en de op- en afrit nr. 10 Zellik, in beide richtingen;

de wegvakken van de Ring rond Brussel tussen de op- en afrit nr.13 Dilbeek en de op- en afrit nr. 18 Ruisbroek, in beide richtingen;

de wegvakken van de A8 tussen de A7/E19 en de op- en afrit nr.22 in Halle/Lembeek, in beide richtingen;

de wegvakken van de E34 (R1) tussen de verkeersknooppunten Antwerpen-West en Antwerpen-Zuid (inclusief de Kennedytunnel), in beide richtingen;

de wegvakken van de A11/N49 tussen de R4 in Zelzate-West en de N376 in Knokke-Heist, in beide richtingen.

Artikel 7

Het vervoer met langere en zwaardere slepen kan worden toegelaten op de bedieningstrajecten naar, vanaf of tussen de hoofdtrajecten als die beantwoorden aan de volgende minimale eisen:

het betreft geen weg, met inbegrip van de op- en afritten ervan, geselecteerd in het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen als hoofdweg;

de afstand tot of vanaf het hoofdtraject bedraagt niet meer dan 10 km, de verplaatsing binnen een havengebied als vermeld in het koninklijk besluit van 2 februari 1993 tot vaststelling van de lijst van de havens en hun aanhorigheden overgedragen van de Staat aan het Vlaamse Gewest, niet meegerekend;

de aansluiting met een hoofdtraject beschikt over een invoegstrook van minstens 250 meter met een minimumbreedte van 3 meter;

het vervoer gaat niet door een bebouwde kom, een zone 30, een zone 30 schoolomgeving, een erf of een voetgangerszone;

er is geen gelijkgrondse spoorwegovergang waar de maximaal toegelaten snelheid van het treinverkeer meer dan 40 km per uur bedraagt;

op het gedeelte van het bedieningstraject waarop er geen toegangsverbod voor fietsers geldt, is er maximaal over een cumulatieve afstand van 20% geen fietsvoorziening aanwezig, of is die fietsvoorziening beperkt tot een aanliggend gemarkeerd fietspad conform artikel 74 van het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik op de openbare weg en de daaruit volgende toepassingsbesluiten.

Artikel 8

De geschiktheid van de bedieningstrajecten naar, vanaf of tussen de hoofdtrajecten wordt bovendien beoordeeld aan de hand van de volgende toetsingscriteria:

het aantal kruispunten en de wijze waarop het verkeer er geregeld wordt, de kruispunten binnen het havengebied uitgezonderd;

de afmetingen van kruispunten en rotondes;

de draagkracht van de kunstwerken;

de aanwezigheid en de aard van de voorzieningen tot bescherming van de zwakke weggebruikers;

de afwezigheid op het bedieningstraject van een binnen het project "wegwerken van gevaarlijke punten en wegvakken in Vlaanderen" objectief vastgesteld gevaarlijk punt of gevaarlijk wegvak dat nog weggewerkt moet worden;

de objectief vastgestelde verkeersonveiligheid op basis van de bij het Departement Mobiliteit en Openbare Werken beschikbare gelokaliseerde ongevalsgegevens, gebaseerd op de ongevalsgegevens van de Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie (ADSEI) van de FOD Economie.

Artikel 9

Als het vergunde traject niet gevolgd kan worden wegens onvoorzienbare omstandigheden, wordt een van de volgende handelingen gesteld:

het ontkoppelen van de sleep tot een voertuigcombinatie conform het technisch reglement op een daarvoor geschikte plaats langs de reisweg;

zich laten begeleiden door politiediensten om via een omlegging zijn reisweg te vervolgen.

In geen geval mag op eigen initiatief een omlegging worden gezocht.

Artikel 10

In een van de volgende gevallen kan een alternatief traject aangevraagd worden dat wordt goedgekeurd door de minister:

het vergunde traject kan niet gevolgd worden vanwege wegenwerken of andere aangekondigde gebeurtenissen die een veilige en vlotte doorgang belemmeren;

het vergunde traject beantwoordt niet meer aan de minimumeisen, vermeld in artikel 7.

Zolang er geen geschikt alternatief goedgekeurd is, is het vervoer met langere en zwaardere slepen niet toegestaan.

HOOFDSTUK 4. — Vergunning

Artikel 11

De minister bepaalt de nadere regels betreffende de vergunningsprocedure.

De minister kan het aantal vergunningsaanvragen per aanvrager beperken.

Artikel 12

De vergunning vermeldt minstens:

de te volgen reisweg, inclusief de rijrichting;

de duur van de vergunning, die maximaal twee jaar bedraagt;

de te nemen maatregelen om schade aan de verkeersinfrastructuur te voorkomen;

de voertuigcombinaties die vergund zijn;

de gegevens die de vergunninghouder moet verstrekken.

De minister bepaalt de modaliteiten van de vergunning.

Artikel 13

De vergunning kan op elk ogenblik geheel of gedeeltelijk ingetrokken, geschorst of gewijzigd worden in het algemeen belang, zonder dat de vergunninghouder aanspraak kan maken op een schadeloosstelling.

Artikel 14

Het maximale aantal trajecten wordt in het kader van het proefproject beperkt tot tien. Als het aantal ontvankelijke en toelaatbare vergunningsaanvragen betrekking heeft op een hoger aantal, wordt het aantal trajecten herleid tot tien op basis van de volgende selectiecriteria die achtereenvolgens worden toegepast:

een evenredige verdeling van de trajecten met een bedieningstraject dat minstens gedeeltelijk binnen en buiten het havengebied ligt;

een evenredige verdeling van de slepen met een maximaal toegelaten massa tot en met 44 ton en een maximaal toegelaten massa boven 44 ton;

de kleinste afwijking ten opzichte van het gemiddelde, berekend voor elk van de volgende categorieën:

a) bedieningstraject minstens gedeeltelijk binnen een havengebied met een maximaal toegelaten massa tot en met 44 ton;
b) bedieningstraject buiten een havengebied met een maximaal toegelaten massa tot en met 44 ton;
c) bedieningstraject minstens gedeeltelijk binnen een havengebied met een maximaal toegelaten massa hoger dan 44 ton;
d) bedieningstraject buiten een havengebied met een maximaal toegelaten massa hoger dan 44 ton;
van het aandeel ongunstige fietsvoorzieningen in de zin van art. 7, 6° op het geheel van de bedieningstrajecten van het traject;

een loting.

HOOFDSTUK 5. — Evaluatie

Artikel 15

Er wordt een evaluatiecommissie opgericht.

Naast vertegenwoordigers van het Departement Mobiliteit en Openbare Werken en het Agentschap Wegen en Verkeer, zullen de volgende diensten worden uitgenodigd om een vertegenwoordiger aan te duiden in deze commissie:

de Mobiliteitsraad Vlaanderen;

het Steunpunt Verkeersveiligheid;

het Steunpunt Goederen- en Personenvervoer;

de Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten;

de federale en de lokale politie;

de representatieve en erkende beroeps- en werknemersorganisaties van de transportsector;

Promotie Binnenvaart Vlaanderen;

eventueel andere belanghebbenden.

De minister bepaalt de concrete samenstelling en de werking van de evaluatiecommissie.

Artikel 16

De evaluatiecommissie, vermeld in artikel 15, komt minstens elke zes maanden samen om het proefproject te evalueren. Op het einde van de eerste proefperiode van twee jaar wordt een eindrapport opgesteld.

Als de evaluatiecommissie een positief advies verleent, kan de minister het proefproject met twee jaar verlengen.

In geval van verlenging kan de vergunninghouder verzoeken om zijn vergunning te verlengen met maximaal twee jaar.

Artikel 17

De evaluatie, vermeld in artikel 16, wordt uitgevoerd aan de hand van minstens de volgende parameters:

de ongevallenstatistieken;

de lading, de beladingsgraad, het aantal gereden kilometers, het aantal ritten en het brandstofverbruik;

de relatie tussen de vervoersmodi en de vervoerde goederen in functie van de aard en omvang ervan, het vertrekpunt en de bestemming;

het aantal overtredingen door langere en zwaardere voertuigen.

HOOFDSTUK 6. — Slotbepaling

Artikel 18

De minister bepaalt de aanvangsdatum van het proefproject.

Artikel 19

Dit besluit treedt in werking op dezelfde datum als het besluit van de Vlaamse Regering betreffende handhaving inzake de bescherming van de verkeersinfrastructuur in geval van bijzonder wegtransport.

Artikel 20

De minister is belast met de uitvoering van dit besluit.