Decreet van 27 november 2015 betreffende lage-emissiezones

B.S. 18.12.2015

Artikel 1. Dit decreet regelt een gewestaangelegenheid.

Art. 2. In dit decreet wordt verstaan onder LEZ: een lage-emissiezone als vermeld in artikel 3, § 1.

Art. 3. § 1. Een lage-emissiezone is een zone waarin voor de leefbaarheid, in het bijzonder ter beperking van milieu- en gezondheidshinder door een slechte luchtkwaliteit, een selectief toelatingsbeleid voor motorvoertuigen wordt gehanteerd in relatie tot de door die voertuigen veroorzaakte milieuhinder.

§ 2. Een gemeente kan met een gemeentelijk reglement een LEZ invoeren op de gemeente- en de gewestwegen die zich op haar grondgebied bevinden, met uitzondering van de autosnelwegen.

§ 3. Het plaatsen van de verkeersborden betreffende de LEZ, meer bepaald de verkeersborden F 117 en F 118, vermeld in artikel 71.2 van het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg, gebeurt conform de bepalingen van het decreet van 16 mei 2008 betreffende de aanvullende reglementen op het wegverkeer en de plaatsing en bekostiging van de verkeerstekens.

Als de verkeersborden betreffende de LEZ die ingevoerd werd door de gemeente overeenkomstig paragraaf 2 geplaatst moeten worden op een gewestweg, is artikel 4 van het voormelde decreet altijd van toepassing.

Art. 4. § 1. De Vlaamse Regering bepaalt de motorvoertuigen waarvoor de toegang tot een LEZ zonder meer toegelaten is, met in voorkomend geval een registratie bij een gemeente die een LEZ op haar grondgebied invoert.

De Vlaamse Regering bepaalt de gevallen waarin de registratie, vermeld in het eerste lid, verplicht is.

§ 2. Voor de motorvoertuigen die niet onder toepassing van paragraaf 1 vallen, onderwerpt de gemeente die op haar grondgebied een LEZ invoert, de toegang tot de LEZ aan een verbod of aan voorwaarden die van dien aard zijn dat zij het gebruik van de LEZ door voertuigen die milieuhinder veroorzaken, afremmen.

De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen met betrekking tot de voorwaarden en het verbod, vermeld in het eerste lid.

Art. 5. Met het oog op het toezicht op de LEZ-reglementering door de gemeente worden de relevante gegevens in een databank verzameld. De door de Vlaamse Regering gemachtigde dienst beheert die databank overeenkomstig het decreet van 18 juli 2008 betreffende het elektronische bestuurlijke gegevensverkeer.

Die gemachtigde dienst vraagt daarvoor digitaal bij de bevoegde instanties, zoals de instantie die belast is met de inschrijving van de voertuigen en de lokale besturen die een LEZ op hun grondgebied invoeren, de noodzakelijke gegevens over de voertuigen op.

Het opvragen van deze gegevens, het beheer van de databank en de ontsluiting naar de gemeente van bepaalde gegevens uit de databank gebeuren in overeenstemming met de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens en het decreet van 18 juli 2008 betreffende het elektronische bestuurlijke gegevensverkeer.

De Vlaamse Regering kan nadere voorwaarden omtrent de inhoud en de werking van de databank bepalen.

Art. 6. Voor de motorvoertuigen, vermeld in artikel 4, § 2, kan een gemeente de toegang tot een LEZ verbinden aan de betaling van een geldsom, daarbij gebruikmakend van de haar beschikbare financieringstechnieken. Deze geldsom komt voor rekening van de titularis van de nummerplaat, van de bestuurder van het betrokken voertuig of in voorkomend geval van de aanvrager van de toegang tot de LEZ. Deze zijn hoofdelijk gehouden tot betaling van de geldsom.

De mogelijkheden tot invordering en handhaving die in dit decreet worden bepaald, sluiten niet uit dat de gemeente in de gevallen, vermeld in het eerste lid, gebruikmaakt van de toepasselijke invorderings- en handhavingsmogelijkheden, zoals onder meer vermeld in artikel 94 van het Gemeentedecreet van 15 juli 2005 en artikel 5 en 6 van het decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen.

Art. 7. Onverminderd de bepalingen in artikel 8, § 4, gebeuren de toepassing van en het toezicht op de LEZ-reglementering, alsook de vaststelling van overtredingen van die reglementering, aan de hand van nummerplaatherkenning, al dan niet met automatisch werkende toestellen. De gegevens die door de LEZ-toezichthouders manueel worden verzameld of die vanuit de automatisch werkende toestellen naar de LEZ-toezichthouders worden doorgestuurd, mogen enkel gebruikt worden in functie van het monitoren van de LEZ. Indien deze gegevens geen bijdrage kunnen leveren tot het bewijzen van een overtreding, dan worden zij niet langer dan één maand bewaard, behalve als de gegevens nodig zijn in het kader van een monitoringsonderzoek. In dat geval mogen de gegevens enkel gedurende de periode van het onderzoek bewaard worden. Indien de gegevens een bijdrage kunnen leveren tot het bewijs van een overtreding gelden de termijnen van het verval van de vordering tot voldoening van de administratieve geldboete, vermeld in artikel 10, § 8.

Art. 8. § 1. De gemeente kan aan haar personeelsleden de bevoegdheid toekennen om toezicht uit te oefenen op de naleving van de LEZ-reglementering en om overtredingen van die reglementering vast te stellen in een verslag van vaststelling.

Als een overtreding op de LEZ-reglementering is begaan, wordt vermoed dat die is begaan door de titularis van de nummerplaat. Dit vermoeden geldt tot het bewijs van het tegendeel, dat door alle wettelijke bewijsmiddelen kan worden geleverd.

Ingeval van betwisting van het vermoeden bedoeld in het tweede lid door een rechtspersoon, zijn de natuurlijke personen die de rechtspersoon in rechte vertegenwoordigen verplicht om de identiteit mede te delen van de bestuurder op het ogenblik van de betrokken feiten of, indien zij die niet kennen, de identiteit van de persoon die het voertuig onder zich heeft.

Aan de titularis van de nummerplaat wordt ter kennisgeving een kopie van het verslag van vaststelling binnen de vijftien dagen na opstelling van dat verslag bezorgd.

Voor zover de gemeente met toepassing van artikel 10 administratieve geldboeten bepaalt, wordt binnen de vijftien dagen na opstelling van het verslag van vaststelling een kopie van dat verslag bezorgd aan de beboetingsambtenaar.

§ 2. De personeelsleden, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, kunnen alleen toezicht uitoefenen en vaststellingen verrichten als zij zijn beëdigd.

§ 3. De Vlaamse Regering kan nadere voorwaarden bepalen betreffende de vereiste kwalificaties en eigenschappen waaraan de personeelsleden, vermeld in paragraaf 1, moeten voldoen.

§ 4. De personeelsleden, vermeld in paragraaf 1, zijn voor de uitvoering van hun opdracht bevoegd om:

1° een bevel te geven aan de bestuurder om het voertuig tot stilstand te brengen;

2° inzage te hebben in en een kopie te nemen van noodzakelijke zakelijke gegevens zoals de wettelijk voorgeschreven documenten die in het bezit moeten zijn van de bestuurder van een voertuig;

3° vaststellingen te doen met audiovisuele middelen met inachtneming van de regelgeving inzake privacy zoals onder meer artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens;

4° bijstand van de politie in te roepen;

5° de identiteit van de vermoedelijke overtreder bij de vaststelling van een overtreding als vermeld in paragraaf 1, te controleren;

6° over te gaan tot onmiddellijke inning zoals bedoeld in artikel 10, § 9.

Art. 9. De volgende personen kunnen, in overeenstemming met de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens en het decreet van 18 juli 2008 betreffende het elektronische bestuurlijke gegevensverkeer, de gegevens, die noodzakelijk zijn voor de tenuitvoerlegging en het toezicht op de LEZ-reglementering, opvragen bij de overheid die belast is met de inschrijving van de voertuigen, bij het Rijksregister, bij de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid of bij andere bevoegde instanties:

1° de personeelsleden belast met het toezicht, vermeld in artikel 8, § 1, van dit decreet;

2° de personeelsleden belast met de inning van de geldsom, vermeld in artikel 6, eerste lid, van dit decreet;

3° in voorkomend geval de financieel beheerder, vermeld in artikel 94 van het Gemeentedecreet van 15 juli 2005, en de personeelsleden, vermeld in artikel 5 van het decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen;

4° de beboetingsambtenaren, vermeld in artikel 10, § 2, van dit decreet;

5° de personeelsleden belast met de registratie, vermeld in artikel 4, § 1, van dit decreet;

6° de personeelsleden belast met de controle van de voorwaarden, vermeld in artikel 4, § 2, van dit decreet.

Art. 10. § 1. De gemeenteraad kan administratieve geldboeten bepalen voor de inbreuken op zijn reglementen die in toepassing van huidig decreet werden vastgesteld. Deze administratieve geldboete komt voor rekening van de overtreder.

Het bedrag van de administratieve geldboete, vermeld in het eerste lid, bedraagt minimaal 15 euro en maximaal 60 euro. Het voormelde bedrag wordt vermeerderd met de opdeciemen die van toepassing zijn voor de strafrechtelijke geldboeten.

§ 2. De administratieve geldboete, vermeld in paragraaf 1, wordt opgelegd door de beboetingsambtenaar.

De beboetingsambtenaar, vermeld in het eerste lid, wordt door de gemeenteraad aangewezen en kan niet tegelijkertijd de persoon zijn die, met toepassing van artikel 8, de inbreuken vaststelt.

§ 3. Binnen de vijftien dagen na ontvangst van het verslag van vaststelling bedoeld in artikel 8, § 1, vijfde lid, deelt de beboetingsambtenaar met een aangetekende brief aan de overtreder de gegevens over de vastgestelde feiten en de begane inbreuk mee, alsook het bedrag van de administratieve geldboete.

De administratieve geldboete moet door de overtreder betaald worden binnen dertig dagen na de kennisgeving ervan, tenzij de overtreder binnen deze termijn schriftelijk met een aangetekende brief zijn verweermiddelen heeft bezorgd aan de beboetingsambtenaar.

§ 4. Verklaart de beboetingsambtenaar de verweermiddelen niet gegrond, dan brengt hij de overtreder met een aangetekende brief op de hoogte van zijn met redenen omklede beslissing, met vermelding van de te betalen administratieve geldboete die binnen een termijn van dertig dagen na de kennisgeving van deze beslissing moet worden betaald. Als de beboetingsambtenaar de ongegrondverklaring van de verweermiddelen niet verzendt binnen een termijn van zestig dagen na ontvangst van het verweerschrift, dan vervalt de betwiste boetebeslissing.

§ 5. De overtreder kan tegen de beslissing tot oplegging van een administratieve geldboete, vermeld in paragraaf 4, een beroep instellen door middel van een geschreven verzoekschrift bij de politierechtbank, volgens de burgerlijke procedure, binnen dertig dagen na de kennisgeving van de beslissing, vermeld in paragraaf 4.

§ 6. De beslissing tot het opleggen van een administratieve geldboete heeft uitvoerbare kracht als ze definitief geworden is; dit is ofwel na het verstrijken van dertig dagen na de kennisgeving van de administratieve geldboete, vermeld in paragraaf 3, zonder dat er beroep werd aangetekend, ofwel na het verstrijken van dertig dagen na de kennisgeving van de beslissing, vermeld in paragraaf 4, zonder dat er beroep werd aangetekend.

§ 7. De administratieve geldboete wordt geïnd ten voordele van de gemeente.

§ 8. De vordering tot voldoening van de administratieve geldboete verjaart door verloop van vijf jaar, te rekenen vanaf de dag waarop zij is ontstaan. De verjaring wordt gestuit op de wijze en onder de voorwaarden, vermeld in artikel 2244 tot en met artikel 2250, van het Burgerlijk Wetboek.

§ 9. Wanneer de overtreding begaan werd door een persoon zonder een vaste woonplaats of vaste verblijfplaats in België kunnen de personeelsleden, vermeld in artikel 8, § 1, overgaan tot onmiddellijke inning.

De administratieve geldboete kan alleen onmiddellijk worden geïnd mits akkoordbevinding van de overtreder.

Ingeval van onmiddellijke inning bedraagt de administratieve geldboete 15 euro, vermeerderd met de opdeciemen die van toepassing zijn voor de strafrechtelijke geldboeten.

De onmiddellijke betaling doet de mogelijkheid vervallen om aan de overtreder een administratieve geldboete op te leggen conform de procedure bedoeld in paragraaf 2 tot en met paragraaf 6.

De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen betreffende de toepassing van de onmiddellijke inning en kan de gemeente machtigen om de concrete uitvoering van de onmiddellijke inning nader te regelen.

Art. 11. De gemeente kan aan de intergemeentelijke samenwerkingsverbanden, de gemeentelijke intern verzelfstandigde agentschappen, de autonome gemeentebedrijven en de autonome havenbedrijven de volgende taken geheel of gedeeltelijk toevertrouwen:

1° de tenuitvoerlegging, met inbegrip van de oplegging en de inning, van de betaling van een geldsom als vermeld in artikel 6, eerste lid;

2° het uitoefenen van het toezicht op de naleving van de LEZ-reglementering, vermeld in artikel 8;

3° het aanduiden van een personeelslid als beboetingsambtenaar, vermeld in artikel 10, § 2, voor zover deze aanduiding door de gemeenteraad wordt bevestigd;

4° de registratie, vermeld in artikel 4, § 1, van dit decreet;

5° de controle van de voorwaarden, vermeld in artikel 4, § 2, van dit decreet.

De personeelsleden van deze instellingen die door de bevoegde organen worden aangewezen voor het uitvoeren van de taken, vermeld in het eerste lid, moeten beantwoorden aan dezelfde voorwaarden als de personeelsleden van de gemeente, hebben dezelfde bevoegdheden en hebben toegang tot de voor hun opdracht relevante gegevens, vermeld in artikel 9.

Art. 12. Aan artikel 601ter van het Gerechtelijk Wetboek, ingevoegd bij de wet van 13 mei 1999 en gewijzigd bij de wetten van 24 juni 2013 en 15 juli 2013, wordt een punt 6° toegevoegd, dat luidt als volgt:

"6° het beroep tegen de beslissing tot oplegging van een administratieve geldboete, vermeld in artikel 10, § 4, van het decreet van 27 november 2015 betreffende lage-emissiezones.".

Art. 13. Aan artikel 29, § 2, van de wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer, gewijzigd bij de wet van 1 april 2006 en de wet van 20 maart 2007, wordt een vierde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:

"De overtreding van de reglementen bedoeld in het eerste lid die betrekking hebben op een lage-emissiezone zoals bedoeld in artikel 2.63 van het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg, worden niet strafrechtelijk bestraft.".

Art. 14. Dit decreet treedt in werking op een door de Vlaamse Regering vast te stellen datum.

Zie Besluit van de Vlaamse Regering van 26 februari 2016 betreffende lage-emissiezones.