10 OKTOBER 1974. - Koninklijk besluit houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de bromfietsen, de motorfietsen en hun aanhangwagens moeten voldoen.
[BS 15.11.1974]

Hoofdstuk I. Begripsomschrijving en toepassingssfeer

Artikel 1: Begripsomschrijving

§1. Voor de toepassing van dit koninklijk besluit wordt, behoudens andersluidende bepalingen, verstaan onder :

1. « bromfiets » : alle tweewielige (categorie L1e) of driewielige (categorie L2e) voertuigen met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van ten hoogste 45 km/h en met de volgende kenmerken :

1° bij tweewielige voertuigen, een motor met :

  • een cilinderinhoud van ten hoogste 50 cm3; indien het een motor met inwendige verbranding betreft, of
  • een nominaal continu maximumvermogen van ten hoogste 4 kW indien het een elektrische motor betreft;

2° bij driewielige voertuigen, een motor met

  • een cilinderinhoud van ten hoogste 50 cm3; indien het een motor met elektrische ontsteking betreft, of
  • een netto-maximumvermogen van ten hoogste 4 kW voor andere soorten motoren met inwendige verbranding, of
  • een nominaal continu maximumvermogen van ten hoogste 4 kW indien het een elektrische motor betreft;

met uitsluiting van alle voertuigen die bestemd zijn voor gebruik door fysisch gehandicapte personen en die zijn uitgerust met een motor waarmee niet sneller dan stapvoets kan worden gereden.

De bromfietsen zijn opgedeeld in twee nationale klassen :

a) de « bromfietsen van klasse A », dit wil zeggen de bromfietsen die naar bouw en motorvermogen, op een horizontale weg, niet sneller kunnen rijden dan 25 km per uur;

b) de « bromfietsen klasse B » dit wil zeggen de bromfietsen die niet onder klasse A vallen.

De « bromfietsen klasse B » De bromfietsen zijn opgedeeld in twee categorieën :

a) de tweewielige bromfietsen,
b) de bromfietsen met meer dan twee wielen.

2. « motorfiets » : elk tweewielig voertuig zonder zijspanwagen (categorie L3e) of met zijspanwagen (categorie L4e), uitgerust met een motor met een cilinderinhoud van meer dan 50 cm3; indien het een motor met inwendige verbranding betreft, en/of met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van meer dan 45 km/h.

3. « driewielers », d.w.z. voertuigen op drie symmetrisch geplaatste wielen (categorie L5e), met een motor waarvan de cilinderinhoud meer dan 50 cm3; bedraagt, indien het een motor met inwendige verbranding betreft, en/of met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van meer dan 45 km/h.

4. « vierwielers » : alle vierwielige motorvoertuigen met onderstaande kenmerken :

a) lichte vierwieler met een lege massa van ten hoogste 350 kg (categorie L6e), exclusief de massa van de accu's in elektrische voertuigen, met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van ten hoogste 45 km/h en

een motor met een cilinderinhoud van ten hoogste 50 cm3; voor motoren met een elektrische ontsteking, of;
een nettomaximumvermogen van ten hoogste 4 kW voor andere soorten motoren met inwendige verbranding, of;
een nominaal continu maximumvermogen van ten hoogste 4 kW indien het een elektrische motor betreft.

Tenzij anders bepaald, dienen deze voertuigen te voldoen aan de technische eisen voor bromfietsen op drie wielen van categorie L2e.

b) andere vierwielers dan bedoeld onder a) met een lege massa van ten hoogste 400 kg (categorie L7e) (550 kg voor voertuigen die bestemd zijn voor goederenvervoer), exclusief de massa van de accu's in elektrische voertuigen, en met een nettomaximumvermogen van ten hoogste 15 kW.

Tenzij anders bepaald, worden de vierwielers bedoeld in punt b) beschouwd als driewielers en zij dienen te voldoen aan de technische eisen voor gemotoriseerde driewielers van categorie L5e.

5. « hybride elektrisch voertuig (HEV) » : een voertuig dat voor de mechanische aandrijving energie ontleent aan beide volgende, in het voertuig aanwezige bronnen van opgeslagen energie, namelijk een verbruikbare brandstof en een opslagsysteem voor elektrische energie.

6. « voertuig met dubbele aandrijving » : een voertuig met twee verschillende aandrijfsystemen : bijvoorbeeld een elektrisch aandrijfsysteem en een verbrandingsmotor.

§2. Voor de toepassing van dit koninklijk besluit en behoudens andersluidende bepalingen wordt verstaan onder :

1. « de Richtlijn » : de Richtlijn 2002/24/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 maart 2002 betreffende de goedkeuring van twee- of driewielige motorvoertuigen en de intrekking van Richtlijn 92/61/EEG van de Raad.

2. « Lidstaten » : de Lidstaten van de Europese Unie.

3. « bevoegde overheid » : de Minister die het Wegverkeer onder zijn bevoegdheid heeft of zijn gemachtigde.

4. « de goedkeuringsinstantie » : de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer - Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid - dienst Voertuigen, waarvan de kantoren gelegen zijn in City Atrium - Vooruitgangstraat 56, 1210 Brussel, is de bevoegde instantie voor alle aspecten van zowel de typegoedkeuring van een voertuig, een systeem, een onderdeel of technische eenheid als van de individuele goedkeuring van een voertuig.

De goedkeuringsinstantie staat voorts ook in voor de vergunningsprocedure, de afgifte en eventuele intrekking van goedkeuringscertificaten en fungeert als contactpunt voor de goedkeurings-instanties van andere lidstaten; en om ervoor te zorgen dat de fabrikant aan zijn verplichtingen inzake de overeenstemming van productie voldoet.

5. « instantie bevoegd voor de beoordeling van de technische diensten » : de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer - Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid - Directie Certificering en Inspectie, waarvan de kantoren gelegen zijn in City Atrium - Vooruitgangstraat 56, 1210 Brussel, is de bevoegde instantie voor de beoordeling van de technische diensten. Sommige delen daarvan mogen worden overgedragen aan een accrediteringsorgaan, ondertekenaar van de wederzijdse erkenningsakkoorden tussen accrediterings-organen.

6. « technische dienst » : elke organisatie of instantie die door de bevoegde instantie is aangewezen om namens de goedkeurings-instantie als testlaboratorium tests of als overeenstemmingsbeoordelingsinstantie de initiële beoordeling en andere tests of inspecties te verrichten. De goedkeuringsinstantie mag deze functies ook zelf vervullen;

7. « typegoedkeuring » : de procedure waarbij de goedkeuringsinstantie certificeert dat een type voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid aan de relevante bestuursrechtelijke bepalingen en technische voorschriften voldoet

8. « nationale typegoedkeuring » : een in de Belgische wetgeving vastgestelde typegoedkeuringsprocedure waarvan de geldigheid tot het Belgische grondgebied is beperkt.

9. « EG-typegoedkeuring » : de procedure waarbij een lidstaat certificeert dat een type voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid aan de relevante bestuursrechtelijke bepalingen en technische voorschriften van de Richtlijn voldoet.

10. « individuele goedkeuring » : de procedure waarbij de goedkeuringsinstantie certificeert dat een bepaald, al dan niet uniek, voertuig aan de relevante bestuursrechtelijke bepalingen en technische voorschriften voldoet.

11. « typegoedkeuringscertificaat » : het document waarmee de goedkeuringsinstantie officieel certificeert dat aan een type voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid goedkeuring is verleend.

12. « individueel goedkeuringscertificaat » : het document waarmee de goedkeuringsinstantie officieel certificeert dat voor een bepaald voertuig goedkeuring is verleend.

13. « certificaat van overeenstemming » : het document dat door de fabrikant wordt afgegeven om te certificeren dat een voertuig op het ogenblik van de productie aan alle regelgevingen voldeed.

14. « type voertuig » : voertuig of groep voertuigen (varianten) :

behorend tot één enkele categorie (bromfietsen op twee wielen L1e, bromfietsen op drie wielen L2e enz., als gedefinieerd in paragraaf 1);
vervaardigd door dezelfde fabrikant;
met hetzelfde chassis, frame, subframe dan wel dezelfde bodemplaat of structuur waaraan de belangrijkste onderdelen zijn bevestigd;
met een motor met hetzelfde werkingsprincipe (verbrandingsmotor, elektrische motor, hybridemotor enz.);
met dezelfde door de fabrikant toegekende typeaanduiding.

Een type voertuig kan verschillende varianten en uitvoeringen omvatten.

15. « variant » : voertuig of groep voertuigen (uitvoeringen) van hetzelfde type met de volgende kenmerken :

identieke vorm van de carrosserie (basiskenmerken);
het verschil in massa in rijklare toestand tussen de laagste waarde en de hoogste waarde binnen de groep voertuigen (uitvoeringen) bedraagt ten hoogste 20 % van de laagste waarde;
het verschil in de toelaatbare maximummassa tussen de laagste waarde en de hoogste waarde binnen de groep voertuigen (uitvoeringen) bedraagt ten hoogste 20 % van de laagste waarde;
identiek werkingsprincipe (twee- of viertakt, elektrische of compressieontsteking);
het verschil in cilinderinhoud van de motor (bij een motor met inwendige verbranding) tussen de laagste waarde en de hoogste waarde binnen de groep voertuigen (uitvoeringen) bedraagt ten hoogste 30 % van de laagste waarde;
hetzelfde aantal cilinders in dezelfde opstelling;
waarvan het verschil in motorvermogen tussen de laagste waarde en de hoogste waarde binnen de groep voertuigen (uitvoeringen) ten hoogste 30 % van de laagste waarde bedraagt;
hetzelfde werkingsprincipe (bij een elektromotor);
hetzelfde type versnellingsbak (handgeschakeld, automatisch, enz.).

16. « uitvoering » : voertuig van hetzelfde type en dezelfde variant, dat echter uitrusting, één of meerdere onderdelen of systemen, genoemd in het inlichtingenformulier van bijlage II van de richtlijn kan hebben, op voorwaarde dat slechts :

a) één waarde wordt opgegeven voor :

de massa in rijklare toestand;
de toelaatbare maximummassa;
het motorvermogen;
de cilinderinhoud van de motor; en

b) een reeks testresultaten overeenkomstig bijlage VII van de richtlijn.

17. « systeem » : ieder voertuigsysteem, zoals remmen, inrichtingen voor emissiebeperking van verontreinigende stoffen enz., dat aan de voorschriften bepaald door een of andere richtlijn moet voldoen.

18. « technische eenheid » : een als onderdeel van een voertuig bedoelde inrichting, zoals een vervangende uitlaatgeluiddemper, die aan de eisen van een reglementaire handeling moet voldoen en waarvoor afzonderlijke typegoedkeuring mogelijk is, maar alleen in samenhang met een of meer welbepaalde voertuigtypes, indien de reglementaire handeling daarin uitdrukkelijk voorziet.

19. onderdeel » : een als onderdeel van een voertuig bedoelde inrichting, zoals een lamp, die aan de eisen van een reglementaire handeling moet voldoen en waarvoor afzonderlijke typegoedkeuring mogelijk is, indien de reglementaire handeling daarin uitdrukkelijk voorziet.

20. « originele onderdelen of uitrustingsstukken » : onderdelen of uitrustingsstukken die worden geproduceerd volgens de specificaties en productienormen die de voertuigfabrikant heeft verstrekt voor de productie van onderdelen of uitrustingsstukken die bestemd zijn voor de montage van het betrokken motorvoertuig. Hieronder vallen ook onderdelen en uitrustingsstukken die in dezelfde productielijn als de betrokken onderdelen of uitrustingsstukken zijn geproduceerd. Tot het bewijs van het tegendeel wordt ervan uitgegaan dat onderdelen originele onderdelen zijn, indien de onderdelenfabrikant certificeert dat de onderdelen van gelijke kwaliteit zijn als de onderdelen die voor de montage van het betrokken motorvoertuig zijn gebruikt en dat zij volgens de specificaties en productienormen van de fabrikant van het voertuig zijn vervaardigd.

21. « dubbellucht » : twee op dezelfde as gemonteerde wielen indien de afstand tussen de middens van de contactvlakken van deze wielen met de grond kleiner is dan 460 mm. In dit geval wordt dubbellucht als één enkel wiel beschouwd.

22. « fabrikant » : de persoon of organisatie die tegenover de bevoegde goedkeuringsinstantie verantwoordelijk is voor alle aspecten van de typegoedkeuringsprocedure en voor het waarborgen van de overeenstemming van de productie. Het is niet noodzakelijk dat deze persoon of organisatie rechtstreeks betrokken is bij alle fasen van de bouw van het voertuig of de fabricage van het onderdeel of de technische eenheid waarop de goedkeuringsprocedure betrekking heeft.

23. « vertegenwoordiger van de fabrikant » : elke in de Europese Unie gevestigde natuurlijke of rechtspersoon die door de fabrikant is aangewezen om hem bij de goedkeuringsinstantie te vertegenwoordigen en namens hem op te treden bij aangelegenheden die onder dit besluit vallen. Wanneer de term « fabrikant » wordt gebruikt, wordt daaronder de fabrikant of zijn vertegenwoordiger verstaan.