10 JUNI 1959. - Koninklijk besluit betreffende de bloedproef met het oog op het bepalen van het alcoholgehalte en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de wet van 15 April 1958 tot wijziging van het Wetboek, van strafvordering, van de wet van 1 Augustus 1899 houdende herziening van de wetgeving en van de reglementen op de politie van het vervoer en van de besluitwet van 14 November 1939 betreffende de beteugeling van de dronkenschap.
[BS 26.06.1959]

    Artikel 1

    Op straffe van de sancties bepaald in artikel 10 van de wet van 1 Juni 1849 over de herziening der tarieven van gerechtskosten in strafzaken, mag de geneesheer die, krachtens artikel 44bis van het Wetboek van strafvordering of krachtens artikel 4bis van de wet van 1 Augustus 1899, wordt opgevorderd om een bloedproef te verrichten, zich daarvan slechts onthouden wanneer zijn bevindingen een formele contra-indicatie tegen deze maatregel opleveren of wanneer hij de redenen welke degene op wie de bloedproef moet worden verricht, aanvoert om zich eraan te onttrekken, als gegrond erkent.

    De geneesheer die in een van beide eventualiteiten van oordeel is dat hij de bloedproef niet moet verrichten, vermeldt in een dadelijk op te maken verslag waarom hij zich onthoudt. Dit verslag wordt aan de opvorderende overheid overhandigd. Het mag onder gesloten omslag worden overhandigd als de geneesheer niet werd opgevorderd door een magistraat of als het niet rechtstreeks aan de opvorderende magistraat kan worden overhandigd. Het verslag of de omslag, die het verslag bevat, wordt terstond bij het proces-verbaal gevoegd.
    Ingeval de persoon op wie de bloedproef moet worden toegepast, zich niet aan het ingrijpen van de opgevorderde geneesheer onderwerpt, wordt het feit vastgesteld in een door de opvorderende overheid opgemaakt proces-verbaal.

    Artikel 2

    Wanneer de bloedafneming bevolen wordt krachtens artikel 4bis van de wet van 1 Augustus 1899, vullen de opvorderende overheid en de opgevorderde geneesheer een formulier in, waarvan het model bijlage 1 bij dit besluit uitmaakt.

    Artikel 3

    Het bloed wordt rechtstreeks aan de ader afgenomen. De vorderende overheid overhandigt daartoe aan de geneesheer een bloedafnamesysteem dat onder meer een afnamebuis en een ontsmettingsmiddel in een waterachtige oplossing bevat.

    Bij ieder systeem worden drie kleefbriefjes en een specifieke gebruiksaanwijzing (met de volgende gedrukte tekst in het Nederlands en in het Frans) gevoegd.

    " Gebruiksaanwijzing

    De naald op de adaptor plaatsen;
    Rond de arm het knevelverband aanbrengen, daarna aan de hand van de tampon doordrenkt met waterige ontsmettingsvloeistof de huid zorgvuldig ontsmetten en een punctie uitvoeren met de naald;
    Bloed aanzuigen tot de gewenste hoeveelheid is verkregen (ten minste 3 ml);
    De afnamebuis fel schudden om het anticoagulans en het bloed te mengen;
    Onmiddellijk na de bloedafname op de afnamebuis een etiket plakken met de naam en voornaam van de persoon van wie het bloed is afgenomen, alsmede met de datum en het nummer van het proces-verbaal. Dit etiket mag het identificatienummer van de afnamebuis niet bedekken. "

    De geneesheer neemt alle gebruikelijke aseptische voorzorgen.

    Het bloedstaal moet ten minste 2 keer 3 ml (3 cm³) bedragen.

    De afnamebuizen moeten ten minste een inhoud hebben van 5 ml (5 cm³) en moeten een mengsel bevatten van natriumfluoride en een van volgende anticoagulantia : oxalaat of ethyleendiaminetetra-acetaat.

    De Minister die de Volksgezondheid onder zijn bevoegdheid heeft, bepaalt de andere voorwaarden, waaraan het bloedafnamesysteem moet voldoen.

    Zie M.B. van 27 december 1996 tot uitvoering van artikel 3 van het koninklijk besluit van 10 juni 1959 betreffende inzonderheid de bloedproef met het oog op het bepalen van het alcoholgehalte.

    Artikel 4

    Nadat de bloedafneming is verricht, wordt het lichaam van de afnamebuis onmiddellijk voorzien van een etiket met de naam en de voornamen van de persoon van wie het bloed afgenomen werd, alook de datum en het nummer van het proces-verbaal.

    Artikel 5

    Wanneer de persoon van wie het bloed wordt afgenomen wordt bijgestaan door een geneesheer naar zijn keuze, kan deze laatste in het proces-verbaal de opmerkingen doen optekenen die hij meent te moeten maken.

    Artikel 6

    De opgevorderde geneesheer overhandigt het afgenomen bloedstaal aan de opvorderende overheid, die het onmiddellijk langs de vlugste weg naar het erkend laboratorium zendt, dat de rechterlijke overheid zal hebben aangewezen om voor de bewaring ervan te zorgen of als zulke aanwijzing niet is geschied, naar de griffie van het bevoegd gerecht.

    Artikel 7

    De rechterlijke overheid vordert een in een erkend laboratorium optredend deskundige op om het bloed te ontleden.

    Werd het bloedstaal ter griffie neergelegd, dan wordt dit staal terzelfdertijd als de vordering overgemaakt.

    De deskundige verricht de analyse zo spoedig als de omstandigheden het mogelijk maken en legt zijn verslag over binnen zeven dagen na het ontvangen van de vordering. Wat van het staal overblijft, wordt in het laboratorium, waaraan de deskundige verbonden is, bewaard gedurende ten minste drie maanden, te rekenen vanaf de bloedafneming.

    De deskundige verricht de analyse zo spoedig als de omstandigheden het mogelijk maken en legt zijn verslag over binnen zeven dagen na het ontvangen van de vordering. Wat van het staal overblijft, wordt in het laboratorium, waaraan de deskundige verbonden is, bewaard gedurende drie maanden, te rekenen vanaf de bloedafneming en wordt daarna overgebracht, tegen ontvangstbewijs, aan de griffie van de bevoegde rechtbank.

    Artikel 8

    De bloedanalyse wordt uitgevoerd volgens de methode en de criteria beschreven in bijlage II van dit besluit.

    De externe kwaliteitsevaluaties van de laboratoria die deze analyses uitvoeren, zullen minstens twee maal per jaar georganiseerd worden door het Wetenschappelijk Instituut Volksgezondheid. De laboratoria zullen hieraan moeten deelnemen om hun erkenning te behouden.

    Het Wetenschappelijk Instituut Volksgezondheid zal een activiteitenrapport opstellen over de externe kwaliteitsevaluatie. Dit rapport zal jaarlijks worden overgemaakt aan de Minister van Justitie en aan het College van Procureurs generaal.

    Artikel 9

    De ambtenaar van het openbare ministerie of onderzoeksrechter geeft zo vlug mogelijk en uiterlijk binnen dertig dagen, te rekenen van het verstrijken van de termijn van zeven dagen, bepaald in artikel 7, lid 2, kennis van de uitslagen van de analyse aan de persoon van wie het bloed werd afgenomen.

    De kennisgeving geschiedt bij ter post aangetekende brief. Zij wordt geacht te zijn geschied de dag na die, waarop de brief op de post werd afgegeven, zon- en feestdagen daarin niet begrepen. Ze kan ook mondeling geschieden door de magistraat of door de officier van gerechtelijke politie, die hij aanstelt; in dit geval wordt van deze kennisgeving proces-verbaal opgemaakt.

    De betrokkene wordt tezelfdertijd gewaarschuwd dat hij, indien hij een tweede analyse meent te moeten laten verrichten, van dit recht moet gebruik maken binnen vijftien dagen, te rekenen van de dag der kennisgeving.

    Artikel 10

    De betrokkene die een tweede analyse wil laten verrichten, moet daartoe, bij ter post aangetekende brief, een aanvraag zenden aan het door hem gekozen erkend laboratorium of aan een in zulk laboratorium optredend deskundige. Terzelfdertijd zendt hij, bij aangetekende brief, een afschrift van die aanvraag aan de magistraat, die de in artikel 9 bepaalde kennisgeving heeft gedaan. De aanvraag en de toezending worden geacht ten aanzien van het laboratorium of van de gekozen deskundige te zijn gedaan de dag na die waarop de afgifte ter post heeft plaats gehad, de zon- en feestdagen daarin niet begrepen.

    In de aanvraag moeten worden vermeld : naam en voornamen van de verzoeker, het laboratorium waar de eerste analyse verricht werd en, indien de aanvraag gezonden wordt aan ditzelfde laboratorium of aan een aldaar optredend deskundige, de eventueel door de betrokkene gekozen technische raadsman om op de tweede analyse toezicht te houden.

    De analyse moet worden verricht overeenkomstig de in artikel 8 bepaalde regels. De uitslagen ervan worden aan de betrokkene overhandigd vooraleer een termijn van vijftien dagen, te rekenen van het ontvangen der aanvraag, is verstreken, en de rechterlijke overheid wordt terzelfdertijd door het laboratorium van deze mededeling in kennis gesteld.

    Indien de betrokkene de analyse wil laten verrichten in een ander laboratorium dan dat waar de eerste analyse plaats had, maakt dit laatste, op het hem daartoe gedaan verzoek, het bloedstaal zo spoedig mogelijk aan het gekozen laboratorium over. De bewaring van wat van het staal overblijft en de afgifte aan de bevoegde griffie, overeenkomstig artikel 7, derde lid, zijn in dat geval opgedragen aan het laboratorium waar de nieuwe analyse verricht wordt.

    Artikel 11

    De erkenning van de laboratoria, bepaald in artikel 44bis van het Wetboek van strafvordering en in artikel 4ter van de wet van 1 Augustus 1899 geschiedt door Ons, onder de voorwaarden, bepaald in artikel 12, op het advies van de procureur-generaal bij het Hof van beroep in welks rechtsgebied het laboratorium is gevestigd.

    De aanvragen tot erkenning dienen schriftelijk aan de Minister van Volksgezondheid en van het Gezin gericht te worden.

    Artikel 12

    De erkenning, bedoeld in artikel 11, kan enkel geschieden indien de verzoeker bewijst :

    dat de bewaring van het afgenomen bloed verzekerd is en dat de analyse ervan verricht wordt door een persoon van onbesproken gedrag, die de gewenste waarborgen biedt inzake bevoegdheid en ervaring; deze blijken, ter ene zijde, uit het bezit van een diploma van apotheker, doctor in de geneeskunde, doctor of licentiaat in de scheikundige wetenschappen of licentiaat in de biochemische wetenschappen en, ter andere zijde, uit het bewijs dat hij gedurende ten minste vijf jaren de praktijk van biologische analyses heeft uitgeoefend;

    dat het laboratorium beschikt over de installaties, de apparatuur, het materieel en de nodige produkten om de bewaring van de bloedstalen te verzekeren en om het alcoholgehalte ervan te bepalen;

    dat in het laboratorium een dienst voor het in ontvangst nemen van de bloedstalen georganiseerd is.

    Artikel 13

    Elk laboratorium dat erkend werd om de analyses te verrichten is te allen tijde onderworpen aan de inspectie van de diensten, die onder het Ministerie van Volksgezondheid en van het Gezin ressorteren.

    De erkenning kan door Ons opgeschort of ingetrokken worden indien aan de gezamenlijke voorwaarden, vermeld in de voorgaande artikelen, niet meer voldaan is of indien de inspectie, bepaald in het vorig lid, verhinderd wordt.

    Artikel 14

    Tot de dag bepaald door Onze Minister van Justitie en Onze Minister van Volksgezondheid en van het Gezin, mag de bloedproef eveneens verricht worden met behulp van de thans in gebruik zijnde venulen.

    Artikel 15

    Tot dezelfde dag worden de laboratoria die, vóór de inwerkingtreding van dit besluit, door de rechterlijke overheid belast waren met het ontleden van het bloed om het alcoholgehalte te bepalen, geacht daartoe erkend te zijn. Tot die dag mogen zij, bij afwijking van artikel 8, dit werk verrichten overeenkomstig de gevolgde methode en met behulp van de tot op dat ogenblik gebruikte apparatuur.

    Artikel 16

    De wet van 15 April 1958 tot wijziging van het Wetboek van strafvordering, van de wet van 1 Augustus 1899 houdende herziening van de wetgeving en van de reglementen op de politie van het vervoer en van de besluitwet van 14 November 1939 betreffende de beteugeling van de dronkenschap treedt in werking terzelfdertijd als dit besluit.

    Artikel 17

    Onze Minister van Justitie en Onze Minister van Volksgezondheid en van het Gezin zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.


    Bijlage I.


    Bijlage II. Methode en criteria tot het bepalen van het alcoholgehalte in het bloed

    De analyse voor het doseren van alcohol in het bloed wordt uitgevoerd met behulp van een gaschromatografische techniek die beantwoordt aan volgende criteria

    1. Het laboratorium beschikt over een gedetailleerde standaardprocedure met beschrijving van:

    1.1. Het gebruikte kolomtype en de analysevoorwaarden. Deze voorwaarden moeten een volledige scheiding van de pieken waarborgen voor volgende substanties: ethanol, methanol, aceton, isopropanol en de interne standaard.

    1.2. De keuze van de interne standaard en zijn gebruiksaanwijzing.

    1.3. Procedure voor de validatie van de resultaten.

    2. Het scheidend vermogen van de kolom moet op regelmatige basis kunnen worden aangetoond voor de hogergenoemde componenten (ongeveer 1 g/L); de frequentie van controle wordt schriftelijk vastgelegd.

    3. De frequentie van de calibratie, het aantal controles (minimum 2 van verschillende niveaus) en blanco's (minimum 1) ingevoegd in elke analysereeks, worden schriftelijk vastgelegd.

    4. Een validatiedossier moet beschikbaar zijn met beschrijving van de detectielimiet, de kwantificatielimiet, de herhaalbaarheid, de reproduceerbaarheid en de lineariteit ( tussen 0g/L en 3,0g/L) van de gebruikte methode. Tevens wordt de bias bepaald met behulp van gecertificeerd referentiemateriaal (al dan niet verdund tot een concentratie van 0,20, 0,50, 0,80, 1,20 en 1,50 g/L).

    Analytisch gemiddelde* (g/L) Maximale bias**
    0-0,40 15 % (targetwaarde 0,20 g/L)
    0,41-0,69 5 % (targetwaarde 0,50 g/L)
    0,70 en hoger 3 % (targetwaarden 0,80, 1,20 en 1,50 g/L)

    Gemiddelde*: gemiddelde van de twee resultaten in g/L
    Max bias**: maximum toegelaten bias van de methode

    Elk staal wordt in duplo geanalyseerd. Het verschil tussen de twee bepalingen moet beantwoorden aan de criteria vastgesteld in onderstaande tabel.

    Analytisch gemiddelde* (g/L) Maximaal verschil**
    0-0,40 12 %
    0,41 en hoger 8 %

    Gemiddelde*: gemiddelde van de twee resultaten in g/L
    Max verschil**: maximum toegelaten verschil tussen de twee metingen

    5. Het laboratorium beschikt over een standaard procedure met beschrijving van de manier waarop een expertiserapport wordt opgesteld.

    6. Het resultaat opgenomen in het eindrapport is het gemiddelde van de twee analyses verminderd met 0,10g/L als technische correctie voor de meetonzekerheid.

    7. Volgende instructies moeten gevolgd worden voor de uitvoering van terugrekeningen:

    De gebruikte metabolisatie coëfficiënt is de wetenschappelijk algemeen aanvaarde coëfficiënt van 0.15g/L per uur gedurende de 4 eerste uren van de eliminatie fase en van 0.10g/L per uur tijdens de twee volgende uren. Er wordt voor een periode van maximum 6 uur teruggerekend.

    De terugrekening wordt alleen uitgevoerd als het gemiddelde van de twee metingen verminderd met 0,10g/L, gelijk of hoger is dan 0,20 g/L.

    De analyse voor het doseren van alcohol in het bloed wordt uitgevoerd met behulp van een gaschromatografische techniek die beantwoordt aan volgende criteria

    1. Het laboratorium beschikt over een gedetailleerde standaardprocedure met beschrijving van:

    1.1. Het gebruikte kolomtype en de analysevoorwaarden. Deze voorwaarden moeten een volledige scheiding van de pieken waarborgen voor volgende substanties: ethanol, methanol, aceton, isopropanol en de interne standaard.

    1.2. De keuze van de interne standaard en zijn gebruiksaanwijzing.

    1.3. Procedure voor de validatie van de resultaten.

    2. Het scheidend vermogen van de kolom moet op regelmatige basis kunnen worden aangetoond voor de hogergenoemde componenten (ongeveer 1 g/L); de frequentie van controle wordt schriftelijk vastgelegd.

    3. De frequentie van de calibratie, het aantal controles (minimum 2 van verschillende niveaus) en blanco's (minimum 1) ingevoegd in elke analysereeks, worden schriftelijk vastgelegd.

    4. Een validatiedossier moet beschikbaar zijn met beschrijving van de detectielimiet, de kwantificatielimiet, de herhaalbaarheid, de reproduceerbaarheid en de lineariteit ( tussen 0g/L en 3,0g/L) van de gebruikte methode. Tevens wordt de bias bepaald met behulp van gecertificeerd referentiemateriaal (al dan niet verdund tot een concentratie van 0,20, 0,50, 0,80, 1,20 en 1,50 g/L).

    Analytisch gemiddelde* (g/L) Maximale bias**
    0-0,40 15 % (targetwaarde 0,20 g/L)
    0,41-0,69 5 % (targetwaarde 0,50 g/L)
    0,70 en hoger 3 % (targetwaarden 0,80, 1,20 en 1,50 g/L)

    Gemiddelde*: gemiddelde van de twee resultaten in g/L
    Max bias**: maximum toegelaten bias van de methode

    Elk staal wordt in duplo geanalyseerd. Het verschil tussen de twee bepalingen moet beantwoorden aan de criteria vastgesteld in onderstaande tabel.

    Analytisch gemiddelde* (g/L) Maximaal verschil**
    0-0,40 12 %
    0,41 en hoger 8 %

    Gemiddelde*: gemiddelde van de twee resultaten in g/L
    Max verschil**: maximum toegelaten verschil tussen de twee metingen

    5. Het laboratorium beschikt over een standaard procedure met beschrijving van de manier waarop een expertiserapport wordt opgesteld.

    6. Het resultaat opgenomen in het eindrapport is het gemiddelde van de twee analyses verminderd met 0,10g/L als technische correctie voor de meetonzekerheid.

    7. Volgende instructies moeten gevolgd worden voor de uitvoering van terugrekeningen:

    De gebruikte metabolisatie coëfficiënt is de wetenschappelijk algemeen aanvaarde coëfficiënt van 0.15g/L per uur gedurende de 4 eerste uren van de eliminatie fase en van 0.10g/L per uur tijdens de twee volgende uren. Er wordt voor een periode van maximum 6 uur teruggerekend.

    De terugrekening wordt alleen uitgevoerd als het gemiddelde van de twee metingen verminderd met 0,10g/L, gelijk of hoger is dan 0,20 g/L.