2 JUNI 2010. - Koninklijk besluit betreffende het wegverkeer van uitzonderlijke voertuigen.
[BS 14.06.2010]

Hoofdstuk 7. Voorschriften met betrekking tot de verkeersdeelneming van uitzonderlijke voertuigen

Afdeling 3. Dwarsen van gelijkgrondse spooroverwegen

Artikel 34

De bestuurder van het uitzonderlijk voertuig en, in voorkomend geval, de verkeerscoördinator en de begeleiders moeten zich er van vergewissen dat zij over voldoende tijd beschikken om op normale wijze een spooroverweg te overschrijden zonder te stoppen.

Zij verkennen de plaatsen alvorens de overweg te dwarsen en zij zien na of er geen wijzigingen zijn gebeurd sedert de laatste verkenning.

Zij onderzoeken vooral de lengte- en dwarsprofielen van de weg in de doorgangszone van de overweg. Zij nemen de nodige maatregelen om voldoende afstand te verzekeren tussen de onderkant van het uitzonderlijk voertuig en de grond om niet in aanraking te komen met de sporen of met het wegdek.

Zij plaatsen een waarnemer langs de weg, als de verticale afstand tussen het beschermingsportiek en het hoogste punt van het uitzonderlijk voertuig kleiner is dan 10 centimeter.