Koninklijk besluit van 17 oktober 2016 inzake de tachograaf en de rij- en rusttijden

B.S. 24.10.2016

Contents[Hide]

HOOFDSTUK 1. — Inleidende bepalingen

Artikel 1. Dit besluit voorziet in de uitvoering van :

— Verordening (EG) nr. 561/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2006 tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer, tot wijziging van Verordeningen (EEG) nr. 3821/85 en (EG) nr. 2135/98 van de Raad en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 3820/85 van de Raad;

— Verordening (EU) nr. 165/2014 van het Europees Parlement en van de Raad van 4 februari 2014 betreffende tachografen in het wegvervoer, tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 3821/85 van de Raad betreffende het controleapparaat in het wegvervoer en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 561/2006 van het Europees Parlement en de Raad tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer;

— de Europese overeenkomst nopens de arbeidsvoorwaarden voor de bemanningen van motorrijtuigen in het internationale vervoer over de weg, ondertekend te Genève op 1 juli 1970, zoals gewijzigd bij amendementen 1 tot 6.

Dit besluit voorziet eveneens in de gedeeltelijke omzetting van Richtlijn 2002/15/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2002 betreffende de organisatie van de arbeidstijd van personen die mobiele werkzaamheden in het wegvervoer uitoefenen.

Art. 2. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder :

1° Verordening 165/2014 : Verordening (EU) nr. 165/2014 van het Europees Parlement en van de Raad van 4 februari 2014 betreffende tachografen in het wegvervoer, tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 3821/85 van de Raad betreffende het controleapparaat in het wegvervoer en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 561/2006 van het Europees Parlement en de Raad tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer;

2° Verordening 561/2006 : Verordening (EG) nr. 561/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2006 tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer, tot wijziging van Verordeningen (EEG) nr. 3821/85 en (EG) nr. 2135/98 van de Raad en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 3820/85 van de Raad;

3° AETR : Europese overeenkomst nopens de arbeidsvoorwaarden voor de bemanningen van motorrijtuigen in het internationale vervoer over de weg, ondertekend te Genève op 1 juli 1970, zoals gewijzigd bij amendementen 1 tot en met 6;

4° Richtlijn 2002/15 : Richtlijn 2002/15/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2002 betreffende de organisatie van de arbeidstijd van personen die mobiele werkzaamheden in het wegvervoer uitoefenen;

5° de administratie : het Directoraat-generaal Wegvervoer en Verkeersveiligheid van de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer;

6° de Minister : de minister die het wegvervoer en de verkeersveiligheid onder zijn bevoegdheden heeft;

7° de afgevaardigde van de Minister : de Directeur-generaal van het Directoraat-generaal Wegvervoer en Verkeersveiligheid bij de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer;

8° bevoegde instantie : de instantie die de uitgifte en de verdeling van de tachograafkaarten als opdracht heeft;

9° erkende werkplaats : ieder installateur of hersteller in bezit van de in artikel 6 bedoelde erkenning;

10° tachograaflokaal : beveiligd lokaal in de erkende werkplaats waar gedownloade tachograafgegevens en werkplaatskaarten bewaard worden;

11° houder van het voertuig : hetzij de eigenaar, hetzij de tijdelijke gebruiker, hetzij de bestuurder;

12° zelfstandige bestuurder : eenieder wiens voornaamste beroepsactiviteit erin bestaat met een communautaire vergunning of een andere beroepsbevoegdheid wegvervoer te verrichten, tegen vergoeding personen of goederen over de weg te vervoeren en die gerechtigd is om voor eigen rekening te werken en die niet aan een werkgever gebonden is door een arbeidsovereenkomst of door enige andere arbeidsrechtelijke ondergeschiktheidsrelatie, die de bedoelde activiteiten vrij kan organiseren, wiens inkomsten rechtstreeks afhankelijk zijn van de gemaakte winst en die vrij is om individueel of in samenwerking met andere zelfstandige bestuurders handelsbetrekkingen met een of verscheidene klanten te onderhouden;

13° arbeidstijd van zelfstandige bestuurders : elke periode tussen het begin en het einde van het werk, waarin de zelfstandige bestuurder op de werkplek is, ter beschikking van de klant staat en zijn taken of activiteiten uitoefent, andere dan algemeen administratief werk dat niet direct verband houdt met het specifieke vervoer in kwestie;

14° week : de periode tussen maandag 00.00 uur en zondag 24.00 uur;

15° nachttijd : een periode van ten minste vijf uur, tussen 00.00 uur en 07.00 uur;

16° nachtarbeid : elk werk dat in de nachttijd wordt verricht.

Art. 3. De tachograaf moet niet geïnstalleerd zijn of moet, wanneer deze geïnstalleerd is, niet gebruikt worden in :

— voertuigen die geen wegvervoer verrichten in de zin van artikel 2 van Verordening 561/2006;

— voertuigen bedoeld in artikel 3 van Verordening 561/2006;

— voertuigen bedoeld in artikel 40;

— voertuigen bedoeld in artikel 2, lid 2 van de AETR.

HOOFDSTUK 2. — Bepalingen inzake de tachograaf

Afdeling 1. — Productie en typegoedkeuringen van tachografen en hun accessoires

Art. 4. § 1. Elke aanvraag om goedkeuring van een type van tachograaf, registratieblad, interface of geheugenkaart wordt ingediend door de fabrikant of zijn gevolmachtigde bij de Federale Overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie, Dienst Metrologie.

Deze dienst bepaalt de frequentie van de testen zoals bedoeld in artikel 20, lid 1 van Verordening 165/2014.

Deze dienst mag, onder zijn toezicht en zijn verantwoordelijkheid, de uitvoering van bepaalde voorafgaande proeven aan andere laboratoria toewijzen, voor zover deze erkend zijn conform de tot de reeks EN 17000 behorende normen. De accreditatie wordt verleend :

1° hetzij door BELAC, Belgische accreditatieinstelling;

2° hetzij door een accreditatieinstelling die lid is van de EA (European Cooperation for Accreditation).

De aanvraag gaat vergezeld van beschrijvende documenten die toelaten de gelijkvormigheid van het type aan de voorschriften bepaald in artikel 12 van Verordening 165/2014 controleren.

§ 2. De Minister bevoegd voor de Metrologie of zijn afgevaardigde verleent de goedkeuring, schorst ze of trekt ze in. Hij kent het in artikel 14 van Verordening 165/2014 bedoelde typegoedkeuringsmerk toe.

Art. 5. De productie, de installatie, de verdeling en de verkoop van, alsmede het maken van publiciteit voor apparaten die geconstrueerd en/of bestemd zijn voor het manipuleren van tachografen zijn verboden.

Afdeling 2. — Erkende werkplaatsen

Onderafdeling 1. — Erkenning

Art. 6. De natuurlijke personen of rechtspersonen die de installatie, de controle van de meetnauwkeurigheid of de herstelling van tachografen in hun lokalen uitvoeren, worden erkend als installateur, wat de installatie en de controle van de meetnauwkeurigheid van deze apparaten betreft en als hersteller, wat hun herstelling betreft.

Art. 7. De voorwaarden waaraan de werkplaatsen moeten voldoen om een erkenning te verkrijgen, zijn bepaald in bijlage I.

Art. 8. Iedere aanvraag om erkenning als installateur of hersteller van tachografen wordt gericht aan de administratie.

Voor de erkenning als installateur of hersteller van tachografen en de afgifte van de erop betrekking hebbende documenten is een retributie verschuldigd van :

— 327 euro voor het onderzoek met het oog op de erkenning als installateur;

— 268 euro voor de uitbreiding van de erkenning als installateur tot de digitale tachograaf;

— 208 euro voor het onderzoek met het oog op de erkenning als hersteller;

— 149 euro voor de uitbreiding van de erkenning als hersteller tot de digitale tachograaf;

— 268 euro voor de uitbreiding van de erkenning als installateur tot de analoge tachograaf;

— 149 euro voor de uitbreiding van de erkenning als hersteller tot de analoge tachograaf;

— 30 euro voor de afgifte van elk erkenningscertificaat.

Vanaf het kalenderjaar 2017, worden de in het tweede lid bedoelde bedragen elk jaar op 1 januari automatisch geïndexeerd op basis van de consumptieprijsindex van de maand november van het eraan voorafgaande jaar.

Het resultaat van deze aanpassing wordt afgerond naar de hogere eenheid indien het berekende bedrag hoger is of gelijk is aan 0,5 decimalen of naar de lagere eenheid indien het berekend bedrag lager is dan 0,5 decimalen.

De retributies voor reeds geheel of gedeeltelijk geleverde prestaties zijn niet terugbetaalbaar wanneer de erkenningsaanvraag wordt geannuleerd of wanneer de erkenning wordt geweigerd.

De retributies worden geïnd door de dienst Ontvangsten van de administratie.

Art. 9. De door de Minister of zijn afgevaardigde gemachtigde ambtenaren van de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer gaan bij de aanvrager na of hij over de vereiste beroeps- en technische bekwaamheid beschikt en de nodige uitrusting heeft. Een gedetailleerd verslag van de gedane vaststellingen wordt opgemaakt.

Art. 10. De erkenning wordt verleend voor een periode van vier jaar. Drie maanden vóór de vervaldatum wordt een nieuwe erkenning aangevraagd.

Art. 11. De Minister of zijn afgevaardigde verleent of weigert de erkenning als installateur of hersteller op basis van de evaluatie bedoeld in artikel 9. De beslissing wordt medegedeeld binnen de dertig dagen na de eerste evaluatie, samen met het verslag bedoeld in artikel 9 op basis waarvan de beslissing wordt gemotiveerd.

Art. 12. De erkenning wordt geweigerd indien tijdens de periode van achttien maanden voorafgaand aan de erkenningsaanvraag, een vorige erkenning werd ingetrokken op basis van artikel 13, § 1.

Art. 13. § 1. De erkenning kan worden ingetrokken door de Minister of zijn afgevaardigde, indien een installatie, een controle van de meetnauwkeurigheid of een herstelling niet overeenkomstig de voorschriften van Verordening 165/2014 werd uitgevoerd.

De erkenning als installateur of hersteller kan ook worden ingetrokken indien, bij de in artikel 26 bedoelde controle, wordt vastgesteld dat niet meer voldaan is aan de voorwaarden bepaald in bijlage I.

§ 2. De intrekking van de erkenning wordt aan de betrokkene medegedeeld door de Minister of zijn afgevaardigde.

Binnen de dertig dagen na de kennisgeving van de intrekking van de erkenning, kan de betrokkene per aangetekende zending beroep aantekenen bij de Minister.

De Minister doet uitspraak binnen de dertig dagen volgend op de in het tweede lid bedoelde zending, eventueel na de betrokkene of zijn gevolmachtigde te hebben gehoord.

Het beroep is niet opschortend.

Onderafdeling 2. — Werking van de erkende werkplaatsen

Art. 14. Iedere werkplaats erkend als installateur is in staat om de tachografen van alle fabrikanten te ijken; hetzelfde geldt voor de overbrenging van de gegevens en de afgifte van het certificaat van onmogelijkheid van gegevensoverdracht waarvan het model in bijlage II is opgenomen.

Art. 15. Een erkende werkplaats mag geen enkele activiteit waarvoor zij erkend is uitbesteden.

Elke activiteit dienaangaande mag alleen door de erkende installateur of hersteller in zijn daartoe erkende werkplaats worden uitgevoerd.

Evenwel kunnen de fabrikanten van voertuigen of hun vertegenwoordigers, die over een productielijn beschikken in België, of de koetswerkfabrikanten van bussen en autocars genieten van een erkenning met beperkte draagwijdte voor de installatie van nieuwe tachografen aan boord van nieuwe voertuigen en voor hun activering.

Tijdens de installatie worden alle gekende parameters voorgeregeld. De Minister bepaalt de voorwaarden voor het verkrijgen van de erkenning met beperkte draagwijdte.

Art. 16. De directeurs of de vennoten van de erkende werkplaats alsook hun personeel mogen geen beroepsbezigheden uitoefenen in de sector van het wegvervoer.

Art. 17. De Minister of zijn afgevaardigde kent aan ieder erkend installateur of hersteller een identificatiemerk toe, dat hij moet aanbrengen op alle verzegelingen die hij uitvoert. Dit identificatiemerk is terug te vinden op de website van de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer.

Art. 18. Iedere ingreep op een tachograaf beantwoordt aan de bepalingen van Verordening 165/2014. Daarnaast moeten, in voorkomend geval, de instructies of de aanbevelingen van de fabrikanten van voertuigen en van tachografen worden opgevolgd.

Elke verbinding die, indien zij onderbroken wordt, niet opspoorbare wijzigingen of niet aantoonbaar verlies van gegevens met zich kan meebrengen, wordt door de erkende werkplaats verzegeld.

De erkende werkplaats zorgt ervoor dat het verzegelingsgereedschap en de werkplaatskaarten in een gesloten kast of brandkast bewaard worden.

Elk verlies of elke diefstal van verzegelingsgereedschap wordt onmiddellijk medegedeeld aan de administratie. Bij diefstal wordt bovendien onmiddellijk aangifte gedaan bij de politie.

Elke verzegeling en elk aanbrengen van een stempel wordt opgetekend in een genummerd bestand dat door de in artikel 26 bedoelde bevoegde personen kan gecontroleerd worden. Dit bestand mag op gecomputeriseerde wijze worden bijgehouden.

Art. 19. De erkende werkplaats laat de ijking of het periodiek nazicht van zijn uitrusting en meetbanen uitvoeren door een laboratorium, dat hetzij geaccrediteerd is door BELAC conform de serie EN 17000-normen, hetzij geaccrediteerd is door de administratie. De accreditaties afgeleverd volgens de systemen waarmee BELAC een wederzijdse erkenning heeft afgesloten, worden als gelijkwaardig beschouwd.

De controle-instrumenten worden geijkt vóór hun gebruik en op regelmatige tijdstippen gedurende hun gebruik. De meetbanen worden geijkt op regelmatige tijdstippen gedurende hun gebruik. De erkende werkplaats houdt een register bij van alle uitgevoerde ijkingen.

Art. 20. Een werkdocument, waarvan het model wordt vastgesteld door de Minister of zijn afgevaardigde, wordt opgesteld telkens een tachograaf geïnstalleerd, hersteld of op zijn meetnauwkeurigheid gecontroleerd wordt. Dit document wordt vier jaar bewaard in een opbergsysteem of op een passende informatiedrager.

Dit document draagt een nummer bestaande uit twee onderscheiden delen :

— de vier cijfers van het lopende kalenderjaar;

— een nummer volgens de chronologische volgorde van de ingrepen.

Art. 21. Iedere wijziging van de rechtstoestand of van de vestigingsplaats van de erkende werkplaats wordt per aangetekende zending aan de administratie medegedeeld. De Minister of zijn afgevaardigde oordeelt of een nieuw erkenningsmerk aan de werkplaats wordt toegekend dan wel of een administratieve regularisatie volstaat.

Iedere installateur of hersteller die zijn werkzaamheden met betrekking tot de tachografen stopzet, geeft daarvan onmiddellijk schriftelijk kennis aan de administratie.

Art. 22. De erkende werkplaats moet zorgen voor de overdracht van de in het geheugen van zijn werkplaatskaarten opgeslagen gegevens, iedere dag dat deze worden gebruikt. Deze gegevens worden minstens vier jaar bewaard. Een back-up wordt even lang bewaard op een beveiligde plaats die van het tachograaflokaal gescheiden is, teneinde de bewaring van de gegevens in alle omstandigheden te waarborgen.

Art. 23. § 1. Naast de technische ingrepen, moeten de erkende werkplaatsen de in het geheugen van de tachograaf opgeslagen gegevens kunnen overbrengen. Deze gegevens mogen enkel verstrekt worden aan de houder van het voertuig of aan een door hem gemachtigde persoon. De overdracht gebeurt in een vorm die de vertrouwelijkheid van de voornoemde gegevens waarborgt.

De in het eerste lid bedoelde overdracht wordt uitgevoerd vóór de vervanging van de tachograaf of zijn verwijdering uit het voertuig.

Na de uitvoering van de in het eerste lid bedoelde overdracht moet nagegaan worden of de overgebrachte gegevens alle veiligheidselementen betreffende hun echtheid en hun integriteit bevatten.

Voor iedere uitgevoerde overdracht moet de nodige informatie opgetekend worden met het oog op het opmaken van een verslag betreffende de overdracht van de gegevens. Deze documenten worden gearchiveerd en bewaard voor een duur van vier jaar.

Een kopie van de uit de voertuigunit overgebrachte gegevens wordt gearchiveerd en bewaard voor ten minste vier jaar. Bovendien moet een back-up uitgevoerd worden van elke overbrenging van gegevens naar een beveiligd extern opslagmedium. De back-up wordt even lang bewaard op een beveiligde plaats buiten het tachograaflokaal, teneinde de bewaring van de gegevens in alle omstandigheden te waarborgen.

§ 2. Alle gegevens worden bewaard in de daartoe bestemde gesloten kast of brandkast in het tachograaflokaal van de erkende werkplaats.

In het geval dat de overdracht van de gegevens niet mogelijk is, moet de erkende werkplaats een certificaat van onmogelijkheid van gegevensoverdracht overeenkomstig het model in bijlage II in tweevoud opstellen.

Een van die exemplaren wordt aan de houder van het voertuig of aan een door hem gemachtigde persoon afgeleverd. De erkende werkplaats bewaart een kopie van deze certificaten gedurende vier jaar.

§ 3. Alle overgebrachte gegevens en alle in het kader van deze activiteit opgestelde documenten worden ter beschikking gehouden van de door de Minister of zijn afgevaardigde gemachtigde ambtenaren.

Onderafdeling 3. — Vereisten inzake de opleiding van het personeel

Art. 24. De erkende werkplaats beschikt ten minste over twee personen die houder zijn van een eigen werkplaatskaart : een technisch verantwoordelijke en een technicus. De technisch verantwoordelijke beschikt over een voldoende kwalificatie en beheerst goed de computerapparatuur.

Hij ziet toe op de naleving van alle voorwaarden op basis waarvan de erkenning werd afgeleverd.

Ieder personeelslid dat met de installatie of de herstelling van digitale tachografen belast is, heeft de in artikel 25 bedoelde opleiding inzake de digitale tachograaf gevolgd.

De opleidingsattesten inzake de digitale tachograaf hebben een geldigheidsduur van twee jaar.

Ieder personeelslid dat met de installatie of de herstelling van analoge tachografen is belast, dient bovenop de opleiding inzake de digitale tachograaf de in artikel 25 bedoelde uitbreidingscursus inzake de analoge tachograaf te volgen.

Het aanvullend opleidingsattest inzake de analoge tachograaf blijft permanent geldig.

Opleidingsattesten inzake de analoge tachograaf die werden bekomen vóór de inwerkingtreding van dit besluit, worden geacht permanent geldig te blijven.

Iedere wijziging van gekwalificeerd personeel wordt onmiddellijk ter kennis van de administratie gebracht, met vermelding van de datum waarop de wijziging heeft plaatsgehad.

Een houder beschikt slechts over één enkele werkplaatskaart en hij gebruikt ze enkel in het kader van de activiteiten van de werkplaats aan wie ze werd toegekend.

Art. 25. De Minister duidt de opleidingsinstellingen aan die moeten voldoen aan de volgende voorwaarden :

1° de opleidings- en vervolmakingscursussen worden door opleidingsinstellingen in specifieke lokalen verstrekt op basis van een programma, dat werd goedgekeurd door de Minister of zijn afgevaardigde;

2° de lesgevers van de in punt 1° bedoelde instellingen leveren het bewijs van hun ervaring op het gebied van tachografen en van een continue specifieke bijscholing verstrekt door de tachograaffabrikanten;

3° het opleidingsprogramma omvat : de toepassing van de vigerende regelgeving, de bijgewerkte technische specificaties van de tachograaf, de overdracht van de gegevens en de informaticatoepassingen nodig voor de technische ingrepen, de programmering en de verzegeling. De opleiding wordt afgesloten met een evaluatieproef;

4° de aanwezigheid op de cursus is verplicht. De opleidingssessies worden georganiseerd voor groepen van maximum twaalf personen. De basiscursussen inzake de digitale tachograaf omvatten minstens twintig uur opleiding en de vervolmakingscursussen inzake de digitale tachograaf omvatten minstens zeven uur opleiding. De uitbreidingscursus inzake de analoge tachograaf omvat minstens zeven uur opleiding. Het didactisch materieel voor de cursussen omvat, per groep van twee personen, tenminste de volgende elementen :

— één computer aangepast aan de geactualiseerde informaticatoepassingen van de tachograaf;

— één technische uitrusting voor de activering, de programmering en de ijking van de tachograaf en de overbrenging van de gegevens.

De technische handboeken en de gebruiksaanwijzingen van de tachograaf worden aan iedere deelnemer overhandigd;

5° het programma, de inhoud van de opleidingscursussen alsook de evaluatieproeven worden ter goedkeuring voorgelegd aan de administratie;

6° minstens vijftien dagen vóór elke sessie die zij organiseren, bezorgen de opleidingsinstellingen de data, de thema’s, de plaatsen en de naam van de lesgevers aan de administratie;

7° iedere kandidaat die met vrucht een opleidingscursus gevolgd heeft, krijgt van de opleidingsinstelling een attest waarvan het model door de administratie wordt vastgesteld; een kopie ervan wordt binnen de vijftien dagen naar de administratie gestuurd;

8° de opleidingsinstellingen houden een register bij van alle georganiseerde sessies alsook van de deelnemers.

Onderafdeling 4. — Inspectie van de erkende werkplaatsen

Art. 26. De hiertoe gemachtigde ambtenaren van de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer kunnen te allen tijde en overal de erkende werkplaatsen controleren.

De Minister kan, onder de voorwaarden vastgesteld in bijlage III, bevoegde instellingen erkennen om de in het eerste lid bedoelde controles uit te voeren. Deze instellingen zijn niet betrokken bij de fabricatie, de invoer of het in de handel brengen van tachografen.

Onderafdeling 5. — Inspectie van de tachograafplichtige voertuigen

Art. 27. De voertuigen, onderworpen aan het in artikel 2 van Verordening 561/2006 bedoelde toepassingsgebied, ondergaan minstens om de twee jaar een inspectie van de tachograaf en van zijn installatie in haar geheel, overeenkomstig artikel 23 van Verordening 165/2014. Deze inspectie gebeurt met inbegrip van een ijking. Bij deze inspectie moet de installateur het installatieplaatje vernieuwen.

De in het eerste lid bedoelde inspectie vindt eveneens plaats :

— bij het in verkeer brengen of bij het opnieuw in verkeer brengen van het voertuig;

— na elke herstelling, na elke wijziging van de karakteristieke coëfficiënt van het voertuig of van de effectieve bandenomtrek of wanneer het UTC uurwerk een afwijking vertoont van meer dan twintig minuten;

— telkens wanneer een in artikel 47, § 1, bedoelde controleambtenaar het eist. Wanneer de tachograaf conform bevonden wordt met de bepalingen van de Verordening 165/2014, zijn de inspectiekosten ten laste van de Staat.

Art. 28. Op het installatieplaatje staan de volgende vermeldingen :

— naam, adres en erkenningsnummer van de installateur;

— de bandenmaat van de aangedreven wielen;

— de gemiddelde effectieve bandenomtrek van de aangedreven wielen in de vorm van ″l = ... mm″;

— de kenmerkende coëfficiënt van het voertuig in de vorm van ″w = ... omw/km″ of ″w = ... imp/km″;

— de constante van de tachograaf, in de vorm van ″k = ... mw/km″ of ″k = ... imp/km″;

— het chassisnummer van het voertuig;

— het serienummer van de tachograaf;

— de datum waarop de kenmerkende coëfficiënt van het voertuig en van de effectieve bandenomtrek van de aangedreven wielen opgemeten is.

Het model van het installatieplaatje wordt bepaald door de administratie.

Afdeling 3. — Tachograafkaarten en -gegevens

Art. 29. § 1. De tachograafkaarten bestaan uit vier types :

— bestuurderskaart;

— bedrijfskaart;

— werkplaatskaart;

— controlekaart.

De tachograafkaarten worden aangevraagd bij de bevoegde instantie waarvan de gegevens worden bekendgemaakt op de website van de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer.

De bestuurderskaarten en de werkplaatskaarten zijn respectievelijk vijf en één jaar geldig.

§ 2. De tachograafkaarten blijven eigendom van de Staat en worden ter beschikking gesteld van de houders.

§ 3. De tachograafkaarten worden geweigerd of ongeldig verklaard door de bevoegde instantie wanneer de aanvragers of de houders niet of niet meer, geheel of gedeeltelijk, aan de verkrijgingsvoorwaarden voldoen of wanneer de houders ze verkregen hebben op basis van valse, onjuiste of onvolledige verklaringen.

§ 4. Voor de aflevering van tachograafkaarten, is een retributie verschuldigd van :

— 65 euro voor een bestuurderskaart;

— 150 euro voor een bedrijfskaart;

— 225 euro voor een werkplaatskaart.

De controlekaart wordt gratis afgeleverd.

Art. 30. § 1. De erkende werkplaats duidt de natuurlijke personen aan die aan de voorwaarden van artikel 24, tweede en /of vierde lid voldoen.

De werkplaatskaarten worden afgegeven aan de erkende werkplaats die erom verzoekt. Ze zijn persoonlijk en onoverdraagbaar.

§ 2. De geheime code verbonden aan de werkplaatskaart, is persoonlijk. Hij wordt verstrekt aan de houder van een werkplaatskaart en mag niet medegedeeld worden aan een andere persoon.

§ 3. De werkplaatskaart mag de werkplaats niet verlaten behalve voor externe activiteiten die rechtstreeks verbonden zijn aan de activiteiten van de werkplaats en voor de duur ervan. Wanneer ze niet gebruikt wordt, wordt ze in het beveiligde tachograaflokaal bewaard.

§ 4. De erkende werkplaats is verantwoordelijk voor het gebruik van de kaarten door haar personeel en de teruggave van de werkplaatskaarten waarover zij beschikt.

§ 5. Bij verbreking van de arbeidsovereenkomst tussen een erkende werkplaats en de houder van een werkplaatskaart of wanneer de houder zijn activiteiten stopzet, wordt de werkplaatskaart binnen de acht dagen terugbezorgd aan de bevoegde instantie.

Art. 31. De controleambtenaren bedoeld in artikel 47, § 1, beschikken over een controlekaart.

Art. 32. § 1. Het verlies of de diefstal van een in België afgegeven kaart maakt het voorwerp uit van een verklaring van onvrijwillige buitenbezitstelling bij de politie. Het attest van onvrijwillige buitenbezitstelling afgegeven door de politie wordt gevoegd bij de aanvraag tot vervanging.

§ 2. Bij verlies of diefstal van een kaart uitgereikt door een buitenlandse instantie, en wanneer de feiten zich op Belgisch grondgebied hebben voorgedaan, wordt de verklaring van onvrijwillige buitenbezitstelling afgelegd bij de politie.

§ 3. De kaarten waarvan de geldigheidsduur verstreken is of die niet meer worden gebruikt, worden door de houder aan de bevoegde instantie terugbezorgd binnen de zes weken volgend op de vervaldatum of het einde van het gebruik.

Art. 33. § 1. Niemand mag een als verloren of gestolen gemelde kaart gebruiken.

§ 2. De kaarten worden in beslag genomen door de in artikel 47 bedoelde controleambtenaren en ingetrokken door de bevoegde instantie wanneer de kaart vervalst is, wanneer de bestuurder een kaart gebruikt waarvan hij niet de houder is of wanneer de kaart bekomen werd op basis van valse verklaringen en/of vervalste documenten.

Art. 34. § 1. De in het geheugen van de voertuigunit opgeslagen gegevens worden door het bedrijf overgebracht naar een beveiligd extern opslagmedium ten minste om de twee maanden te rekenen vanaf de laatste overbrenging.

§ 2. Indien het voertuig uit het verkeer wordt genomen of ter beschikking wordt gesteld van een ander bedrijf in welke vorm dan ook, worden de in het geheugen van de voertuigunit opgeslagen gegevens overgebracht voor de lopende periode sinds de laatste overbrenging.

§ 3. De in het geheugen van de bestuurderskaart opgeslagen gegevens worden overgebracht naar een beveiligd extern opslagmedium ten minste om de eenentwintig dagen, te rekenen vanaf de laatste overbrenging.

§ 4. De in het geheugen van de bestuurderskaart opgeslagen gegevens worden overgebracht voor de lopende periode sinds de laatste overbrenging, wanneer de bestuurder zijn activiteiten binnen het bedrijf stopzet of vóór de kaart voor vervanging of vernieuwing naar de bevoegde instantie teruggestuurd wordt.

Een overbrenging van de gegevens over een bepaalde periode kan door de in artikel 47, §§ 1 en 2 bedoelde controleambtenaren geëist worden.

Art. 35. Het bedrijf bewaart de overgebrachte gegevens ten minste vijf jaar.

De overgebrachte gegevens uit het geheugen van de voertuigunit van alle voertuigen van een zelfde bedrijf en uit het geheugen van de bestuurderskaart van alle door dit bedrijf tewerkgestelde bestuurders, worden bewaard op een zelfde beveiligde plek, waartoe slechts gerechtigde personen toegang hebben.

Art. 36. Noch de overbrenging, noch de bewaring van de gegevens mag deze wijzigen of aantasten.

Art. 37. Op verzoek van de in artikel 47, § 1, bedoelde controleambtenaren worden de door de bedrijven of werkplaatsen overgebrachte gegevens hun ter beschikking gesteld voor analysedoeleinden.

Deze ambtenaren kunnen op hun beurt de gegevens overbrengen naar hun eigen opslagmedium voor verdere analyse.

Art. 38. Indien een bestuurder omwille van objectieve technische redenen geen geregistreerde gegevens kan voorleggen, mag hij met het attest “verklaring van activiteiten” aantonen dat hij :

— geen voertuig heeft kunnen besturen ingevolge ziekte, rust of vakantie;

— een voertuig heeft bestuurd waarop Verordening 561/2006 niet van toepassing is;

— andere werkzaamheden heeft verricht;

— beschikbaar was voor de onderneming.

Ingeval van het eerste lid moet het formulier gebruikt worden dat werd ingevoerd bij het besluit 2009/959/EU van de Commissie van 14 december 2009 tot wijziging van Beschikking 2007/230/EG tot vaststelling van een formulier in het kader van de sociale wetgeving met betrekking tot het wegvervoer.

HOOFDSTUK 3. — Rij- en rusttijden

Art. 39. Voor nationaal vervoer verricht binnen een straal van 50 kilometer rond de standplaats van het voertuig, met inbegrip van het grondgebied van de gemeenten waarvan het centrum binnen die straal ligt, wordt de minimumleeftijd van de bijrijders teruggebracht tot 16 jaar, op voorwaarde dat zulks geschiedt met het oog op de beroepsopleiding en binnen de grenzen van de nationale arbeidswetgeving.

Art. 40. De artikelen 5 tot 9 van Verordening 561/2006 zijn niet van toepassing op het vervoer dat wordt verricht met :

a) voertuigen van, of zonder bestuurder gehuurd door, de overheid voor het verrichten van wegvervoer dat de particuliere vervoersondernemingen niet beconcurreert;

b) voertuigen voor goederenvervoer van, of zonder bestuurder gehuurd door, landbouw-, tuinbouw-, bosbouw-, veeteelt- of visserijbedrijven die in het kader van hun eigen bedrijvigheid worden gebruikt voor ritten binnen een straal van 100 km rond de vestigingsplaats van het bedrijf;

c) land- en bosbouwtrekkers die worden gebruikt voor land- of bosbouwwerkzaamheden, binnen een straal van 100 km rond de vestigingsplaats van het bedrijf dat het voertuig bezit, huurt of least;

d) voertuigen of combinaties van voertuigen met een toegestane maximummassa van ten hoogste 7,5 ton, die worden gebruikt door leveranciers van de universele dienst als gedefinieerd in artikel 2, punt 13, van Richtlijn 97/67/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 december 1997 betreffende gemeenschappelijke regels voor de ontwikkeling van de interne markt voor postdiensten in de Gemeenschap en de verbetering van de kwaliteit van de dienst voor het bezorgen van goederen in het kader van de universele dienst.

Deze voertuigen mogen alleen binnen een straal van 100 km rond de vestigingsplaats van het bedrijf worden gebruikt en op voorwaarde dat dit vervoer niet de hoofdactiviteit van de bestuurder is;

e) voertuigen die worden gebruikt voor autorijlessen en -examens met het oog op het behalen van een rijbewijs of een getuigschrift van vakbekwaamheid, voor zover ze niet worden gebruikt voor het commerciële goederen- of personenvervoer;

f) voertuigen die worden gebruikt in verband met de rioleringsdienst, diensten ter bescherming tegen overstromingen, diensten met betrekking tot de water-, gas- of elektriciteitsvoorziening, het onderhoud van en het toezicht op wegen, de huis-aanhuisophaling en verwijdering van huishoudelijk afval, diensten van telegrafie en telefonie, radio- en televisie-uitzendingen, evenals voor de opsporing van zend- of ontvangstapparatuur voor radio en televisie;

g) voertuigen met 10 tot 17 zitplaatsen die uitsluitend worden gebruikt voor niet-commercieel personenvervoer;

h) speciaal voor het vervoer van circus- of kermismateriaal uitgeruste voertuigen;

i) speciaal uitgeruste voertuigen voor mobiele projecten, die in stilstand voornamelijk als educatieve inrichting bedoeld zijn;

j) voertuigen voor het ophalen van melk op de boerderijen en het terugbrengen van melkbussen of zuivelproducten voor de veevoeding naar de boerderijen;

k) speciaal voor geld- en/of waardetransporten uitgeruste voertuigen;

l) voertuigen gebruikt voor het vervoer van niet voor menselijke consumptie bestemde geslachte dieren of slachtafval;

m) voertuigen die uitsluitend gebruikt worden op wegen binnen hubfaciliteiten, zoals havens, intermodale overslaghavens en spoorwegterminals;

n) voertuigen voor het vervoer van levende dieren van de boerderijen naar de plaatselijke markten en omgekeerd, of van de markten naar de plaatselijke slachthuizen binnen een straal van 100 km.

Art. 41. Het is niet verplicht om de verkorting van wekelijkse rusttijd te compenseren zoals voorzien in artikel 8, lid 6, tweede streepje van Verordening 561/2006, bij gebruik van voertuigen voor truckruns :

parades met filantropisch en niet-commercieel karakter, waarbij vrachtwagenchauffeurs onbetaald en op trage snelheid een stad of meerdere dorpen in België met gehandicapte kinderen aan boord doorkruisen.

De bestuurders kunnen slechts eenmaal per jaar, op vrijwillige wijze, deelnemen aan deze truckruns, die zich enkel kunnen afspelen in het weekend.

Deze niet-commerciële verplaatsingen mogen noch een concurrentievoordeel opleveren voor de ondernemingen die eraan deelnemen, noch een negatieve invloed hebben op de verkeersveiligheid.

Zowel het ingevulde deelnemersformulier als een afschrift van het besluit van de Europese Commissie van 22 juni 2011 waarbij België wordt gemachtigd een uitzondering toe te staan op de toepassing van artikel 8 van Verordening 561/2006, dienen zich in het voertuig te bevinden. Beide documenten zijn beschikbaar op de website van de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer.

HOOFDSTUK 4. — Arbeidstijd van de zelfstandige bestuurders

Art. 42. Voor de toepassing van dit besluit gelden voor bestuurders die niet aan de definitie van “zelfstandige bestuurder” voldoen, dezelfde plichten en rechten als die welke ter uitvoering van Richtlijn 2002/15 voor mobiele werknemers zijn vastgesteld.

Art. 43. De gemiddelde wekelijkse arbeidstijd van de zelfstandige bestuurders mag de achtenveertig uur niet overschrijden. De maximale wekelijkse arbeidstijd mag alleen dan tot zestig uur worden verhoogd, wanneer over een periode van zes maanden het gemiddelde van achtenveertig uur per week niet wordt overschreden.

Worden niet als arbeidstijd beschouwd :

1. de beschikbaarheidstijd zoals bepaald in artikel 3, b) van de Richtlijn 2002/15, dat wil zeggen :

a) andere periodes dan pauzes of rusttijden, waarin de zelfstandige bestuurder niet op de werkplek hoeft te blijven, doch beschikbaar moet zijn om gevolg te kunnen geven aan eventuele oproepen om de rit aan te vatten of te hervatten, of om andere werkzaamheden uit te voeren;

b) de periodes waarin de zelfstandige bestuurder een per veerboot of trein vervoerd voertuig begeleidt;

c) de wachttijden aan grenzen of bij het laden en/of lossen;

d) de wachttijden ten gevolge van rijverboden;

e) de tijd die de zelfstandige bestuurder, bij meervoudige bemanning, gedurende de rit doorbrengt naast de bestuurder of in een slaapcabine;

2. de meertijd die de zelfstandige bestuurder nodig heeft om de afstand af te leggen van en naar de plaats waar het voertuig zich bevindt indien dit niet op de gebruikelijke plaats is gestald;

3. de wachttijden die verband houden met tol-, quarantaine- of medische aangelegenheden;

4. de tijd gedurende dewelke de zelfstandige bestuurder aan boord of in de nabijheid van het voertuig verblijft ten einde de veiligheid van het voertuig en de goederen of passagiers te verzekeren, maar geen arbeid presteert;

5. de tijd gewijd aan de eetmalen;

6. de tijd die overeenstemt met de onderbreking van de rijtijden bedoeld in artikel 7 van Verordening 561/2006;

7. de tijd gedurende dewelke geen arbeid verricht wordt, maar tijdens dewelke de aanwezigheid aan boord of in de nabijheid van het voertuig vereist is teneinde de verkeersreglementering na te komen of de verkeersveiligheid te waarborgen.

Art. 44. Indien nachtarbeid wordt verricht door zelfstandige bestuurders, mag de dagelijkse arbeidstijd niet meer bedragen dan tien uur per periode van vierentwintig uur.

Art. 45. Onverminderd het beschermingsniveau van Verordening 561/2006 of, bij niet toepassing ervan, van de AETR , mogen de zelfstandige bestuurders in geen enkel geval langer werken dan zes opeenvolgende uren zonder pauze. De arbeidstijd wordt onderbroken door een pauze van ten minste dertig minuten, indien het totaal aantal arbeidsuren zes tot negen uur bedraagt, en van ten minste vijfenveertig minuten, indien het totaal aantal uren meer dan negen uur bedraagt. De pauzes kunnen worden onderverdeeld in perioden van ten minste vijftien minuten.

HOOFDSTUK 5. — Sancties en controle

Art. 46. De inbreuken op Verordening 561/2006, Verordening 165/2014, de AETR en dit besluit, vastgesteld in België of aangegeven door de bevoegde overheid van een andere lidstaat of van een derde land, worden bestraft overeenkomstig de artikelen 2 en 2bis van de wet van 18 februari 1969 betreffende de maatregelen ter uitvoering van de internationale verdragen en akten inzake vervoer over zee, vervoer over de weg, de spoorweg of de waterweg of de artikelen 4 en 4bis van de wet van 21 juni 1985 betreffende de technische eisen waaraan elk voertuig voor vervoer te land, de onderdelen ervan evenals het veiligheidstoebehoren moeten voldoen, ook als de inbreuk is begaan op het grondgebied van een andere lidstaat of van een derde land, al naargelang zij betrekking hebben op het gebruik van de tachograaf of op zijn technische kenmerken.

Art. 47. § 1. Met het opsporen en vaststellen van de inbreuken op de bepalingen van Verordening 561/2006, van Verordening 165/2014 en van dit besluit worden belast :

1° het personeel van het operationele kader van de federale politie en van de lokale politie;

2° de ambtenaren van het Directoraat-generaal Wegvervoer en Verkeersveiligheid van de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer, bekleed met de hoedanigheid van gerechtelijke politie;

3° de ambtenaren van de Administratie der Douane en Accijnzen;

4° de sociale inspecteurs en sociale controleurs die toezien op de sociale wetten van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg.

§ 2. Met het opsporen en vaststellen van de inbreuken op de bepalingen van Verordening 561/2006 en van de hoofdstukken 3 en 4 van dit besluit worden belast :

1° de sociale inspecteurs en sociale controleurs van de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid;

2° de sociale inspecteurs en sociale controleurs van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid.

§ 3. Met het opsporen en vaststellen van de inbreuken op de bepalingen van het hoofdstuk 4 van dit besluit worden belast : de bevoegde controleambtenaren van de Algemene Directie Controle en Bemiddeling van de Federale Overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie.

Art. 48. Controles uitgevoerd op basis van door de ondernemingen verstrekte documenten of relevante gegevens ten kantore van de controlediensten of in de administratieve verblijfplaats van het personeel, de inspecteurs en de ambtenaren opgesomd in artikel 47, worden beschouwd als controles ter plaatse bij de ondernemingen.

Art. 49. De bevoegde personen bedoeld in artikel 47 kunnen het voertuig bestuurd door de dader van één of meer inbreuken op de bepalingen van Verordening 561/2006, Verordening 165/2014, de AETR of dit besluit op kosten en risico van de dader van de inbreuk immobiliseren tot aan de oorzaak van de inbreuk wordt verholpen.

HOOFDSTUK 6. — Slotbepalingen

Art. 50. § 1. In bijlage 1 bij het koninklijk besluit van 19 juli 2000 betreffende de inning en de consignatie van een som bij het vaststellen van sommige inbreuken inzake het vervoer over de weg, vervangen bij koninklijk besluit van 19 juli 2013 en gewijzigd bij koninklijk besluit van 19 april 2014, in c) “Rij- en rusttijden”, worden :

— in het punt 7 de woorden “KB van 9.4.2007 (9), art. 6/2” vervangen door de woorden “KB van ... (9), art. 43”;

— in voetnoot 9 de woorden “Koninklijk besluit van 9 april 2007 houdende uitvoering van de Verordening (EG) nr. 561/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2006 tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer, tot wijziging van Verordeningen (EEG) nr. 3821/85 en (EG) nr. 2135/98 van de Raad en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 3820/85 van de Raad” vervangen door de woorden “Koninklijk besluit van ... inzake de tachograaf en de rij- en rusttijden.”

De datum van het Koninklijk besluit werd niet ingevuld bij de publicatie in het Belgisch Staatsblad. De puntjes moeten gelezen worden als "17 oktober 2016".

§ 2. In bijlage 1 bij hetzelfde koninklijk besluit, worden de woorden “d) Registratiebladen”, “e) Tachograaf”, “f) Bestuurderskaart (in het geval de bestuurder een voertuig met digitale tachograaf bestuurt)”, “g) Bestuurderskaart (in het geval dat de bestuurder een voertuig met analoge tachograaf bestuurt)” en “h) Afdruk van de door de digitale tachograaf geregistreerde gegevens”, met inbegrip van de daarbij horende tabellen, vervangen door de tabellen in bijlage IV bij dit besluit.

Art. 51. Opgeheven worden :

— het koninklijk besluit van 14 juli 2005 houdende uitvoering van de verordening (EEG) nr. 3821/85 van 20 december 1985 betreffende het controleapparaat in het wegvervoer, met uitzondering van artikel 14, § 3;

— het koninklijk besluit van 9 april 2007 houdende uitvoering van verordening (EG) nr. 561/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2006 tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer, tot wijziging van verordeningen (EEG) nr. 3821/85 en (EG) nr. 2135/98 van de Raad en tot intrekking van verordening (EEG) nr. 3820/85 van de Raad en houdende gedeeltelijke omzetting van de Richtlijn 2002/15/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2002 betreffende de organisatie van de arbeidstijd van personen die mobiele werkzaamheden in het wegvervoer uitoefenen.

Verwijzingen naar de ingetrokken koninklijke besluiten gelden als verwijzingen naar dit besluit.

Art. 52. Dit besluit treedt in werking de dag waarop het in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.

Art. 53. De minister bevoegd voor het Vervoer over de weg, de minister bevoegd voor Economie, de minister bevoegd voor Binnenlandse Zaken, de minister bevoegd voor Justitie, de minister bevoegd voor Sociale Zaken, de minister bevoegd voor Financiën en de minister bevoegd voor de Bestrijding van sociale fraude, zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.

Bijlage I. – VOORWAARDEN OM DE ERKENNING ALS INSTALLATEUR OF HERSTELLER VAN TACHOGRAFEN TE BEKOMEN

A. SPECIFIEKE BEPALINGEN BETREFFENDE DE ERKENNING ALS INSTALLATEUR VAN ANALOGE TACHOGRAFEN

De erkenning in de hoedanigheid van installateur is onderworpen aan het bezit, op het tijdstip van de indiening van het verzoek, van de volgende uitrusting:

I. Ten aanzien van de controle van de tachografen vóór de opstelling in de voertuigen :

a) een snelheidssimulator die het gehele meetbereik van de op te stellen tachografen kan doorlopen. De meetresultaten in omwentelingen per km moeten op één omwenteling na en de snelheden in 0,1 km/h afleesbaar zijn;

b) een geschikte gelijkspanningsbron;

c) een afleesinrichting voor de registratiebladen (schijven) met een ingebouwd vergrootglas;

d) een voorraad geschikte registratiebladen voor de te installeren tachografen.

Deze uitrusting bevindt zich in een lokaal dat bestemd is voor de bedoelde werkzaamheden, metingen en controles.

II. Ten aanzien van de opstelling in de voertuigen :

a) een meetbaan van min. 20 m nuttige lengte op een horizontale en vlakke grond, steeds beschikbaar binnen het bedrijf voor de bepaling van de coëfficiënt ″ w ″ met een nauwkeurigheid van 0,25 %. In geval van overmacht behoorlijk vastgesteld is een meetbaan in de onmiddellijke nabijheid van het bedrijf toegestaan.

De begin- en eindmerken worden op een zichtbare, onuitwisbare en onverplaatsbare wijze aangebracht;

b) een richtspriet;

c) een stalen lint, dubbele decameter waarvoor een kalibreringsattest werd afgeleverd of die in de nauwkeurigheidsklasse II, werd geijkt, schaaldeel 0,5 cm of minder;

d) een manometer voor het nazicht van de bandendruk en een oppompsysteem waarmede de door de fabrikanten van banden en voertuigen voorgeschreven druk kan bereikt worden. Deze manometer, met geschikt meetbereik, mag geen schaaldeelwaarde vertonen van meer dan 0,25 bar en de miswijzing mag niet meer bedragen dan 2 % van de bovengrenswaarde van de meetschaal;

e) een drievoet met een aftekeningsas voor het aanbrengen van de merktekens op de banden, en op de grond, of een schietlood;

f) een impulsenteller met een schaaldeel van 1 impuls of minder;

g) het vereiste gereedschap voor het plaatsen van de tachograaf in het voertuig;

h) een uitgemeten traject van :

— minstens 5 km voor de analoge totalisators;

— minstens 10 km voor de digitale totalisators voor de eindcontrole van de opstellingen;

i) een kaartsysteem bestemd voor het klasseren en het bewaren van de werkdocumenten naar het model bepaald door de Minister of zijn afgevaardigde. Deze documenten moeten voor ieder voertuig worden opgemaakt en aangevuld met het registratieblad waarop de gegevens voorkomen van al de proeven die werden uitgevoerd bij elke tussenkomst;

j) een voorraad te klinken of bij poging tot verwijdering, zelfvernietigende installatieplaatjes en controleplaatjes om in het voertuig nabij de tachograaf te plaatsen;

k) het gereedschap en het materiaal voor de verzegeling van de installatie;

l) een bijgehouden technische documentatie;

m) een stempel voor de verzegeling van de mechanische aanpassingsorganen;

n) een pers of speciale tang voor het vervaardigen van kabels en bekledingen ervan;

o) een voorraad tandraderen en dozen voor de aanpassingsorganen.

Het in de punten a), b), c), e) en f) genoemd materiaal of uitrusting of gedeelte ervan is niet vereist wanneer de installateur gebruik maakt van een geschikte proefbank, die toelaat dezelfde prestaties met een even grote nauwkeurigheid te leveren.

Het in de punten n) en o) genoemd materiaal is niet vereist wanneer de installateur een beroep doet op een externe leverancier voor de vervaardiging van de kabels en de dozen voor de aanpassingsorganen.

Bovendien moet de aanvrager het bewijs leveren dat ten minste één personeelslid een opleiding als installateur voor analoge tachografen gevolgd heeft.

B. SPECIFIEKE BEPALINGEN BETREFFENDE DE ERKENNING ALS HERSTELLER VAN ANALOGE TACHOGRAFEN

De erkenning in de hoedanigheid van hersteller van tachografen is onderworpen aan het bezit, op het tijdstip van de indiening van het verzoek, van de volgende uitrusting :

a) een snelheidssimulator die het gehele meetbereik van de op te stellen tachografen kan doorlopen. De meetresultaten in omwentelingen per km moeten op één omwenteling na en de snelheden in 0,1 km/h afleesbaar zijn;

b) een geschikte gelijkspanningsbron;

c) een toestel waarmede ogenblikkelijk de afwijking van de tijdbasis van de tachografen kan bepaald worden;

d) een afleesinrichting voor de registratiebladen met een ingebouwd vergrootglas;

e) de nodige uitrusting voor het uitvoeren van de herstellingen;

f) een voorraad oorspronkelijke onderdelen;

g) een voorraad registratiebladen voor de te herstellen tachografen;

h) een kaartsysteem bestemd voor het klasseren en het bewaren van de werkdocumenten naar het model bepaald door de Minister of zijn afgevaardigde. Deze documenten moeten voor iedere tachograaf worden opgemaakt en aangevuld met het registratieblad waarop de gegevens voorkomen van al de proeven die werden uitgevoerd bij een herstelling of een controle;

i) het gereedschap voor de inwendige verzegeling van de tachografen;

j) een bijgehouden technische documentatie.

De hierboven genoemde uitrusting bevindt zich in een lokaal dat bestemd is voor de bedoelde werkzaamheden, metingen en controles.

Bovendien moet de aanvrager het bewijs leveren dat ten minste één personeelslid een opleiding als hersteller voor analoge tachografen gevolgd heeft.

C. SPECIFIEKE BEPALINGEN BETREFFENDE DE ERKENNING ALS INSTALLATEUR VAN DIGITALE TACHOGRAFEN

De erkenning in de hoedanigheid van installateur is onderworpen aan het bezit, op het tijdstip van de indiening van het verzoek (met uitzondering van I. a), van de volgende uitrusting :

I. Ten aanzien van de controle van de tachografen :

a) een standaard uithangbord dat de onderneming identificeert als erkend installateur van digitale tachografen. Dit wordt op een goed zichtbare plaats buiten het gebouw geplaatst na ontvangst van de erkenning. Het model ervan wordt bepaald door de administratie;

b) een proper lokaal voorbehouden voor de technische behandelingen. Dit lokaal wordt afgesloten door vaste wanden en een deur die op slot kan. Dit lokaal is slechts toegankelijk voor het erkend personeel van de werkplaats. Bovendien moet het lokaal uitgerust zijn met een kast of een brandkast die op slot kunnen, met het oog op de bewaring van de werkplaatskaarten.

c) een computer waarvan de kenmerken aangepast zijn aan de geactualiseerde informaticatoepassingen van de tachograaf;

d) een technische uitrusting voor de indienststelling, de programmering, de kalibrering en de overbrenging van de gegevens van de controleapparaten;

e) een radiogestuurd uurwerk;

f) een toestel waarmede ogenblikkelijk de afwijking van de tijdbasis van de tachografen kan bepaald worden;

g) een kabel die de verbinding toelaat tussen de tachograaf en de opnemer langs buiten zonder gebruik te maken van de bestaande installatie;

h) een kaartsysteem bestemd voor het klasseren en het bewaren van de werkdocumenten naar het model bepaald door de Minister of zijn afgevaardigde.

i) een bijgehouden technische documentatie.

II. Ten aanzien van de installatie in het voertuig :

de uitrustingen waarvan sprake in de punten A.II.a ) tot A.II.l).

De in de punten A.II. a), b), c), e) en f) genoemd materiaal of uitrusting of gedeelte ervan is niet vereist wanneer de installateur gebruik maakt van een geschikte proefbank, die toelaat dezelfde prestaties met een even grote nauwkeurigheid te leveren.

Bovendien moet de aanvrager het bewijs leveren dat ten minste twee personeelsleden een opleiding als installateur voor digitale tachografen gevolgd hebben.

D. SPECIFIEKE BEPALINGEN BETREFFENDE DE ERKENNING ALS HERSTELLER VAN DIGITALE TACHOGRAFEN

De erkenning in de hoedanigheid van hersteller van tachografen is onderworpen aan het bezit, op het tijdstip van de indiening van het verzoek, van de volgende uitrusting :

a) een proper lokaal voor de technische behandelingen. Dit lokaal wordt afgesloten door vaste wanden en een deur die op slot kan. Dit lokaal is slechts toegankelijk voor de erkende herstellers van de werkplaats. Bovendien moet het lokaal uitgerust zijn met een kast of een brandkast die op slot kunnen, met het oog op de bewaring van het verzegelingsgereedschap, de werkplaatskaarten, alle documenten betreffende de activiteit en de technische behandelingen en de informaticadragers betreffende de overgebrachte gegevens, met uitsluiting van de back-ups;

b) een computer waarvan de kenmerken aangepast zijn aan de geactualiseerde informaticatoepassingen van de tachograaf;

c) een proefbank voor de tachograaf;

d) een technische uitrusting voor de indienststelling, de programmering en de overbrenging van de gegevens van de tachografen;

e) een toestel waarmede ogenblikkelijk de afwijking van de tijdbasis van de tachografen kan bepaald worden;

f) de technische handboeken en de gebruiksaanwijzingen van de tachograaf;

g) een kaartsysteem bestemd voor het klasseren en het bewaren van de werkdocumenten naar het model bepaald door de Minister of zijn afgevaardigde. Deze documenten worden voor elke tachograaf opgemaakt en omvatten al de proeven die werden uitgevoerd bij een herstelling of een controle;

h) de nodige uitrusting voor het uitvoeren van de herstellingen;

i) een voorraad oorspronkelijke onderdelen;

j) het gereedschap voor de inwendige verzegeling van de tachografen;

k) een bijgehouden technische documentatie.

Bovendien moet de aanvrager het bewijs leveren dat ten minste één personeelslid een opleiding als hersteller voor digitale tachografen gevolgd heeft.

Bijlage II.

Bijlage III. – ERKENNINGSVOORWAARDEN VOOR DE CONTROLE-INSTELLINGEN VAN DE ERKENDE WERKPLAATSEN VOOR HET INSTALLEREN EN HERSTELLEN VAN TACHOGRAFEN

Deze bijlage bepaalt de voorwaarden waarop instellingen van de Minister of zijn afgevaardigde een erkenning kunnen krijgen om de controle te verrichten bij de erkende installateurs en herstellers van tachografen, alsook de verificatie en de ijking van de apparaten die zij gebruiken.

1. Een instelling die de in artikel 26 bedoelde erkenning aanvraagt, dient bij de Minister of zijn afgevaardigde een aanvraag in met opgave van :

— de statuten van de instelling alsook de namen van de zaakvoerders of bestuurders;

— de identiteit van de natuurlijke persoon of personen die door genoemde instelling aangesteld werd(en) om de controles, verificaties en ijkingen te verrichten;

— de stukken waarbij aangetoond wordt dat aan de in punt 2 vereiste voorwaarden voldaan is.

2. Om de erkenning te verkrijgen moet de aanvrager :

a) Aantonen dat hij :

— over adequate ruimten, het aangepaste materieel en de technische documentatie beschikt nodig om de verificatie of de ijking uit te voeren van de apparaten die door de installateurs en herstellers van tachografen gebruikt worden;

— over voldoende technisch personeel beschikt om de controles te verrichten en de continuïteit ervan te waarborgen. Het personeel moet de nodige opleiding, bekwaamheid, kennis en ervaring hebben voor het uitvoeren van de functies waarmee het belast is;

— voldoet aan de voorwaarden van ISO 17025;

b) zich ertoe verbinden om:

— de ambtenaren van de administratie op elk ogenblik toegang te verlenen tot de betrokken bedrijfsruimten;

— de ambtenaren van de administratie alle gegevens betreffende de aangewende methodes en technieken mee te delen;

— zijn meetstandaarden te laten kalibreren ter wille van de traceerbaarheid voor de nationale meetstandaarden.

3. De directeur van de erkende instelling en de met de opdrachten belaste personen mogen rechtstreeks noch onrechtstreeks belang hebben bij een vennootschap die bedrijvig is in de vervaardiging van of het in de handel brengen van tachografen.

4. De erkenningsaanvraag wordt onderzocht, waarna de erkenning wordt verleend voor een stilzwijgend verlengde periode van één jaar of wordt geweigerd.

5. Het behoud van de erkenning van de instelling is onderworpen aan het jaarlijks indienen van een activiteitenverslag vóór 31 januari van het volgend jaar bij de Minister of zijn afgevaardigde. Dit verslag omvat onder meer de lijst van de gecontroleerde instellingen en een statistische presentatie van de resultaten van die controles met vermelding van wat conform en wat niet conform de reglementering is.

6. De instellingen die de erkenning aanvragen, verbinden zich ertoe om een jaarlijkse controle te verrichten op de volgende punten :

— aanwezigheid en staat van materieel en infrastructuur vereist in de bijlage I;

— aanwezigheid van de werkplaatskaarten;

— geldigheid van de verificatie- en ijkingscertificaten van de apparaten;

— geldigheid van de opleidings- of vervolmakingsattesten;

— de werkfiches;

— de computerbestanden.

7. Deze instellingen kunnen op verzoek van de erkende werkplaats de apparaten ter plaatse of in hun ruimten verifiëren of ijken.

8. De instelling die de erkenning aanvraagt, verbindt zich ertoe om na afloop van de controle aan iedere gecontroleerde onderneming een rapport met de controleresultaten te overhandigen, evenals haar besluiten betreffende de conformiteit van de erkende werkplaats aan de geldende regels voor de installatie en herstelling van tachografen, met eventueel de nodige verbeteringen en correcties die zich opdringen. Een kopie van het controlerapport wordt systematisch overgezonden aan de administratie. Het model van het controlerapport wordt vooraf voor akkoord ter goedkeuring voorgelegd aan de Administratie.

9. Wanneer de controle één of meer ernstige non-conformiteiten aan het licht brengt, stelt de erkende instelling de administratie daarvan uitdrukkelijk in kennis.

10. Controles die niet overeenkomstig de bepalingen in deze bijlage zouden gebeuren, herhaalde kwaliteitsgebreken in de controles of het niet onmiddellijk kennis geven van de in punt 9. bedoelde vaststellingen kunnen de intrekking van de erkenning van de instelling tot gevolg hebben.

Bijlage IV. – Wijzingen aan het koninklijk besluit van 19 juli 2000 betreffende de inning en de consignatie van een som bij het vaststellen van sommige inbreuken inzake het vervoer over de weg

Opgenomen in bijlage 1 bij het koninklijk besluit van 19 juli 2000 betreffende de inning en de consignatie van een som bij het vaststellen van sommige inbreuken inzake het vervoer over de weg.