2 JUNI 2010. - Koninklijk besluit betreffende het wegverkeer van uitzonderlijke voertuigen.
[BS 14.06.2010]

Hoofdstuk 6. Voorschriften met betrekking tot de begeleiding van uitzonderlijke voertuigen

Afdeling 1. De begeleiding

Artikel 20

§ 1. Eén begeleidingsvoertuig met een verkeerscoördinator bedoeld in artikel 26 is vereist als het uitzonderlijk voertuig minstens één van de volgende voorwaarden tegen komt :

zijn lengte is groter dan 30,00 meter en kleiner dan of gelijk aan 35,00 meter;

zijn breedte is groter dan 3,50 meter en kleiner dan of gelijk aan 4,50 meter;

zijn massa is groter dan 90,000 ton.

Het begeleidingsvoertuig rijdt vooraan het konvooi. Echter als het uitzonderlijk voertuig op een autosnelweg rijdt of op een weg verdeeld in vier of meer rijstroken waarvan er tenminste twee bestemd zijn voor elke rijrichting, rijdt het begeleidingsvoertuig achteraan.

§ 2. Twee begeleidingsvoertuigen, waarvan één met een verkeerscoördinator, zijn vereist als het uitzonderlijk voertuig minstens één van de volgende voorwaarden of omstandigheden tegen komt :

zijn lengte is groter dan 35,00 meter en kleiner dan of gelijk aan 40,00 meter;

zijn breedte is groter dan 4,50 meter en kleiner dan of gelijk aan 5,00 meter;

zijn hoogte is groter dan 4,80 meter;

zijn massa is groter dan 180,000 ton;

indien het uitzonderlijk voertuig één van de bewegingen voorzien in artikel 29, § 1 moet uitvoeren;

wanneer het tegenliggend en/of het in de rijrichting rijdend verkeer moet worden gestopt op openbare wegen waar de toegelaten maximumsnelheid niet méér dan 70 km per uur bedraagt;

indien het uitzonderlijk voertuig moet rijden aan beperkte snelheid op een autosnelweg of op een weg verdeeld in vier of meer rijstroken waarvan er tenminste twee bestemd zijn voor elke rijrichting en waar de toegelaten maximumsnelheid méér dan 70 km per uur bedraagt;

Eén van de begeleidingsvoertuigen rijdt vooraan het konvooi, het andere achteraan. Echter, als het uitzonderlijk voertuig op een autosnelweg rijdt of op een weg verdeeld in vier of meer rijstroken waarvan er tenminste twee bestemd zijn voor elke rijrichting, kunnen beide begeleidingsvoertuigen achteraan rijden.

§ 3. Drie begeleidingsvoertuigen, waarvan één met verkeerscoördinator, zijn vereist als het uitzonderlijk voertuig minstens één van de volgende voorwaarden of omstandigheden tegen komt :

zijn lengte is groter dan 40,00 meter;

zijn breedte is groter dan 5,00 meter;

voor het overschrijden van een brug met behulp van bijkomende voertuigen of met behulp van voorlopige bruggen.

Eén van de begeleidingsvoertuigen rijdt vooraan het konvooi, de andere achteraan. Echter, als het uitzonderlijk voertuig op een autosnelweg rijdt of op een weg verdeeld in vier of meer rijstroken waarvan er tenminste twee bestemd zijn voor elke rijrichting, kunnen de drie begeleidingsvoertuigen achteraan rijden.

§ 4. In uitzonderlijke omstandigheden mag er van paragraaf 1, laatste lid, van paragraaf 2, laatste lid, en van paragraaf 3, laatste lid, worden afgeweken, teneinde de verplaatsing van het konvooi zonder gevaar voor dit konvooi of voor de andere weggebruikers te laten verlopen.  

Artikel 21

Als begeleidingsvoertuig wordt een personenauto, een auto voor dubbel gebruik of een lichte vrachtauto, zoals bepaald in artikel 1 van het technisch reglement, gebruikt.

Artikel 22

Het begeleidingsvoertuig is van gele kleur RAL codes 1003, 1004, 1023 of equivalent.

Artikel 16, eerste en tweede lid is van toepassing op de begeleidingsvoertuigen.

De voor- en achterzijde van het voertuig zijn bedekt met afwisselende witte en rode strepen van 75 tot 120 millimeter breedte met een helling van 45 tot 60 graden over een oppervlakte van minstens een halve vierkante meter.

De witte strepen vooraan en de rode strepen achteraan zijn retroreflecterend.

Op elke zijde van het voertuig zijn retroreflecterende vlakken met « open pijlen » aangebracht. Deze vlakken hebben minstens de afmetingen van 1,00 meter op 0,30 meter. Zij zijn rood en wit of rood en geel gekleurd. De pijlen wijzen naar de voorzijde van het voertuig en hebben een breedte van 0,10 meter.

Artikel 23

De begeleidingsvoertuigen zijn uitgerust met minstens twee geeloranje knipperlichten op het dak. Deze lichten zijn rondom zichtbaar. Zij zijn in werking gedurende het uitzonderlijk vervoer.

De achteraan rijdende begeleidingsvoertuigen zijn op het dak voorzien van een lichtbalk met gele amberkleurige directionele waarschuwingspijlen. Zij zijn in werking gedurende het uitzonderlijk vervoer.

Artikel 24

ls het konvooi één of meer begeleidingsvoertuigen omvat, zijn alle voertuigen zodanig uitgerust dat zij permanent met elkaar in verbinding kunnen blijven.

Artikel 25

Onverminderd het bepaalde in de artikelen 16 en 22 tot 24 is minstens één begeleidingsvoertuig eveneens voorzien van volgende uitrustingen en veiligheidsmaterieel :

  • 1 brandblusser van 3 kilogram;
  • 10 geeloranje reflecterende kegels of geeloranje wegafbakeningslichten;
  • 2 witte toortslampen op batterijen met geeloranje kegels als toebehoren;
  • 2 reflecterende verkeersborden C3 met handvat;
  • 2 verkeersborden A51 op driepikkel;
  • 1 decameter;
  • 1 uitschuifbare meetlat van minimum 6 meter.