10 OKTOBER 1974. - Koninklijk besluit houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de bromfietsen, de motorfietsen en hun aanhangwagens moeten voldoen.
[BS 15.11.1974]

Hoofdstuk III. Technische eisen

Artikel 11. Reminrichtingen

§1. Eisen toepasselijk op de voertuigen met twee wielen met of zonder zijspanwagen.

1. De voertuigen met twee wielen met of zonder zijspanwagen moeten voorzien zijn van twee onafhankelijk werkende reminrichtingen met onafhankelijke bedieningsorganen, waarvan de ene reminrichting op het (de) voorwiel(en) en de andere op het (de) achterwiel(en) werkt: zij behoeven niet op het wiel van de zijspanwagen te werken. (K.B. 16-12-1981)

2. Wanneer een der reminrichtingen onklaar wordt, moet de andere reminrichting nog steeds doelmatig kunnen werken.

3. Alle delen van de reminrichtingen moeten ruim bemeten zijn en voor onderhoud gemakkelijk toegankelijk zijn.

4. De bedieningsorganen moeten zich in het onmiddellijk bereik van de bestuurder bevinden.

5. Tenminste een der reminrichtingen moet werken op remoppervlakten die hetzij vast, hetzij door middel van voldoende sterke onderdelen met de wielen verbonden zijn.

6. De slijtage van de remmen moet op een eenvoudige wijze met de hand of automatisch bijgesteld kunnen worden.

7. Bij de bromfietsen op drie wielen moet een rem kunnen worden vastgezet tenzij een afzonderlijke vastzetinrichting aanwezig is.

§2. Eisen toepasselijk op de voertuigen met meer dan twee wielen.

1. De voertuigen met meer dan twee wielen, moeten zijn jn voorzien van onafhankelijk werkende reminrichtingen met onafhankelijke bedieningsorganen, waarvan de ene reminrichting tenminste op het (de) voorwiel(en) en de andere tenminste op het (de) achterwiel(en) werkt.

2. Een van de onder 1. bedoelde reminrichtingen of een afzonderlijk daarvan aangebrachte reminrichting moet in staat zijn het voertuig op een helling in stilstand te houden, ook bij afwezigheid van de bestuurder. Deze reminrichting moet zodanig zijn ingericht en uitgevoerd dat hij door de bestuurder vanaf zijn zitplaats kan worden bediend. Hij moet ook bij afwezigheid van de bestuurder aangezet kunnen worden gehouden door middel van een geheel mechanisch werkende inrichting.

3. De bedieningsorganen moeten zich in het onmiddellijk bereik van de bestuurder bevinden. Wanneer de onder 1. bedoelde reminrichtingen d.m.v. handgrepen worden bediend. moet een der handgrepen zodanig zijn aangebracht dat een rem in werking kan worden gesteld zonder het stuur los te laten.

4. Tenminste een der reminrichtingen moet werken op remoppervlakten die, hetzij vast, hetzij door middel van voldoende sterke onderdelen met de wielen verbonden zijn.

5. Wanneer een der reminrichtingen onklaar wordt, moet(en) de andere reminrichting(en) nog steeds doelmatig kunnen werken.

6. Alle delen van de reminrichtingen moeten ruim bemeten zijn en voor onderhoud gemakkelijk toegankelijk zijn.

§3. De voorschriften van dit artikel zijn enkel van toepassing op de voertuigen die vanaf 1 januari 1975 tot het verkeer toegelaten worden.

Voor de voertuigen die voor 1 januari 1975 tot het verkeer toegelaten worden, zijn de volgende bepalingen van toepassing:

Iedere bromfiets of iedere motorfiets moet voorzien zijn van reminrichting die doelmatig genoeg is om de voortbeweging daarvan te beheersen, de bromfiets of de motorfiets zeker en snel tot stilstand te brengen en het draaien van de geremde wielen te beletten bij elke wijze van belading en op elke op- en nederwaartse helling waarop de bromfiets of de motorfiets zich bevindt.