Koninklijk besluit van 10 april 2016 inzake de elektronische vrachtbrief

Artikel 1. § 1. In afwijking van de bepalingen van titel 5, hoofdstuk 1 van het ministerieel besluit van 23 mei 2014 genomen ter uitvoering van het koninklijk besluit van 22 mei 2014 betreffende het goederenvervoer over de weg mogen de ondernemingen voor vervoer verricht binnen de grenzen van België gedurende de looptijd van een proefproject gebruik maken van de elektronische vrachtbrief zoals bedoeld in het aanvullend protocol van 20 februari 2008 bij het Verdrag betreffende de overeenkomst tot internationaal vervoer van goederen over de weg (CMR) inzake de digitale vrachtbrief, hierna het E-CMR protocol genoemd. Dit proefproject loopt gedurende een periode van drie jaar vanaf de inwerkingtreding van dit besluit.

§ 2. Onverminderd de bepalingen van paragraaf 1, zijn de volgende bepalingen van toepassing voor de elektronische vrachtbrief:

1° de elektronische vrachtbrieven dienen voorzien te zijn van een uniek nummer voorafgegaan door de letter B; de nummering moet doorlopend zijn en de leverancier van de vrachtbrief kunnen identificeren;

2° de leveranciers houden een lijst bij van de via hun technologie aangemaakte elektronische vrachtbrieven waarop het nummer, de datum van aanmaak, de naam en het adres van de gebruikers aangegeven zijn; deze lijst wordt minstens om de drie maanden kenbaar gemaakt aan de Directeur-generaal van het Directoraatgeneraal Wegvervoer en Verkeersveiligheid bij de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer en het hoofd van de controle van de belasting over de toegevoegde waarde van het ambtsgebied waaronder de belastingsplichtige die de elektronische vrachtbrief aanmaakt ressorteert;

3° de elektronische vrachtbrief dient toegankelijk te zijn voor de afzender of de commissionair, de vervoerder en de geadresseerde;

4° de elektronische vrachtbrief dient toegankelijk te zijn in het voertuig en te worden vertoond op elk verzoek van de met de controle belaste ambtenaren;

5° de elektronische vrachtbrief dient gedurende ten minste vijf jaar na de datum van het vervoer door de onderneming te worden bewaard en chronologisch te worden gerangschikt, op een zodanige wijze dat inzage door de ambtenaren belast met het toezicht op de toepassing van de wet en haar uitvoeringsbesluiten gemakkelijk kan geschieden;
op verzoek van deze laatsten moet de afdruk van de elektronische vrachtbrief gemakkelijk kunnen geschieden;

6° alle gegevens die op de papieren vrachtbrief moeten worden vermeld overeenkomstig artikel 33, § 2 van het ministerieel besluit van 23 mei 2014 genomen ter uitvoering van het koninklijk besluit van 22 mei 2014 betreffende het goederenvervoer over de weg, dienen ook op de elektronische vrachtbrief te worden vermeld;

7° op verzoek van de geadresseerde bezorgt de afzender hem onmiddellijk per post een afdruk van de elektronische vrachtbrief.

§ 3. Er mag binnen het proefproject slechts gebruik gemaakt worden van de elektronische vrachtbrief voor zover de volgende voorwaarden vervuld zijn:

1° de leveranciers van de gebruikte technologie moeten ten laatste negen maanden na de inwerkingtreding van dit besluit een aanvraag tot toelating tot het proefproject gedaan hebben;

2° de leverancier moet bij zijn aanvraag uitleg verschaffen over de werking van het systeem en door middel van documentatie aantonen dat de gebruikte technologie voldoet aan de bepalingen van het E-CMR protocol;

3° de leverancier dient schriftelijk bevestiging te bekomen van de Directeur-generaal van het Directoraat-generaal Wegvervoer en Verkeersveiligheid van de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer dat hij werd toegelaten tot het proefproject. De leverancier wordt in kennis gesteld van de goedkeuring of weigering van zijn deelname aan het proefproject binnen een termijn van drie maanden te rekenen vanaf de dag die volgt op die van de aanvraag;

4° minstens om de drie maanden meldt de leverancier de eventuele wijzigingen aangebracht aan het systeem;

5° de leverancier is verplicht om elke vervoerder, afzender en commissionair aan wie hij zijn technologie beschikbaar stelt onmiddellijk aan te melden;

6° de leverancier is ertoe gehouden op verzoek van de Directeurgeneraal van het Directoraat-generaal Wegvervoer en Verkeersveiligheid van de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer diens instructies op te volgen en hem alle nuttige informatie te verschaffen in het kader van de uitvoering van het proefproject.

De voorwaarden bepaald in het eerste lid gelden op straffe van uitsluiting van het proefproject.

De aanvragen en de mededelingen bedoeld in het eerste lid worden gericht aan de Directeur-generaal van het Directoraat-generaal Wegvervoer en Verkeersveiligheid bij de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer. Zij worden elektronisch verzonden naar het e-mail adres “Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.” of per brief verzonden naar “FOD Mobiliteit en Vervoer, DG Wegvervoer en Verkeersveiligheid, Vooruitgangstraat 56, 1210 Brussel”.

§ 4. De elektronische vrachtbrief heeft in het nationaal vervoer dezelfde waarde als de papieren vrachtbrief voor zover hij:

1° voldoet aan de bepalingen van het E-CMR protocol;

2° werd aangemaakt met de technologie van een overeenkomstig paragraaf 3 toegelaten leverancier;

3° wordt gebruikt door een overeenkomstig paragraaf 3 aangemelde gebruiker van de vrachtbrief.

In geval van twijfel over de echtheid of geldigheid van de elektronische vrachtbrief, kunnen de met de controle belaste ambtenaren contact opnemen met de leverancier om uitsluitsel te bekomen.

Gebruik van een ongeldige elektronische vrachtbrief wordt gelijkgesteld met gebruik van een ongeldige papieren vrachtbrief.

Art. 2. De minister bevoegd voor het vervoer is belast met de uitvoering van dit besluit.