10 OKTOBER 1974. - Koninklijk besluit houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de bromfietsen, de motorfietsen en hun aanhangwagens moeten voldoen.
[BS 15.11.1974]

Hoofdstuk III. Technische eisen

Artikel 13. Definities en voorwaarde verlichting en reflectoren

1. Definities.

In de artikelen 13 en 14 van dit reglement wordt verstaan onder:

Grootlicht: het voertuiglicht dat dient om de weg voor het voertuig over een grote afstand te verlichten.

Dimlicht: het voertuiglicht dat dient om de weg voor het voertuig te verlichten zonder de bestuurders van tegemoetkomende voertuigen en andere weggebruikers te verblinden of te hinderen.

Standlicht: het voertuiglicht dat, van voren gezien, dient om de aanwezigheid en de breedte van het voertuig aan te geven.

Achterlicht: het voertuiglicht dat, van achteraan gezien, dient om de aanwezigheid en de breedte van het voertuig aan te geven.

Stoplicht: het voertuiglicht dat dient om aan andere weggebruikers die zich achter het voertuig bevinden kenbaar te maken dat de bestuurder de bedrijfsreminrichting bedient.

Kentekenplaatverlichting: de inrichting die dient om de achterste kentekenplaat van het voertuig te verlichten.

Achterreflector: de inrichting die dient om de aanwezigheid van een voertuig kenbaar te maken door reflectie van licht, uitgestraald door een lichtbron die niet met het voertuig is verbonden, waarbij de waarnemer achter het voertuig en bij genoemde lichtbron is opgesteld.

Parkeerlicht: het voertuiglicht dat, hetzij van voren, hetzij van achteren gezien, dient om de aanwezigheid van het geparkeerde voertuig aan te geven.

Mistlicht voor: het voertuiglicht dat dient om de verlichting van de weg ingeval van mist, sneeuwval, dichte regen of stofwolken te verbeteren.

Mistlicht achter: het voertuiglicht dat dient om bij dichte mist de andere weggebruikers die zich achter het voertuig bevinden te verwittigen.

Voorreflector: de inrichting die dient om de aanwezigheid van een voertuig kenbaar te maken door reflectie van licht, uitgestraald door een lichtbron die niet met het voertuig is verbonden, waarbij de waarnemer voor het voertuig en bij genoemde lichtbron is opgesteld.

Zijreflector: de inrichting die dient om de aanwezigheid van een voertuig kenbaar te maken door reflectie van licht, uitgestraald door een lichtbron die niet met het voertuig is verbonden, waarbij de waarnemer naast het voertuig en bij genoemde lichtbron is opgesteld.

Richtingaanwijzer: het voertuiglicht dat dient om andere weggebruikers ervan te verwittigen dat de bestuurder het voornemen heeft naar rechts of links van richting te veranderen.

Minimum hoogte van een licht of reflector: de afstand tussen de grond en de onderzijde van het lichtdoorlatend of reflecterend gedeelte, als het voertuig ledig is.

Maximum hoogte van een licht of reflector: de afstand tussen de grond en de bovenzijde van het lichtdoorlatend of reflecterend.

Maximum afstand van een licht of reflector tot de zijkant: de afstand tussen de buitenzijde van het voertuig en de buitenzijde van het lichtdoorlatend of reflecterend gedeelte.

2. Algemene voorschriften.

§1. Elke combinatie van twee of meer lichten, hetzij gelijke of niet, doch van dezelfde functie en dezelfde kleur, zal als een enkel licht worden beschouwd indien de projecties van hun lichtdoorlatende oppervlakten op een verticaal vlak loodrecht op het mediaanvlak van het voertuig niet minder bedragen dan 50 pct. van de kleinste rechthoek omschreven op de projecties van de genoemde lichtdoorlatende oppervlakten.

§2. Wanneer het voertuig er mee is uitgerust, moeten het achterlicht, de verlichting van de kentekenplaat, alsmede het standlicht en het achterlicht van de zijspanwagen automatisch worden ontstoken wanneer een licht aan de voorzijde van het voertuig wordt ingeschakeld.

§3. Het voertuig moet zodanig zijn ingericht, dat het achterlicht en de reflectoren niet kunnen worden afgeschermd door enig deel van het voertuig of van de lading.

§4. Reflectoren mogen geen driehoek vorm hebben en moeten vast zijn aangebracht in een vlak, loodrecht op de lengteas van het voertuig.

§5. Lichten en reflectoren met dezelfde functie en richting moeten van gelijke kleur zijn.

In geen geval mag een voertuig naar voren rode lichten, rode reflectoren of rood reflecterend materiaal dan wel naar achteren witte of gele lichten, witte of gele reflectoren of wit of geel reflecterend materiaal vertonen.

De bepaling geldt niet voor de kentekenplaten.

§6. Ongelijknamige lichten alsmede reflectoren mogen in een en hetzelfde verlichtingsorgaan gegroepeerd of ingebouwd zijn, voor zover ieder van die lichten aan de erop toepasselijke bepalingen voldoet en geen verwarring mogelijk is.

3. Lichten en reflectoren van de bromfietsen op twee of drie wielen

§1. De bromfietsen op twee of drie wielen, moeten altijd de in tabel I vermelde lichten en reflectoren voeren en moeten voldoen aan de voorschriften die in deze tabel zijn gesteld.

§2. In afwijking van §1 mag:

  • een driewielige bromfiets met een voorwiel, waarvan de breedte kleiner is dan 75 cm, uitgerust zijn met een standlicht en een voorreflector;
  • een driewielige bromfiets met twee voorwielen, waarvan de breedte kleiner is dan 75 cm, uitgerust zijn met een achterlicht en een achterreflector.
  • de zijreflectoren van twee- of driewielige bromfietsen mogen door banden met retroflecterende flanken vervangen worden.

De voorwaarden waaraan de banden met retroflecterende flanken moeten voldoen worden door Ons vastgelegd.

§3. Bovendien mogen de bromfietsen die lichten en reflectoren voeren waarmede een motorfiets moet of mag zijn uitgerust, mits zij zijn aangebracht overeenkomstig de eisen welke voor motorfietsen gelden.

§4. De bromfietsen van de lokale en federale politiediensten en de niet gebanaliseerde bromfietsen van de Administratie der Douane en Accijnzen aangeduid door de Minister van Financiën mogen uitgerust worden met speciale lichten en reflectoren.

Bij wijze van uitzondering kan de Minister bevoegd voor het wegverkeer de toelating verlenen om andere voertuigen, bestemd voor een openbare dienst, uit te rusten met speciale lichten en reflectoren.

4. Lichten en reflectoren van de motorfietsen met twee wielen met of zonder zijspanwagen.

§1. De motorfietsen met twee wielen met of zonder zijspanwagen moeten altijd de in tabel II vermelde lichten en reflectoren voeren en voldoen aan de voorschriften die in deze tabel zijn gesteld.

Bovendien mogen de in tabel III vermelde lichten en reflectoren op de motorfietsen met twee wielen met of zonder zijspanwagen gemonteerd worden indien ze voldoen aan de eisen van deze tabel.

§2. Lichten en reflectoren welke niet zijn genoemd in tabel II en tabel III mogen niet op de motorfietsen met twee wielen met of zonder zijspanwagen worden aangebracht.

§3. Het stoplicht moet in werking treden bij bediening van de rem die op het achterwiel of het voorwiel of de beide wielen werkt.

§4. De motorfietsen van de lokale en federale politiediensten en de niet gebanaliseerde motorfietsen van de Administratie der Douane en Accijnzen aangeduid door de Minister van Financiën mogen uitgerust worden met speciale lichten en reflectoren.

Bij wijze van uitzondering kan de Minister bevoegd voor het wegverkeer de toelating verlenen om andere voertuigen, bestemd voor een openbare dienst, uit te rusten met speciale lichten en reflectoren.

5. Lichten en reflectoren van de driewielers.

§1. De lichten en reflectoren van de driewielers moeten voldoen aan de eisen die voor motorvoertuigen op meer dan 3 wielen gelden.

§2. In afwijking van § 1 mag:

a) een voertuig met één voorwiel zijn uitgerust met:

  • een standlicht indien de grootste breedte niet meer bedraagt dan 75 cm;
  • een grootlicht en een dimlicht indien de grootste breedte niet meer bedraagt dan 1,30 m;

b) een voertuig met twee voorwielen zijn uitgerust met:

  • een achterlicht, een achterreflector en een stoplicht indien de grootste breedte niet meer bedraagt dan 75 cm.

§3. Indien het voertuig met een achteruitversnelling en een achteruitrijlicht is uitgerust mag dit laatste alleen kunnen branden wanneer de achteruitversnelling is ingeschakeld.

§4. Het stoplicht moet in werking treden bij bediening van een der in art. 11, § 2.1 bedoelde reminrichtingen.

5bis. Lichten en reflectoren van de lichte vierwielers.

§1. De lichte vierwielers moeten altijd voorzien zijn van de lichten en reflectoren vermeld in tabel IV en moeten aan de schikkingen voorzien in deze tabel beantwoorden.

Bovendien mogen de in tabel V vermelde lichten en reflectoren op de lichte vierwielers gemonteerd worden indien ze voldoen aan de eisen van deze tabel.

§2. De lichten en reflectoren welke niet genoemd zijn in de tabellen IV en V mogen niet op de lichte vierwielers aangebracht worden.

§3. Het stoplicht moet in werking treden bij bediening van de rem.

6. Richtingaanwijzers.

§1.

1. De motorfietsen en de bromfietsen mogen zijn voorzien  

  • hetzij twee richtingsaanwijzers aan de voorzijde en twee aan de achterzijde;
  • hetzij een richtingsaanwijzer op elke zijkant.

2. De knipperfrequentie moet 90 per minuut zijn met een tolerantie van plus minus 30.

3. De kleur van de richtingaanwijzers moet oranje zijn.

4. De richtingaanwijzers moeten symmetrisch zijn aangebracht ten opzichte van het mediaanvlak van de motorfiets of bromfiets.

5. De minimum afstand tussen een linker en een rechter richtingaanwijzer moet tenminste bedragen:

a) aan de voorzijde: 34 cm.
b) aan de achterzijde: 24 cm;
c) op de zijkanten: 56 cm.

6. In geen enkel geval mag de afstand tussen de richtingaanwijzers vooraan of achteraan groter zijn dan de grootste breedte van het voertuig.

7. De richtingaanwijzer moet zich op een hoogte van minimum 40 cm boven de grond bevinden.

8. De aanduiding van richtingverandering d.m.v. richtingaanwijzers moet steeds waarneembaar zijn voor een waarnemer die zich in het mediaanvlak van de motorfiets bevindt op een afstand van 10 m voor, respectievelijk achter het voertuig.

§2. De driewielers, de lichte vierwielers moeten van richtingaanwijzers zijn voorzien overeenkomstig de eisen die gelden voor motorvoertuigen met meer dan 3 wielen.

6bis. Lichten van de aanhangwagens getrokken door bromfietsen of motorfietsen.

De aanhangwagens die getrokken worden door bromfietsen en motorfietsen moeten achteraan uitgerust zijn met twee rode reflectoren die op een minimumhoogte van 40 cm moeten aangebracht worden.

Bovendien moeten zij achteraan uitgerust zijn met de voor het trekkende voertuig voorziene lichten indien hun buitenafmeting deze onzichtbaar maken.

7. Overgangsbepalingen

[...]