10 OKTOBER 1974. - Koninklijk besluit houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de bromfietsen, de motorfietsen en hun aanhangwagens moeten voldoen.
[BS 15.11.1974]

Hoofdstuk III. Technische eisen

Artikel 14. Lichten en reflectoren

1. Bijzondere regelen betreffende de lichten en reflectoren van de bromfietsen met twee of drie wielen.

§1. Bij bromfietsen met twee wielen vooraan moeten de grootlichten, de reflectoren voor en de reflectoren achter symmetrisch ten opzichte van het langste mediaanvlak van de bromfiets zijn geplaatst en dezelfde afmetingen hebben.

De grootlichten moeten bovendien van gelijke sterkte zijn.

Bij bromfietsen met twee wielen achteraan moeten de standlichten, de reflectoren voor, de achterlichten en de reflectoren achter symmetrisch ten opzichte van het langse mediaanvlak van de bromfiets zijn geplaatst en dezelfde afmetingen hebben.

De achterlichten moeten van gelijke sterkte zijn.

§2. De afstand tussen twee gelijknamige lichten of reflectoren moet groter of gelijk zijn aan 60 cm.

De maximum afstand tot de zijkant van een licht of reflector van de zijspanwagen wordt gemeten tot de verste van de bromfiets verwijderde zijkant van de zijspanwagen.

2. Bijzondere regelen betreffende de lichten en reflectoren van de motorfietsen met twee wielen met of zonder zijspanwagen.

§1. Grootlicht.

De eisen waaraan het grootlicht moet voldoen, worden door Ons bepaald.

Dit licht moet 's nachts bij helder weer de weg over een afstand van ten minste 100m voor het voertuig doeltreffend verlichten.

§2. Dimlicht.

De eisen waaraan het dimlicht moet voldoen, worden door Ons bepaald.

Dit licht moet 's nachts bij helder weer de weg over een afstand van ten minste 40m voor het voertuig verlichten.

§3. Standlicht.

De standlichten mogen geel zijn indien deze lichten ingebouwd zijn in de grote lichten of in de dimlichten en de kleur van deze lichten geel is.

Zij moeten 's nachts bij helder weer op 300 m zichtbaar zijn.

§4. Achterlichten.

Het lichtdoorlatend gedeelte van de achterlichten moet minstens 25 cm² bedragen.

Zij moeten 's nachts bij helder weer op 300 m zichtbaar zijn.

§5. Stoplicht.

De stoplichten moeten overdag bij zonnig weer op 30 m en 's nachts bij helder weer op 300 m zichtbaar zijn.

§6. Kentekenplaatverlichting.

De kentekenplaat moet 's nachts op een afstand van 20 m achter het voertuig gelezen kunnen worden waarbij de lichtbron van achteraan niet mag worden waargenomen.

§7. Achterreflector.

De achterreflectoren moeten voldoen aan de eisen gesteld in het koninklijk besluit van 8 mei 1969, betreffende de goedkeuring van reflectoren voor voertuigen.

Zij moeten 's nachts bij helder weer voor de bestuurder van een voertuig zichtbaar zijn op een afstand van 150 m, indien beschenen door de grootlichten van het voertuig.

Bij zijspanwagens mag de maximum afstand tot de zijkant van de reflector, gemeten tot de verste van de motorfiets verwijderde zijkant van de zijspanwagen, ten hoogste 40 cm bedragen.

§8. Parkeerlicht.

De motorfietsen mogen hetzij een parkeerlicht links, hetzij twee parkeerlichten, een links en een rechts voeren.

De zijspanwagen mag een parkeerlicht aan de verste van de motorfiets verwijderde zijkant voeren. De kleur moet wit of oranje naar voren en rood of oranje naar achteren zijn.

De parkeerlichten kunnen eventueel worden vervangen door de standlichten en achterlichten.

Zij moeten 's nachts bij helder weer op 300 m zichtbaar zijn.

Zij mogen niet onttrokken zijn aan het gezicht van een persoon die zich op 10 m afstand zowel v66r als achter het licht en op 1 m naast de buitenste zijkant van het voertuig bevindt.

§9. Mistlicht voor.

De bovenzijde van het lichtdoorlatende gedeelte van een mistlicht voor, mag niet hoger zijn dan dat van het dimlicht.

§10. Mistlicht achter.

De oppervlakte van het lichtdoorlatend gedeelte van het mistlicht achter, mag maximum 140 cm² groot zijn.

Dit licht moet geplaatst zijn in het midden of links van het midden van het voertuig op ten minste 10 cm van het stoplicht.

Het mag slechts ontstoken worden door een afzonderlijke schakelaar.

Het ontstoken licht moet door middel van een voortdurend brandend oranje verklikkerlichtje, aangebracht op een voor de bestuurder in het oog vallende plaats kenbaar worden gemaakt ofwel moet de schakelaar op een voor de bestuurder in het oog vallende plaats zijn aangebracht en zijn voorzien van duidelijke aanwijzingen waaruit blijkt in welke stand van de schakelaar het licht is ingeschakeld.

§11. Voorreflector.

De voorreflectoren moeten 's nachts bij helder weer voor de bestuurder van een voertuig zichtbaar zijn op een afstand van 150 m indien beschenen door de grootlichten van dat voertuig.

Bij zijspanwagens mag de maximum afstand tot de zijkant van de reflector gemeten tot de verste van de motorfiets verwijderde zijkant, ten hoogste 10 cm bedragen.

§12. Zijreflector.

De zijreflectoren van motorfietsen moeten voldoen aan de voorschriften van het koninklijk besluit van 8 mei 1969 betreffende de goedkeuring van reflectoren voor voertuigen. De voorwaarden waaraan de zijreflectoren voor bromfietsen moeten voldoen, worden door Ons vastgelegd.

Zij moeten 's nachts bij helder weer zichtbaar zijn voor de bestuurder van een voertuig gesitueerd op een afstand van 150 m indien beschenen door de grootlichten van dit voertuig.

§13. Overgangsbepalingen.

De bromfietsen met twee of drie wielen, in dienst gesteld voor 1 januari 1975, die enkel voorzien zijn van een rode achterreflector moeten van voren een niet verblindend wit of geel licht voeren dat de weg over ten hoogste 30 meter afstand verlicht en van achteren, een rood licht voeren, als zij op de openbare weg rijden, hetzij tussen het vallen van de avond en het aanbreken van de dag, hetzij wanneer zulks wegens de weersgesteldheid noodzakelijk is.