10 OKTOBER 1974. - Koninklijk besluit houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de bromfietsen, de motorfietsen en hun aanhangwagens moeten voldoen.
[BS 15.11.1974]

Hoofdstuk III. Technische eisen

Artikel 22.1 Maatregelen tegen luchtverontreiniging

§1. Definities

Voor de toepassing van dit artikel verstaat men onder :

1° voertuigtype wat betreft de verontreinigende uitlaatgassen van de motor » : voertuigen die onderling geen wezenlijke verschillen vertonen met name met betrekking tot :

a) de gelijkwaardige traagheid bepaald in verhouding tot de referentiemassa zoals deze naargelang van het voertuigtype is voorgeschreven in punt 5.2 van de hoofdstukken I en V van bijlage 7;

b) de kenmerken van de motor en van de bromfiets zoals omschreven op het inlichtingenformulier betreffende de maatregelen tegen luchtverontreiniging die worden veroorzaakt door een type motorvoertuig op twee of drie wielen en waarvan het model te vinden is in hoofdstuk XV van bijlage 7.

2° « referentiemassa » : de rijklare massa van het voertuig vermeerderd met een massa van 75 kg. De rijklare massa van het voertuig komt overeen met de totale onbeladen massa, waarbij alle tanks tot ten minste 90 % van hun maximumcapaciteit zijn gevuld.

3° « verontreinigende gassen » :

a) voor de bromfietsen : koolmonoxide, koolwaterstoffen en stikstofoxide, waarbij deze laatste in stikstofdioxide (NO2)-equivalent worden uitgedrukt;

b) voor de motorfietsen of driewielers : koolmonoxide, stikstofoxiden, uitgedrukt in stikstofdioxide (NO2)-equivalent, en koolwaterstoffen, uitgaande van een verhouding van :

  • C1H1,85 voor benzine;
  • C1H1,86 voor diesel;

4° « motorcarter », de in de motor aanwezige ruimte of ruimten daarbuiten die met het oliecarter zijn verbonden door in- of uitwendige verbindingen waardoor gassen en dampen kunnen ontwijken;

5° manipulatievoorziening » : een voorziening die werkingsvariabelen van het voertuig (bv. de snelheid van het voertuig, het toerental, de ingeschakelde versnelling, de temperatuur, de inlaatdruk of een andere parameter) meet, met een sensor bepaalt, of erop reageert om de werking van een onderdeel of functie van het emissiebeheersingssysteem te activeren, te moduleren, te vertragen of uit te schakelen op zodanige wijze dat de doelmatigheid van het emissiebeheersingssysteem verminderd wordt onder omstandigheden die bij een normaal voertuiggebruik optreden, tenzij het gebruik van een dergelijke voorziening daadwerkelijk behoort tot de toegepaste testprocedure voor emissiecertificering.

6° abnormale emissiebeperkingsstrategie » : een strategie of maatregel die, wanneer het voertuig onder normale gebruiksvoorwaarden wordt bestuurd, de doelmatigheid van het emissiebeheersingssysteem vermindert tot een niveau dat lager ligt dan het volgens de toepasselijke emissieproef te verwachten niveau.

7° originele katalysator », een katalysator of een samenstel van katalysatoren die onder de voor het voertuig verleende typegoedkeuring valt of vallen;

8° vervangingskatalysator » : een katalysator of een samenstel van katalysatoren die bestemd is of zijn om een originele katalysator op een voertuig met typegoedkeuring overeenkomstig dit artikel te vervangen en die als afzonderlijke technische eenheid kan worden goedgekeurd.

9° originele vervangingskatalysator » : een katalysator of een samenstel van katalysatoren waarvan de verschillende typen voor wat betreft de maatregelen tegen de door motorvoertuigtypes op twee of drie wielen veroorzaakte luchtverontreiniging in afdeling 4a van het goedkeuringsdocument, waarvan het model in hoofdstuk XVII van bijlage 7 is opgenomen, zijn vermeld, maar die door de houder van de typegoedkeuring van het voertuig als technische eenheid op de markt wordt of worden gebracht.

§2. Maatregelen tegen door bromfietsen veroorzaakte luchtverontreiniging

1e. Specificaties en proeven

1.1. De bromfiets wordt onderworpen aan proeven van type I en type II die hieronder zijn beschreven.

1.2. Proef van het type I (bepaling van de gemiddelde emissie van verontreinigende gassen in een bebouwd gebied met druk verkeer)

De proeven worden uitgevoerd volgens de omstandigheden en methodes die beschreven zijn in hoofdstuk I van bijlage 7. De gassen worden volgens de voorgeschreven methoden opgevangen en geanalyseerd.

Bij elke proef moeten de massa koolmonoxide en de gecombineerde massa koolwaterstoffen en stikstofoxiden beneden de volgende grenswaarden liggen :

  • de emissiegrenswaarde voor de hoeveelheid CO bedraagt 1g/km, behalve voor bromfietsen op drie wielen en voor lichte vierwielers waarvoor de emissiegrenswaarde voor de hoeveelheid CO is vastgelegd op 3,5g/km;
  • de emissiegrenswaarde voor hoeveelheden HC en NOx bedraagt 1,2 g/km.

Voor elke in het bovenstaande punt bedoelde verontreiniging is het evenwel toegestaan dat een van de drie verkregen resultaten met ten hoogste 10 % de grenswaarde overschrijdt die in het genoemde punt voor de betrokken bromfiets is voorgeschreven, op voorwaarde dat het rekenkundige gemiddelde van de drie resultaten beneden de voorgeschreven grenswaarde blijft.

Indien de voorgeschreven grenswaarden voor verschillende verontreinigingen worden overschreden, is het niet van belang of deze overschrijding plaatsheeft bij eenzelfde of bij verschillende proeven.

1.3. Proef van het type II (bepaling van de emissie van koolmonoxide en onverbrande koolwaterstoffen bij stationair draaien).

1.3.1. De massa koolmonoxide en de massa onverbrande koolwaterstoffen die worden uitgestoten wanneer de motor gedurende 1 minuut stationair draait, moeten worden geregistreerd.

1.3.2. Deze proef wordt uitgevoerd volgens de in hoofdstuk II van bijlage 7 beschreven methode.

1.4. Schema en markeringen

Een schema en een dwarsdoorsnedetekening met de afmetingen van de originele katalysator(en) (in voorkomend geval) moeten bij de inlichtingenfiche, waarvan een model is opgenomen in hoofdstuk XV van bijlage 7, worden gevoegd.

Op elke originele katalysator worden ten minste de volgende identificaties aangebracht :

  • de letter « e », gevolgd door de identificatie van het land dat de typegoedkeuring heeft verleend;
  • naam of handelsmerk van de fabrikant van het voertuig;
  • merk en identificatienummer van de katalysator.

Deze markering moet leesbaar en onuitwisbaar zijn en ook zichtbaar in de stand waarin de katalysator moet worden gemonteerd.

2. Overeenstemming van de productie

Voor de controle op de overeenstemming van de productie gelden de bepalingen van bijlage VI van de Richtlijn.

Voor de conformiteitscontrole met betrekking tot de proef van type I wordt evenwel gehandeld volgens de wijze beschreven in hoofdstuk III van bijlage 7.

3. Uitbreiding van de goedkeuring

3.1. Voertuigtypes met verschillende referentiemassa's

De goedkeuring mag worden uitgebreid tot voertuigtypes die alleen wat de referentiemassa betreft van het toegelaten type verschillen, in de mate waarin de referentiemassa van het voertuigtype waarvoor uitbreiding van de goedkeuring wordt gevraagd, slechts tot gebruik van het onmiddellijk hogere of onmiddellijk lagere traagheidsequivalent leidt.

3.2. Voertuigtypes met verschillende totale overbrengingsverhoudingen

De voor een voertuigtype verleende goedkeuring kan onder de hierna genoemde voorwaarden worden uitgebreid tot voertuigtypes die alleen wat de totale overbrenging betreft, van het goedgekeurde type afwijken.

Voor elke bij de proef van type I gebruikte overbrenging moet de volgende verhouding worden bepaald :

Hierin zijn V1 en V2 de met een motortoerental van 1,000 min-1 overeenkomende snelheid van het goedgekeurde voertuigtype, respectievelijk van het voertuigtype waarvoor om uitbreiding van de goedkeuring wordt verzocht.

Indien bij elke overbrenging E < 8 % is, moet de uitbreiding worden toegestaan zonder dat de proeven van type I worden herhaald.

Wanneer bij ten minste één overbrenging de verhouding E > 8 % en bij elke overbrenging de verhouding E < 13 % is, moeten de proeven van type I worden herhaald; zij kunnen echter met toestemming van de goedkeuringsinstantie in een door de fabrikant gekozen laboratorium worden verricht. Het keuringsrapport moet aan de technische dienst worden toegezonden.

3.3. Voertuigtypes met verschillende referentiemassa's en verschillende totale overbrengingen

De voor een voertuigtype verleende goedkeuring mag worden uitgebreid tot voertuigtypes die alleen wat de referentiemassa en de totale overbrengingen betreft, van het goedgekeurde type afwijken, indien wordt voldaan aan de voorschriften van punt 3.1 en 3.2.

3.4. Bromfietsen op drie wielen en lichte vierwielers

De voor een tweewielige bromfiets verleende goedkeuring mag worden uitgebreid tot bromfietsen op drie wielen en lichte vierwielers, wanneer die dezelfde motor en dezelfde uitlaatinrichting gebruiken, en dezelfde transmissie hebben die alleen voor de totale overbrenging afwijkt, in de mate waarin de referentiemassa van het voertuigtype waarvoor uitbreiding van de goedkeuring is aangevraagd, slechts tot gebruik van het onmiddellijk hogere of lagere traagheidsequivalent leidt.

3.5. Goedkeuringen die zijn verleend overeenkomstig de punten 3.1 tot en met 3.4 kunnen niet verder worden uitgebreid.

4. Vervangingskatalysatoren en originele vervangingskatalysatoren

4.1. Vervangingskatalysatoren die bestemd zijn om te worden gemonteerd op voertuigen waarvoor krachtens dit artikel een typegoedkeuring is verleend, moeten worden getest overeenkomstig hoofdstuk IV van bijlage 7.

4.2. Originele vervangingskatalysatoren die voor wat betreft de maatregelen tegen de door motorvoertuigtypes op twee of drie wielen veroorzaakte luchtverontreiniging tot een type behoren dat onder afdeling 4a van het goedkeuringsdocument, waarvan het model in hoofdstuk XVII van bijlage 7 is opgenomen, valt en die bestemd zijn voor montage op een voertuig waarnaar in het desbetreffende typegoedkeuringsdocument wordt verwezen, hoeven niet in overeenstemming te zijn met hoofdstuk IV van bijlage 7, op voorwaarde dat zij voldoen aan de voorschriften van de punten 4.2.1 en 4.2.2.

4.2.1. Markering

Op originele vervangingskatalysatoren worden ten minste de volgende identificaties aangebracht :

  • de letter e », gevolgd door de identificatie van het land dat de typegoedkeuring heeft verleend;
  • naam of handelsmerk van de fabrikant van het voertuig;
  • merk en identificatienummer van de katalysator.

Deze markering moet leesbaar en onuitwisbaar zijn en ook zichtbaar in de stand waarin de katalysator moet worden gemonteerd.

4.2.2. Documentatie

Originele vervangingskatalysatoren gaan vergezeld van de volgende informatie :

  • de naam of het handelsmerk van de fabrikant van het voertuig;
  • het merk en het identificatienummer van de katalysator;
  • de voertuigen waarvoor de originele vervangingskatalysator voor wat betreft de maatregelen tegen de door motorvoertuigtypes op twee of drie wielen veroorzaakte luchtverontreiniging tot een type behoort dat door afdeling 4a van het goedkeuringsdocument, waarvan het model in hoofdstuk XVII van bijlage 7 is opgenomen, wordt gedekt;
  • de installatievoorschriften, indien nodig.

Deze informatie wordt verstrekt op een bijsluiter bij de originele vervangingskatalysator. Dit gebeurt ofwel op de verpakking waarin de originele vervangingskatalysator te koop wordt aangeboden of op enige andere wijze.

§3. Maatregelen tegen de door motorfietsen en driewielers veroorzaakte luchtverontreiniging

1. Specificaties en proeven

1.1. De motorfiets of de driewieler wordt, afhankelijk van de categorie waartoe hij behoort en op de in de hiernavolgende punten 1.2. en 1.3. beschreven wijze, aan proeven van type I en type II onderworpen.

1.2. Proef van type I (bepaling van de gemiddelde emissie van uitlaatgassen)

De proeven worden uitgevoerd in de omstandigheden en volgens de methodes en procedures die beschreven zijn in de hoofdstukken V en VI van bijlage 7.

In plaats van bovengenoemde en in hoofdstuk V en VI van bijlage 7 beschreven testprocedure mag de fabrikant de testprocedure van het mondiaal technisch reglement nr. 2 van 30 augustus 2005 van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties (VN/ECE) inzake de « meetprocedure voor tweewielige motorfietsen met elektrische of compressieontsteking wat de uitstoot van gasvormige verontreinigingen, de uitstoot van CO2 en het brandstofverbruik betreft », als vervangende testmethode voor motorfietsen gebruiken. Indien de testprocedure van het MTR nr. 2 wordt gebruikt, dan moet het voertuig voldoen aan de emissiegrenswaarden in rij C van de tabel in punt 1.2.2. en aan alle andere bepalingen van het artikel 22.1., § 3, met uitzondering van punt 1.2.1.

1.2.1. De proef wordt uitgevoerd volgens de in hoofdstukken V en VI van bijlage 7 beschreven methode. De verontreinigende gassen worden volgens de voorgeschreven methodes opgevangen en geanalyseerd.

1.2.2. De resulterende massa van de bij elke proef gemeten gasvormige emissies dient lager te zijn dan de in de onderstaande tabel gegeven grenswaarde :

Voor elke verontreinigende stof of combinatie van verontreinigende stoffen mag één van de drie resulterende waarden van de massa de voorgeschreven grenswaarde met ten hoogste 10 % overschrijden, op voorwaarde dat het rekenkundig gemiddelde van de drie waarden onder de voorgeschreven grenswaarde ligt.

Indien de voorgeschreven grenswaarde voor meer dan één verontreinigende stof wordt overschreden, dan is het niet van belang of dit in eenzelfde of in verschillende proeven gebeurt.

Voor de toetsing van de grenswaarden in rij B wordt voor motorfietsen met een geoorloofde maximumsnelheid van 110 km/u de maximumsnelheid bij de buitenstedelijke cyclus (EUDC (1)) beperkt tot 90 km/u.

1.2.3. De geregistreerde gegevens worden ingevuld in de desbetreffende onderdelen van het in bijlage VII bij Richtlijn 2002/24/EG bedoelde document.

1.3. Proef van type II (meting van de koolmonoxide-uitstoot bij stationair draaiende motor) en uitstootgegevens voor de technische controle.

1.3.1. Deze eis geldt voor alle voertuigen met een motor met elektrische ontsteking waarvoor de EG-typegoedkeuring wordt aangevraagd overeenkomstig Richtlijn 97/24/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 1997 betreffende bepaalde onderdelen of eigenschappen van motorvoertuigen op twee of drie wielen.

1.3.2. Bij beproeving overeenkomstig hoofdstuk VII van bijlage 7 (proef van type II) bij normaal stationair toerental :

  • wordt het koolmonoxidegehalte (in vol. %) van de uitlaatgassen geregistreerd;
  • wordt het motortoerental gedurende de proef geregistreerd, evenals de toleranties.

1.3.3. Bij beproeving bij een hoog stationair toerental » (d.w.z. > 2 000 min-1) :

  • wordt het koolmonoxidegehalte (in vol. %) van de uitlaatgassen geregistreerd;
  • wordt het motortoerental gedurende de proef geregistreerd, evenals de toleranties.

1.3.4. De temperatuur van de motorolie tijdens de proef moet worden geregistreerd (alleen van toepassing op viertaktmotoren).

1.3.5. De geregistreerde gegevens worden ingevuld in de desbetreffende onderdelen van het in bijlage VII bij Richtlijn 2002/24/EG bedoelde document.

1.4. De goedkeuring van hybridevoertuigen is eveneens onderworpen aan de voorschriften van hoofdstuk VIII van bijlage 7.

1.5. Het is verboden een manipulatievoorziening en/of een abnormale emissiebeperkingsstrategie toe te passen.

1.5.1. Het is toegestaan een voertuig met een voorziening, functie, systeem of meting voor motorregeling uit te rusten, op voorwaarde dat:

  • er alleen gebruik van wordt gemaakt om de motor te beschermen, koud te starten of de motor te laten warmlopen, of
  • er alleen gebruik van wordt gemaakt voor operationele beveiliging of veiligheid van het voertuig en voor pechstrategieën.

1.5.2. Het gebruik van een voorziening, functie, systeem of meting voor motorregeling dat leidt tot het gebruik van een motorregelingsstrategie die verschillend of gewijzigd is ten opzichte van de strategie die normaliter tijdens de toepasselijke cycli van emissieproeven wordt toegepast en is toegestaan indien, met het oog op de naleving van de voorwaarden van punt 1.5.3., onomstotelijk wordt aangetoond dat de maatregel de doelmatigheid van het emissiebeheersingssysteem niet vermindert. In alle andere gevallen worden soortgelijke voorzieningen geacht manipulatie-voorzieningen te zijn.

1.5.3. De fabrikant verschaft een documentatiepakket dat inzicht verschaft in het basisconcept van het systeem en in de middelen waarmee het de uitstootvariabelen hetzij rechtstreeks hetzij onrechtstreeks beheerst.

a) Het officiële documentatiepakket dat bij de indiening van de typegoedkeuringsaanvraag aan de technische dienst wordt verschaft, omvat een volledige omschrijving van het systeem. Deze documentatie mag kort zijn, op voorwaarde dat erin wordt aangetoond dat alle toegestane outputs zijn omschreven op basis van een matrix die is verkregen uit een aantal controles op de individuele inputs.

De documentatie bevat ook een verantwoording voor het gebruik van voorzieningen, functies, systemen of metingen voor motorregeling en bevat aanvullend materiaal en testgegevens om het effect op uitlaatemissie van soortgelijke voorzieningen die op het voertuig zijn aangebracht, te documenteren. Deze informatie wordt gevoegd bij de inlichtingenfiche waarvan het model in hoofdstuk XV van bijlage 7 is te vinden.

b) Aanvullend materiaal waaruit blijkt welke parameters worden gewijzigd door voorzieningen, functies, systemen of metingen voor motorregeling alsook welke de grensvoorwaarden zijn waaronder soortgelijke maatregelen functioneren. Dit aanvullend materiaal omvat een beschrijving van de logica van het brandstof-regelingssysteem, de tijdsafstellingen en de schakelpunten in alle werkingstoestanden. Die informatie wordt strikt vertrouwelijk behandeld en blijft in handen van de fabrikant, maar wordt toegankelijk gemaakt ten behoeve van de inspectie bij de typegoedkeuring.

1.6. Een schema en een dwarsdoorsnedetekening met de afmetingen van de originele katalysator(en) moet (in voorkomend geval) bij het inlichtingenformulier, waarvan het model in hoofdstuk XV van bijlage 7 is opgenomen, worden gevoegd.

Op elke originele katalysator worden ten minste de volgende identificaties aangebracht :

  • de letter e », gevolgd door de identificatie van het land dat de typegoedkeuring heeft verleend;
  • de naam of het handelsmerk van de fabrikant van het voertuig;
  • het merk en het identificatienummer van de katalysator.

Deze markering moet leesbaar en onuitwisbaar zijn en ook zichtbaar in de stand waarin de katalysator moet worden gemonteerd.

2. Overeenstemming van de productie

Voor de controle op de overeenstemming van de productie gelden de bepalingen van punt 1 van bijlage VI van de Richtlijn.

Men gaat te werk volgens de wijze beschreven in hoofdstuk IX van bijlage 7.

3. Uitbreiding van de goedkeuring

3.1. Voertuigtypes met verschillende referentiemassa's

De goedkeuring mag worden uitgebreid tot voertuigtypes die alleen wat de referentiemassa betreft van het toegelaten type verschillen, op voorwaarde dat de referentiemassa van het voertuigtype waarvoor de uitbreiding van de goedkeuring wordt gevraagd, slechts tot gebruik van het onmiddellijk hogere of onmiddellijk lagere traagheidsequivalent leidt.

3.2. Voertuigtypes met verschillende totale overbrengingsverhoudingen

3.2.1. De voor een voertuigtype verleende goedkeuring kan onder de hierna genoemde voorwaarden worden uitgebreid tot voertuigtypes die alleen wat de totale overbrenging betreft van het goedgekeurde type afwijken.

Voor elke bij de proef van type I gebruikte overbrenging moet de volgende verhouding worden bepaald :

Hierin zijn V1 en V2 de met een motortoerental van 1000 T/min overeenkomende snelheid van het goedgekeurde voertuigtype, respectievelijk van het voertuigtype waarvoor om uitbreiding van de goedkeuring wordt verzocht.

3.2.2. Indien bij elke overbrenging E < 8 % is, moet de uitbreiding worden toegestaan zonder dat de proeven van type I worden herhaald.

3.2.3. Wanneer bij ten minste één overbrenging de verhouding E > 8 % en bij elke overbrenging de verhouding E < 13 % is, moeten de proeven van type I worden herhaald; zij kunnen echter met toestemming van de goedkeuringsinstantie in een door de fabrikant gekozen laboratorium worden verricht. Het keuringsrapport moet aan de technische dienst worden toegezonden.

3.3. Voertuigtypes met verschillende referentiemassa's en verschillende totale overbrengingen

De voor een voertuigtype verleende goedkeuring mag worden uitgebreid tot voertuigtypes die alleen wat de referentiemassa en de totale overbrengingen betreft van het goedgekeurde type afwijken, indien wordt voldaan aan de voorschriften van de punten 3.1. en 3.2.

3.4. Driewielers en vierwielers die geen lichte vierwielers zijn

De voor een tweewielige bromfiets verleende goedkeuring mag worden uitgebreid tot bromfietsen op drie wielen en lichte vierwielers, wanneer deze voertuigen dezelfde motor en dezelfde uitlaatinrichting gebruiken, alsook dezelfde transmissie hebben die niet of alleen voor de totale overbrenging afwijkt, in de mate waarin de referentiemassa van het voertuigtype waarvoor uitbreiding van de goedkeuring is aangevraagd, slechts tot gebruik van het onmiddellijk hogere of lagere traagheidsequivalent leidt.

3.5. Beperkingen

Goedkeuringen die zijn toegekend overeenkomstig de punten 3.1. tot en met 3.4., mogen niet verder worden uitgebreid.

4. Vervangingskatalysatoren en originele vervangingskatalysatoren

4.1. Vervangingskatalysatoren die bestemd zijn om te worden gemonteerd op voertuigen waarvoor krachtens dit besluit een typegoedkeuring is verleend, moeten worden getest overeenkomstig hoofdstuk IV van bijlage 7.

4.2. Originele vervangingskatalysatoren van een type dat onder afdeling 4a van hoofdstuk XVII van bijlage 7 valt en die bestemd zijn voor montage op een voertuig waarnaar in het desbetreffende typegoedkeurings-document wordt verwezen, hoeven niet in overeenstemming te zijn met hoofdstuk IV van bijlage 7, op voorwaarde dat zij voldoen aan de voorschriften van de punten 4.3. en 4.4.

4.3. Op originele vervangingskatalysatoren worden ten minste de volgende identificaties aangebracht :

  • de letter e », gevolgd door de identificatie van het land dat de typegoedkeuring heeft verleend;
  • de naam of het handelsmerk van de fabrikant van het voertuig;
  • het merk en het identificatienummer van de katalysator.

Deze markering moet leesbaar en onuitwisbaar zijn en ook zichtbaar in de stand waarin de katalysator moet worden gemonteerd.

4.4. Originele vervangingskatalysatoren gaan vergezeld van de volgende informatie :

  • de naam of het handelsmerk van de fabrikant van het voertuig;
  • het merk en het identificatienummer van de katalysator;
  • de voertuigen waarvoor de originele vervangingskatalysator van een type is dat gedekt is door afdeling 4a van het goedkeurings-document, waarvan het model in hoofdstuk XVII van bijlage 7 te vinden is;
  • de installatievoorschriften, indien nodig;

Deze informatie wordt verstrekt op een bijsluiter bij de originele vervangingskatalysator, of op de verpakking waarin de originele
vervangingskatalysator te koop wordt aangeboden, of op enige andere wijze.

§4. Voorschriften inzake de maatregelen tegen zichtbare luchtverontreiniging die door motorvoertuigen op twee of drie wielen met een motor met compressieontsteking wordt veroorzaakt

1. Voorschriften en proeven

1.1. Voorschriften inzake de koudstartinrichting

De koudstartinrichting moet zodanig zijn ontworpen en geconstrueerd dat deze inrichting niet wordt ingeschakeld of niet ingeschakeld blijft wanneer de motor normaal functioneert.

De voorschriften van het eerste lid zijn niet van toepassing indien aan ten minste één van de volgende eisen wordt voldaan :

bij een ingeschakelde koudstartinrichting blijft de coëfficiënt voor de absorptie van het licht door de gassen die bij constant toerental door de motor worden uitgestoten, zoals gemeten volgens de in hoofdstuk X van bijlage 7 voorgeschreven procedure, binnen de in hoofdstuk XII van bijlage 7 vastgestelde grenzen;

indien de koudstartinrichting ingeschakeld blijft, komt de motor hierdoor binnen een redelijke tijd tot stilstand.

1.2. Voorschriften inzake de emissies van zichtbare verontreinigende stoffen

De meting van de zichtbare verontreinigende stoffen die door het voertuigtype dat voor goedkeuring ter beschikking is gesteld, worden uitgestoten, geschiedt aan de hand van twee methoden die in de hoofdstukken X en XI van bijlage 7 zijn beschreven; de eerste heeft betrekking op proeven bij constante toerentallen en de tweede op proeven bij vrije acceleratie.

De waarde van de emissies van zichtbare verontreinigende stoffen, gemeten overeenkomstig de in hoofdstuk X van bijlage 7 beschreven methode, mag de in hoofdstuk XII van bijlage 7 voorgeschreven grenzen niet overschrijden.

Bij turbocompressormotoren mag de bij acceleratie in de vrije stand gemeten absorptiecoëfficiënt niet de grenswaarde overschrijden die in hoofdstuk XII van bijlage 7 is voorgeschreven voor de waarde van het nominale debiet en die overeenkomt met de bij proeven met constante toerentallen gemeten maximale absorptiecoëfficiënt, verhoogd met 0,5m-1.

Gelijkwaardige meetapparaten zijn toegestaan. Indien gebruik gemaakt wordt van een ander apparaat dan die welke in hoofdstuk XIII van bijlage 7 zijn beschreven, dan moet de gelijkwaardigheid ten aanzien van de desbetreffende motor worden aangetoond.

2. Overeenstemming van de productie

2.1. Voor de controle op de overeenstemming van de productie gelden de bepalingen van punt 1 van bijlage VI van de Richtlijn.

2.2. Met het oog op de in punt 2.1 voorgeschreven conformiteitscontrole wordt een voertuig uit de serie genomen.

2.3. De conformiteit van het voertuig met het goedgekeurde type wordt gecontroleerd aan de hand van de beschrijving op het goedkeurings- formulier.

Daarnaast vindt de verificatie plaats door middel van proeven die onder de volgende voorwaarden worden uitgevoerd :

2.3.1. Een nog niet ingereden voertuig wordt onderworpen aan de in hoofdstuk XI van bijlage 7 beschreven vrije acceleratieproef.

Het voertuig wordt geacht in overeenstemming te zijn met het goedgekeurde type indien de vastgestelde absorptiecoëfficiënt de op het goedkeuringsformulier vermelde gecorrigeerde waarde van de absorptiecoëfficiënt met niet meer dan 0,5 m-1 overschrijdt. Op verzoek van de constructeur kan gebruik worden gemaakt van in de handel verkrijgbare brandstof in plaats van de referentiebrandstof. Bij een geschil moet de referentiebrandstof worden gebruikt.

2.3.2. Indien de waarde die bij de in punt 2.3.1 bedoelde proef is vastgesteld, het op het goedkeuringsformulier vermelde getal met meer dan 0,5 m-1 overschrijdt, wordt de motor van het voertuig aan de in hoofdstuk X van bijlage 7 beschreven proef bij constante toerentallen volgens de volle belastingscurve onderworpen. De waarden van de zichtbare emissies mogen de in hoofdstuk XII van bijlage 7 vermelde grenswaarden niet overschrijden.