2 JUNI 2010. - Koninklijk besluit betreffende het wegverkeer van uitzonderlijke voertuigen.
[BS 14.06.2010]

Hoofdstuk 5. Voorschriften met betrekking tot de veiligheidsuitrusting

Afdeling 2. Bijzondere voorschriften

Artikel 19

Onverminderd de algemene voorschriften van artikelen 16 tot 18 en de bepalingen van artikel 28, § 5 van het technische reglement, zijn de volgende bijzondere voorschriften van toepassing :

voor een uitzonderlijk voertuig langer dan 22,00 meter wordt de retroreflecterende markering aan beide zijden over de gehele lengte van het geladen uitzonderlijk voertuig aangebracht;

Met uitzondering van de kraanauto, als de breedte van het uitzonderlijk voertuig meer bedraagt dan 2,55 meter,

a) worden vier panelen geplaatst, twee vooraan en twee achteraan, om de uiterste breedte van het uitzonderlijk voertuig af te bakenen. Zij worden zodanig bevestigd dat zij op zichzelf geen hindernis vormen;

b) De onderste rand van de panelen is geplaatst op een hoogte tussen minimum 0,40 meter en maximum 2 meter gemeten vanaf de grond. Indien, om technische redenen, de maximumhoogte niet kan worden geëerbiedigd, kan een grotere hoogte worden toegestaan;

c) de panelen zijn in overeenstemming :

i. met de voorschriften van het artikel 28, § 6, 3, 1° van het Technisch Reglement met dien verstande dat de vierkante panelen bedoeld in het artikel 28, § 6, 3, 1°, tweede lid enkel op de uitzonderlijke voertuigen met een maximale breedte van 3,50 meter mogen worden geplaatst;
ii. (opgeheven).

d) de panelen vooraan zijn bovendien uitgerust met minstens een wit licht en deze achteraan met minstens een rood licht. Deze lichten zijn voortdurend in werking;

voor een uitzonderlijk voertuig breder dan 4,50 meter wordt de retroreflecterende markering vooraan en achteraan over de gehele breedte van het uitzonderlijk voertuig aangebracht.

Artikel 19/1

De lading die meer dan één meter buiten het achtereinde van het voertuig uitsteekt moet worden gesignaleerd :

door een bord, dat aan het meest uitstekende gedeelte van de lading wordt bevestigd, zodat het zich steeds in een vertikaal vlak, loodrecht op de middelste lengteas van het voertuig bevindt, conform :

a) artikel 28, § 6, 3, 1° van het Technisch Reglement;

b) (opgeheven).

De onderste rand van het bord is geplaatst op een hoogte tussen minimaal 40 cm en maximaal 200 cm gemeten vanaf de grond. Het bord is zodanig bevestigd dat het zelf geen hindernis vormt. Indien, om technische redenen, de maximumhoogte niet kan worden geëerbiedigd, kan een grotere hoogte worden toegestaan.

Het paneel is bovendien uitgerust met een rood licht. Dit licht is altijd in werking.