10 OKTOBER 1974. - Koninklijk besluit houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de bromfietsen, de motorfietsen en hun aanhangwagens moeten voldoen.
[BS 15.11.1974]

Hoofdstuk III. Technische eisen

Artikel 9. Geluid voortgebracht door de nieuwe voertuigen

1° Voorschriften betreffende voertuigen andere dan lichte vierwielers waarvoor de aanvraag om goedkeuring voor 1 januari 1983 wordt ingediend.

§1. Voor de nieuwe voertuigen, mag het in hierna bepaalde omstandigheden voortgebrachte geluid de volgende niveaus niet overschrijden:

  • 70 dB (A) voor de bromfietsen klasse A;
  • 75 dB (A) voor de bromfietsen klasse B;
  • 80 dB (A) voor de motorfietsen op twee wielen met of zonder zijspanwagen en waarvan de cylinderinhoud 50 cm³ niet overschrijdt;
  • 82 dB (A) voor de motorfietsen op twee wielen met of zonder zijspanwagen en waarvan de cylinderinhoud meer dan 50 cm³ bedraagt zonder 125 cm³ te overschrijden:
  • 84 dB (A) voor de motorfietsen op twee wielen met of zonder zijspanwagen en waarvan de cylinderinhoud meer dan 125 cm³ bedraagt zonder 500 cm³ te overschrijden:
  • 86 dB (A) voor de motorfietsen op twee wielen met of zonder zijspanwagen en waarvan de cylinderinhoud meer dan 500 cm³ bedraagt;
  • 84 dB (A) voor de driewielers.

Een tolerantie van 1 dB (A) is toegelaten.

§2. De metingen worden uitgevoerd in een stille en vrije zone bestaande uit een open ruimte met een straal van 50 m, waarvan het centraal gedeelte een praktisch horizontaal vlak is en een straal heeft van ten minste 20 m.

De bodembedekking van de rijbaan (bestaande uit beton, asfalt of gelijkaardig materiaal) die voor de proef wordt aangewend, mag geen overdreven geluid van de banden veroorzaken.

Het niveau van het omgevingsgeluid, met begrip van dit van de wind, moeten ten minste 10 dB (A) lager liggen dan het te meten geluidsniveau.

§3. Wanneer de metingen worden uitgevoerd, neemt alleen de bestuurder plaats op het voertuig. Vooraleer tot de metingen over te gaan zal de motor in zijn normale werkingsvoorwaarden gebracht worden wat betreft: de temperatuur, de afstelling, de bougie(s), de carburator(en) en andere onderdelen.

Er moeten ten minste twee geldige metingen aan elke zijde van het voertuig uitgevoerd worden.

Om geldig te zijn, mogen de uitslagen van twee metingen die aan eenzelfde zijde van een voertuig uitgevoerd worden niet meer dan 2 dB (A) verschillen. Indien het verschil groter is dan 2 dB (A), dient de gehele meting overgedaan te worden. Enkel de hoogste van de vier geldige metingen is maatgevend voor het bepalen van het door het voertuig voortgebrachte geluid.

De microfoon wordt op 1,20 m van de grond en op een afstand van 7,50 m van de richtingslijn van het voertuig, in de loodrechte PP' op deze lijn geplaatst (zie figuur van bijlage 2).

Twee lijnen AA' en BB' worden respectievelijk op 10 m voor en achter de lijn PP' op de rijbaan getrokken.

§4. De voertuigen worden met een bepaalde eenparige snelheid en in de hierna vermelde voorwaarden tot op de lijn AA' gebracht.

Op dat ogenblik wordt de gasklep zo snel mogelijk volledig geopend. Zij wordt in deze stand gehouden tot dat het achterste gedeelte van het voertuig de lijn BB' heeft overschreden, waarna zij zo snel mogelijk terug gesloten wordt.

De voertuigen naderen de lijn AA' met een eenparige snelheid bepaald in functie van de referentieomwentelingssnelheid van de motor en van hun overbrengingssysteem.

De referentieomwentelingssnelheid van de motor is die welke overeenstemt met de snelheid van het maximale motorvermogen, rekening gehouden met de werking van de eventuele regulatoren.

De naderingssnelheid is:

  1. hetzij die welke overeenstemt met de motor draaiend aan drie vierden van de referentieomwentelingssnelheid, wanneer bij dit toerental de snelheid van het voertuig beneden de 50 Km/u ligt;
  2. hetzij 50 km/u wanneer bij deze snelheid de motor draait tussen de helft en de drie vierden van de referentieomwentelingssnelheid;
  3. hetzij die welke overeenkomt met de snelheid van de motor die draait aan de helft van de referentieomwentelingssnelheid wanneer bij dit toerental de snelheid van het voertuig meer bedraagt dan 50 km/u.

Het gebruik van de eerste stand van de bedieningsorganen van de transmissie, die uitsluitend dient voor het vertrekken, het parkeren of voor andere gelijkaardige manoeuvres, is uitgesloten.

De stand van de bedieningsorganen van de transmissie is die welke toelaat het hoogste toerental van de motor te bekomen op het einde van de versnelling, zonder nochtans de referentieomwentelingssnelheid te bereiken.

§5. Het geluidsdrukniveau wordt gemeten met een precisiesonometer zoals beschreven in de door het Belgisch Instituut voor Normalisatie gepubliceerde norm NBN 576-80.

2° Voorschriften betreffende voertuigen waarvoor de aanvraag om goedkeuring ingediend wordt vanaf 1 januari 1983.

§1. Geluid voortgebracht door bromfietsen.

1. Definities.

1.1. Type bromfiets voor wat betreft het geluidsniveau en de uitlaatinrichting.

Onder « type bromfiets voor wat betreft het geluidsniveau en de uitlaatinrichting », worden verstaan bromfietsen die onderling geen essentiële verschillen vertonen ten aanzien van:

1.1.1. motortype (twee- of viertakt, zuigermotor of draaizuigermotor, aantal cylinders en cylinderinhoud, aantal en type carburators of injectiesystemen, plaatsing van de kleppen, maximumvermogen en daarbij behorend toerental).

Voor draaizuigermotoren dient het dubbele kamervolume als cylinderinhoud te worden beschouwd;

1.1.2. overbrengingssysteem, in het bijzonder het aantal versnellingen en hun overbrengingsverhoudingen;

1.1.3. aantal, type en plaatsing der uitlaatinrichtingen.

1.2. Uitlaatinrichting.

Onder « uitlaatinrichting », wordt verstaan, een volledig samenstel van onderdelen dat noodzakelijk is om het geluid veroorzaakt door de motor van de bromfiets en de uitlaat daarvan te beperken.

1.3. Uitlaatinrichtingen van verschillend type.

Onder « uitlaatinrichtingen van verschillend type » worden verstaan, inrichtingen die onderling belangrijke verschillen vertonen. welke verschillen betrekking hebben op de volgende kenmerken:

1.3.1. inrichtingen waarvan de onderdelen verschillende merk of fabrieksnamen dragen;

1.3.2. inrichtingen waarvan de materiaalkenmerken ten aanzien van enig onderdeel verschillend zijn, of inrichtingen waarvan de onderdelen verschillende vorm of afmeting hebben;

1.3.3. inrichtingen waarvan de werkingsprincipes van ten minste een onderdeel verschillend zijn;

1.3.4. inrichtingen waarvan de onderdelen verschillend zijn gecombineerd.

1.4. Onderdeel van een uitlaat- of inlaatgeluiddemper.

Onder « onderdeel van een uitlaat- of inlaatgeluiddemper » wordt verstaan, een van de afzonderlijke bestanddelen die samen de uitlaatinrichting (bijvoorbeeld uitlaatpijpen en buizenstelsels. de eigenlijke demper) of inlaatinrichting (luchtfilter) vormen.

Indien de motor voorzien is van een luchtfilter en/of een inlaatgeluiddemper, noodzakelijk om de grenswaarden van het geluidsniveau in acht te kunnen nemen, dan moeten deze filter en deze inlaatgeluiddemper worden beschouwd als onderdelen die even belangrijk zijn als de uitlaatinrichting.

2. Toegestane geluidsniveaus.

2.1. Geluidsmeting aan rijdende bromfietsen.

2.1.1. Grenzen.

Het geluidsniveau van de bromfietsen, gemeten overeenkomstig de bepalingen van de punten 2.1.2 tot en met 2.1.5 mag onderstaande grenzen niet overschrijden:  

  • 70 dB(A) voor bromfietsen van klasse A;
  • 75 dB(A) voor tweewielige bromfietsen van klasse B; 1983/30
  • 78 dB(A) voor bromfietsen van klasse B met meer dan twee wielen .

2.1.2. Meetapparatuur.

2.1.2.1. Akoestische metingen.

Het akoestische meetapparaat moet een precisiegeluidsniveaumeter zijn overeenkomstig het type als omschreven in Publicatie 651 (1979) "precisiegeluidsniveaumeters", van de Internationale Elektrotechnische Commissie (I.E.C.). Voor de metingen wordt gebruik gemaakt van de "snelle", responsie en de beoordelingscurve "A", die eveneens in deze publicatie zijn beschreven.

Aan het begin en het einde van iedere meetreeks moet de geluidsniveaumeter volgens de aanwijzingen van de fabrikant met een geschikte geluidsbron (bijvoorbeeld pistonfoon) worden geijkt .  

2.1.2.2. Snelheidsmetingen.

Toerental van de motor en snelheid van de bromfiets op het proeftraject moeten worden bepaald met een nauwkeurigheidsmarge van 3 %.  

2.1.3. Wijze van meting.

2.1.3.1. Toestand van de bromfiets.

Tijdens de metingen moet de bromfiets in bedrijfsklare toestand zijn (met koelvloeistof, smeermiddelen, brandstof, outillage, reservewiel en bestuurder).

Voor de aanvang der metingen wordt de motor van de bromfiets op de normale bedrijfstemperatuur gebracht. Bij automatisch in en uitschakelende ventilatoren mag met het oog op de geluidsmeting niet in de schakelautomatiek worden ingegrepen.

2.1.3.2. Proefterrein.  

Het proefterrein moet uit een centraal gelegen versnellingstraject bestaan dat door een nagenoeg vlak terrein is omgeven. Het versnellingstraject moet waterpas zijn; het oppervlak moet droog zijn en van die aard dat de handen geen overmatig geluid produceren .

Op het proefterrein moeten de voorwaarden aangaande het vrije geluidsveld tussen een geluidsbron in het midden van het versnellingstraject en de microfoon in acht genomen worden tot op 1 dB nauwkeurig. Aan deze voorwaarde wordt geacht te zijn voldaan indien in een straal van 50 m rondom het middelpunt van het versnellingstraject geen grote geluidweerkaatsende voorwerpen zoals omheiningen, rotsen, bruggen of gebouwen voorkomen. Het terreinoppervlak moet in een straal van ten minste 10 m rondom het middelpunt van het versnellingstraject uit een hard materiaal zoals beton, asfalt of een akoestisch gelijkwaardig materiaal bestaan en mag niet zijn bedekt met losse sneeuw, hoog gewas, mulle grond of as.

In de nabijheid van de microfoon mag geen hindernis voorkomen die van invloed kan zijn op het geluidsveld en tussen de microfoon en de geluidsbron mag zich niemand bevinden. De persoon die de meetapparatuur afleest moet zich zodanig opstellen dat hij op geen enkele wijze de aanwijzing van het meetapparaat beïnvloedt .  

2.1.3.3. Diversen.

De metingen mogen niet bij ongunstige weersomstandigheden. en met name windvlagen worden verricht.

Bij de metingen moet het geluidsniveau volgens de kromme A van andere geluidsbronnen dan de geteste bromfiets of van de wind minstens 10 dB(A) lager zijn dan het door de bromfiets veroorzaakte geluidsniveau. Aan de microfoon mag een passend windscherm zijn aangebracht mits met de invloed hiervan op de gevoeligheid en de richtingskarakteristieken van de microfoon rekening wordt gehouden.  

2.1.4. Meetmethode.

2.1.4.1. Aantal en aard van de metingen.

Het maximum geluidsniveau uitgedrukt in decibel (dB) volgens kromme A wordt gemeten tijdens het voorbijrijden van de bromfiets tussen de lijnen AA en BB zoals beschreven in bijlage 3 bij dit besluit. De meting is ongeldig indien een van het algemene geluidsniveau sterk afwijkende piekwaarde wordt vastgesteld.

2.1.4.2. Plaats van de microfoon.  

De microfoon moet op 1.2 m hoogte boven het rijbaanvlak worden geplaatst op een afstand van 7.5 m van de referentielijn CC van de rijbaan. zoals beschreven in bijlage 3 bij dit besluit.

2.1.4.3. Wijze van rijden.

De bromfiets nadert met een constante beginsnelheid overeenkomstig punt 2.1.4.4.1. de lijn AA'. Zodra de voorkant van de bromfiets de lijn AA bereikt wordt de gashendel zo snel als in de praktijk mogelijk is in de stand gebracht die overeenkomt met vol gas. De gashendel blijft in deze stand totdat de achterkant van de bromfiets de lijn BB bereikt, waarna de gashendel zo snel mogelijk weer in de stand stationair draaien wordt gebracht.

Bij alle metingen moet de bromfiets zodanig recht over het versnellingstraject worden gereden dat het middenlangsvlak van de bromfiets zo dicht mogelijk bij de lijn CC ligt.

2.1.4.4. Naderingssnelheid.

2.1.4.4.1. Gebruik van de versnellingsbak, indien de bromfiets ermee uitgerust Is.

Wanneer de bromfiets uitgerust is met een versnellingsbak met handbediening dan wel met voetbediening wordt de versnelling ingeschakeld wanneer de topsnelheid op horizontale weg bereikt wordt.

Wanneer de bromfiets is uitgerust met een automatische versnellingsbak met een keuzehendel, dan wordt deze geplaatst in de positie die overeenstemt met de maximumsnelheid op horizontale weg.

De positie of de versnelling van de versnellingsbak die overeenstemt met de maximumsnelheid op horizontale weg wordt vooraf bepaald op een vermogentestbank.  

2.1.4.4.2. Testprocedure.

Bromfiets klasse A:

De bromfiets nadert de lijn AA met een constante snelheid die gelijk is aan de maximumsnelheid indien deze lager of gelijk is aan 20 km/u. Indien ze de 20 km/u overschrijdt, zal het voertuig AA' naderen met een constante snelheid die gelijk is aan 20 km/u.

Bromfiets klasse B:

De bromfiets nadert de lijn AA' met een constante snelheid die gelijk is aan de maximumsnelheid indien deze lager of gelijk is aan 30 km/u. Indien ze de 30 km/u overschrijdt, zal het voertuig AA' naderen met een constante snelheid die gelijk is aan 30 km/u.

2.1.5. Resultaten.

2.1.5.1. In het keuringsrapport dat wordt opgesteld volgens het model als in bijlage 4 bij dit besluit worden alle voor de meetresultaten belangrijke omstandigheden en invloeden vermeld.

2.1.5.2. De waarden worden, op de dichtstbijzijnde decibel afgerond, van het meettoestel afgelezen.

Alleen meetwaarden waarvan het verschil bij twee opeenvolgende metingen aan dezelfde zijde van de bromfiets niet meer dan 2 dB (A) bedraagt, worden gebruikt.

2.1.5.3. Ten einde rekening te houden met afwijkingen bij de meting wordt het resultaat van elke meting gevormd door de op het apparaat afgelezen waarde verminderd met een dB (A).

2.1.5.4. Aan het voorschrift sub 2.1.1. wordt geacht te zijn voldaan indien de vier meetresultaten lager zijn dan of gelijk aan het maximaal toegestane niveau voor de categorie waartoe de bromfiets bij de proef behoort.

Indien een van de vier resultaten het maximum toegestane niveau overschrijdt, en deze overschrijding niet meer dan 1 dB (A) bedraagt, wordt een tweede reeks van vier metingen verricht. In dit geval wordt aan het voorschrift sub 2.1.1. slechts geacht te zijn voldaan indien deze vier nieuwe resultaten lager zijn dan of gelijk zijn aan het maximum toegestane niveau.

Aan het voorschrift sub 2.1.1. wordt geacht niet te zijn voldaan in alle andere gevallen.  

2.2. Geluidsmeting van stilstaande bromfiets.

2.2.1. Geluidsdrukniveau op kleine afstand van de bromfiets.  

2.2.1.1. Ten einde de latere controle van het geluidsniveau van de in het verkeer zijnde bromfietsen te vergemakkelijken wordt bovendien het geluiddrukniveau op korte afstand van de monding van de uitlaatinrichting (geluiddemper) overeenkomstig onderstaande voorschriften gemeten. Het meetresultaat en het motortoerental worden op het ogenblik van de meting geregistreerd in het keuringsrapport waarvan model in bijlage 4 bij dit besluit.

2.2.1.2. Daarenboven dienen de constructeur of zijn mandataris op het raam van de bromfiets onder de vorm van een vastgeklonken of op een gelijkwaardige manier vastgehechte plaat de volgende gegevens leesbaar en onuitwisbaar te vermelden:  

  • het hoogste meetresultaat zoals bedoeld in punt 2.2.1.1.;
  • het motortoerental zoals bedoeld in punt 2.2.1.1.;
  • merk en type van de geluiddemper;
  • aantal ontstekingsimpulsen per cylinder en per twee volledige toeren van de krukas.

2.2.2. Meetinstrumenten.

Er wordt een precisiegeluidsniveaumeter overeenkomstig punt 2.1.2.1. van § 1 van dit artikel gebruikt.

2.2.3. Wijze van meting.

2.2.3.1. Toestand van de bromfiets.

Voor de aanvang der metingen wordt de bromfiets op de normale bedrijfstemperatuur gebracht. Bij automatisch in- en uitschakelende ventilatoren mag tijdens de geluidmeting niet in de schakelautomatiek worden ingegrepen.

Tijdens de metingen moet de versnellingshandel in de vrijloop staan. Indien het onmogelijk is de overbrenging te ontkoppelen, moet het aangedreven wiel van de bromfiets vrij draaien, bijvoorbeeld door het op de standaard te plaatsen.

2.2.3.2. Proefterrein.  

Als proefterrein mag iedere ruimte worden gebruikt waar zich geen belangrijke akoestische storingen voordoen. In het bijzonder geschikt zijn vlakke terreinen die met beton, asfalt of met een ander hard materiaal zijn bedekt en sterk reflecteren; oppervlakken van vast gewalste aarde zijn uitgesloten. Het proefterrein moet de afmetingen van een rechthoek hebben waarvan de zijden ten minste 3 m van de omtrek van de bromfiets (exclusief het stuur) zijn verwijderd. Buiten deze rechthoek mag zich geen enkele belangrijke hindernis, bijvoorbeeld een persoon–met uitzondering van de waarnemer en de bestuurder–bevinden

De bromfiets wordt binnen de genoemde rechthoek zodanig opgesteld dat de meetmicrofoon ten minste een meter verwijderd is van eventueel aanwezige trottoirbanden zoals beschreven in bijlage 3 bij dit besluit .

2.2.3.3. Diversen.

Door omgevingsgeluid en wind veroorzaakte aanwijzingen van het meettoestel moeten ten minste 10 dB(A) lager zijn dan het te meten geluidsniveau. Aan de microfoon mag een passend windscherm zijn aangebracht. mits met de invloed hiervan op de gevoeligheid van de microfoon rekening wordt gehouden.

2.2.4. Meetmethode.  

2.2.4.1. Aard en aantal van de metingen.

Het maximale geluidsniveau uitgedrukt in decibel (dB) volgens kromme A wordt gemeten tijdens de in punt 2.2.4.3 bedoelde periode van werking.

Aan ieder meetpunt worden ten minste drie metingen verricht.

2.2.4.2. Plaats van de microfoon.

De microfoon moet ter hoogte van de monding van de uitlaat worden gehouden. doch in geen geval lager dan 0.2 m boven het rijwegoppervlak. De kop van de microfoon moet naar de opening zijn gericht waaruit de uitlaatgassen stromen en 0.5 m van deze opening zijn verwijderd. De as van de hoofdgevoeligheid van de microfoon moet evenwijdig aan het rijoppervlak zijn en een hoek van 45° ± 10° vormen met het loodrechte vlak waarin de emissierichting van de uitlaatrassen ligt.  

Met betrekking tot dit loodrechte vlak wordt de microfoon opgesteld aan de kant waar de afstand tussen de microfoon en de omtrek van de bromfiets (exclusief het stuur) maximaal is.

Indien de uitlaatinrichting meer mondingen heeft waarvan de middelpunten onderling niet meer dan 0.3 m zijn verwijderd. wordt de microfoon gericht op de monding die zich het dichtst bij de omtrek van de bromfiets (exclusief het stuur) of zich het hoogst boven het rijwegoppervlak bevindt. Indien de afstand tussen de middelpunten van de mondingen meer dan 0.3 m bedraagt. worden er afzonderlijke metingen voor iedere monding verricht waarbij de grootste gemeten waarde wordt weerhouden.

2.2.4.3. Werkingsvoorwaarden van de motor.

Het toerental van de motor wordt op 3/4 van S constant gehouden: waarbij « S » het toerental per minuut bij het maximumvermogen is.

Wanneer het constante toerental is bereikt. wordt de gashandel snel weer in de stationaire stand gebracht. Het geluidsniveau wordt gemeten tijdens een periode van werking, die een kort ogenblik waarin het toerental constant wordt gehouden en de gehele duur van de vertraging omvat: hierbij geldt als meetwaarde de maximale aanwijzing van de geluidsniveaumeter.  

2.2.5. Resultaten.

De waarden worden van het meettoestel afgelezen. met afronding op de dichtst bijzijnde hele decibel.

Alleen meetwaarden die bij 3 onmiddellijk opeenvolgende metingen werden verkregen en die onderling niet meer dan 2 dB(A) verschillen mogen worden gebruikt.

Als meetresultaat geldt de hoogste van de drie meetwaarden.

3. Uitlaatinrichting (geluiddemper)

3.1. Indien de bromfiets voorzieningen voor vermindering van het uitlaatgeluid (geluiddemper) heeft dienen de voorschriften van dit punt 3 pct worden nageleefd. Als de aanzuigbuis van de motor voorzien is van een luchtfilter en/of een inlaatgeluiddemper om te waarborgen dat het toegestane geluidsniveau niet wordt overschreden. dan worden dit filter en/of inlaatgeluiddemper geacht deel uit te maken van de geluiddemper en gelden de voorschriften van dit punt 3 ook voor dit filter en/of inlaatgeluiddemper .

3.2. Het schema van de uitlaatinrichting moet in bijlage gevoegd worden bij de aanvraag van het proces-verbaal van goedkeuring .

3.3. De geluiddemper moet voorzien zijn van een duidelijk leesbare en onuitwisbare merk- en typeaanduiding.

3.4. De geluiddemper mag slechts voorzien zijn van geluiddempend materiaal van vezelige substantie indien de volgende voorwaarden zijn vervuld:

3.4.1. er mag geen geluiddempend materiaal van vezelige substantie worden aangewend in de delen van de geluiddemper waardoor gas stroomt;

3.4.2. met passende inrichtingen dient te worden verzekerd dat het geluiddempende materiaal van vezelige substantie gedurende de gehele gebruiksduur van de geluiddemper op zijn plaats blijft;

3.4.3. het geluiddempende materiaal van vezelige substantie moet bestand zijn tegen een temperatuur die ten minste 20 pct. hoger ligt dan de bedrijfstemperatuur die kan voorkomen op de plaats waar dat materiaal in de geluiddemper is gebruikt.

§2. Geluid van de motorfietsen.

1. Voor de nieuwe voertuigen mag het in de hierna bepaalde omstandigheden voortgebrachte geluid de volgende niveaus niet overschrijden:  

  • 78 dB(A) voor de motorfietsen op twee wielen met of zonder zijspan, waarvan de cylinderinhoud minder bedraagt of gelijk is aan 80 cm³;
  • 80 dB(A) voor de motorfietsen op twee wielen met of zonder zijspan, waarvan de cylinderinhoud meer dan 80 cm³ bedraagt, zonder meer dan 125 cm³ te bedragen;
  • 83 dB(A) voor de motorfietsen op twee wielen met of zonder zijspan, waarvan de cylinderinhoud meer dan 125 cm³ bedraagt, zonder meer dan 350 cm³ te bedragen;
  • 85 dB(A) voor de motorfietsen op twee wielen met of zonder zijspan waarvan de cylinderinhoud meer dan 350 cm³ bedraagt, zonder meer dan 500 cm³ te bedragen;
  • 86 dB(A) voor de tweewielige motorfietsen met of zonder zijspan, waarvan de cylinderinhoud meer dan 500 cm³ bedraagt;
  • 83 dB(A) voor de driewielers.

2. Meting van het geluidsniveau.

2.1. De verificatie van de uiterste waarden van het geluidsniveau van de motorfietsen moet gebeuren overeenkomstig de bepalingen van de richtlijn 78/1015/EEG van 22 juli 1980 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten betreffende het toegestane geluidsniveau en de uitlaatinrichting van motorrijwielen (1) of van het reglement nr. 41 van de Economische Commissie voor Europa te Genève betreffende de eenvormige voorschriften inzake goedkeuringen van motorrijwielen en inzake geluid (2).

2.2. Elk verzoek om verificatie moet door de constructeur of diens gevolmachtigde worden ingediend bij het Ministerie van Verkeerswezen, Bestuur van het Vervoer, Directie B1, Kantersteen 12, 1000 Brussel.

Zij moet vergezeld zijn van een inlichtingenformulier en een omstandig technische beschrijving van de goed te keuren motorfiets .

Voor eenzelfde type van motorfiets mag het verzoek om verificatie slechts in een Lid-Staat ingediend worden.

Voor wat betreft het Vlaams Gewest, wordt de zinsnede “het Ministerie van Verkeerswezen, Bestuur van het Vervoer, Directie B1, Kantersteen 12, 1000 Brussel” vervangen door de woorden “de goedkeuringsinstantie”.

2.3. De verzoeker moet het bewijs leveren dat de eventuele onontbeerlijke proeven verricht werden in de door het Ministerie van Verkeerswezen erkende laboratoria

Voor wat betreft het Vlaams Gewest, worden de woorden “het Ministerie van Verkeerswezen” vervangen door de woorden “de bevoegde Vlaamse instantie”.

2.4. Een verificatieattest waarvan model in bijlage 5, wordt verleend of geweigerd door de Minister van Verkeerswezen of diens gemachtigde naargelang het al dan niet overeenstemmen van het type motorfiets met de bepalingen van de betrokken richtlijn.  

Voor wat betreft het Vlaams Gewest, worden de woorden “Minister van Verkeerswezen of diens gemachtigde” vervangen door de woorden “de bevoegde Vlaamse instantie”.

2.5. Elke motorfiets die in het verkeer wordt gebracht moet gelijkvormig blijven met het type motorfiets dat aan nazicht onderworpen werd.

Elke wijziging van een type motorfiets die het voorwerp uitmaakt van de in punt 2.4 bedoelde verificatie. alsmede de eventuele stopzetting van de productie. moet aan de Minister van Verkeerswezen of aan diens gemachtigde bekendgemaakt worden. Deze oordeelt dan of het een wijziging geldt die een nieuwe verificatie nodig heeft.

Voor wat betreft het Vlaams Gewest, worden de woorden “Minister van Verkeerswezen of aan diens gemachtigde” vervangen door de woorden “de bevoegde Vlaamse instantie”.

2.6. Op verzoek van de Minister van Verkeerswezen of van diens gemachtigde is de constructeur gehouden hem de motorfietsen of bestanddelen van motorfietsen of reeksuitrustingen waarvan het prototype het voorwerp van een vorige verificatie uitmaakte, ter beschikking te stellen voor proeven of gelijkvormigheidscontroles.

Voor wat betreft het Vlaams Gewest, worden de woorden “Minister van Verkeerswezen of van diens gemachtigde” vervangen door de woorden “de bevoegde Vlaamse instantie”.

2.7. Het voor een type motorfiets verleende bewijs mag door de Minister van Verkeerswezen of diens gemachtigde ingetrokken worden in geval die motorfiets niet meer in overeenstemming is met het goedgekeurde prototype.

Voor wat betreft het Vlaams Gewest, worden de woorden “Minister van Verkeerswezen of diens gemachtigde” vervangen door de woorden “de bevoegde Vlaamse instantie”.

2.8. Elke weigering of intrekking van een bewijs moet aan de constructeur of diens gevolmachtigde betekend worden en met redenen omkleed zijn. Binnen de acht werkdagen na de datum van de betekening, mag de constructeur of diens gevolmachtigde een aanvraag tot herziening indienen bij de Minister van Verkeerswezen. Deze laatste moet binnen de maand, die volgt op de datum van indiening van deze aanvraag, een beslissing nemen.

Voor wat betreft het Vlaams Gewest, worden de woorden “Minister van Verkeerswezen” vervangen door de woorden “Vlaamse minister”.

2.9. Daarenboven moet de constructeur of zijn gemachtigde op het raam van het motorrijwiel een metalen plaatje vasthechten met klinknagels of evenwaardig, dat leesbaar en onuitwisbaar het volgende vermeldt:  

  • de uitslag van de meting bij stilstand en het overeenkomstig toerental van de motor zoals vermeld in punt 5.2 van bijlage 5 bij dit besluit;
  • merk en type van de geluiddemper;
  • aantal ontstekingsimpulsen per cylinder en per twee volledige toeren van de krukas.

§3. 1. De bepalingen van 2°, § 1, zijn onmiddellijk van toepassing op de lichte vierwielers.

      2. Voor 1 januari 1983 zijn, op verzoek van de constructeur of zijn gemachtigde, de bepalingen van 2°, § 2, van dit artikel van toepassing in vervanging van de bepalingen van 1°, § 2.

3. Bepalingen met betrekking tot elk nieuw voertuigtype dat wordt goedgekeurd vanaf 1 mei 2010

§ 1. Het geluidsniveau van motorvoertuigen op twee of drie wielen gemeten in de omstandigheden en volgens de methodes die hierna zijn bepaald, mag de onderstaande grenswaarden niet overschrijden :

Voertuig Grenswaarde in dB(A)
1. Bromfietsen op 2 wielen  
< 25km/u 66
> 25km/u 71
op 3 wielen 76
2. Motorfietsen  
< 80cm³ 75
> 80cm³; < 175 cm³ 77
> 175 cm³ 80
3. Driewielers 80

§ 2. Het geluidsniveau wordt gemeten in de omstandigheden en volgens de methodes die zijn vastgelegd :

De specificaties voor de fysische eigenschappen van het wegdek van de proefbaan en specificaties voor de uitvoering van dit wegdek zijn vastgelegd in hoofdstuk V van bijlage 6.

§ 3. De originele uitlaatgeluiddempinrichtingen als technische eenheden worden naargelang van het betrokken voertuigtype, goedgekeurd overeenkomstig de voorschriften van punt 2.3. van hoofdstukken I, II en punt 2.4. van hoofdstuk III van bijlage 6.

De uitlaatinrichting of onderdelen van deze inrichting, bestemd voor montage op één of meerdere welbepaalde voertuigtypes op twee of drie wielen als niet-originele reserve-inrichting wordt naargelang van het betrokken voertuigtype, goedgekeurd overeenkomstig de voorschriften van punt 3 van hoofdstukken I, II en III van bijlage 6. Ze worden gemerkt overeenkomstig de voorschriften opgenomen in hoofdstuk IV van bijlage 6.

§ 4. Elk geproduceerd voertuig moet overeenstemmen met het krachtens dit artikel goedgekeurde voertuigtype, en is voorzien van de geluiddemper waarmee het is goedgekeurd en naargelang van het betrokken voertuigtype voldoet het aan de eisen van punt 2 van hoofdstukken I, II en III van bijlage 6.

Teneinde de in het eerste lid vereiste overeenstemming te controleren, wordt een voertuig van het krachtens dit artikel goedgekeurde type uit de serie genomen.

De productie wordt geacht in overeenstemming te zijn met de bepalingen van dit artikel indien het geluidsniveau, gemeten volgens de in punt 2.1 van hoofdstukken I, II en III van bijlage 6 beschreven methode en naargelang van het voertuigtype, de bij de goedkeuring gemeten waarde met niet meer dan 3 dB(A) en de in paragraaf 1 voorgeschreven grenswaarden met niet meer dan 1 dB(A) overschrijdt.

§ 5. Elke niet-originele reserve-uitlaatinrichting die wordt vervaardigd, moet overeenstemmen met het krachtens dit artikel goedgekeurde type en moet naargelang van het voertuigtype waarvoor de inrichting is bestemd, voldoen aan de eisen van punt 3 van hoofdstukken I, II en III van bijlage 6.

Teneinde de in het eerste lid vereiste overeenstemming te controleren, wordt een inrichting van het krachtens dit artikel goedgekeurde type uit de serie genomen.

De productie wordt geacht in overeenstemming te zijn met de bepalingen van dit artikel indien aan de voorschriften van de punten 3.4.2. en 3.4.3. van de hoofdstukken I, II en III van bijlage 6 is voldaan, en indien het geluidsniveau, gemeten volgens de in punt 2.1 van hoofdstukken I, II en III van bijlage 6 beschreven methode, de bij de goedkeuring van het type gemeten waarde met niet meer dan 3 dB(A) en de in paragraaf 1 voorgeschreven grenswaarden met niet meer dan 1 dB(A) overschrijdt.