Koninklijk besluit van 18 september 2016

betreffende het internationaal wegvervoer van aan bederf onderhevige levensmiddelen en het gebruik van speciale vervoermiddelen bij dit vervoer en tot wijziging van het koninklijk besluit van 19 juli 2000 betreffende de inning en de consignatie van een som bij het vaststellen van sommige inbreuken inzake het vervoer over de weg

B.S. 24.10.2016

HOOFDSTUK 1. — Het internationaal wegvervoer van aan bederf onderhevige levensmiddelen en het gebruik van speciale vervoermiddelen bij dit vervoer (ATP)

Afdeling 1. — Definities

Artikel 1. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder :

1° Overeenkomst : de Overeenkomst inzake het internationaal vervoer van aan bederf onderhevige levensmiddelen en het gebruik van speciale vervoermiddelen bij dit vervoer (ATP), opgemaakt te Genève op 1 september 1970 en goedgekeurd bij de wet van 11 juli 1979, in de versie die van kracht is;

2° ATP-certificaat : het certificaat bedoeld in artikel 4, § 2;

3° ATP-plaat : plaat zoals bedoeld in punt B van aanhangsel 3 van bijlage 1 van de ATP Overeenkomst;

4° Directoraat-generaal : de directie van de diensten van de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer die voor het wegverkeer bevoegd is;

5° vervoermiddel : het vervoermiddel bedoeld in artikel 2, eerste lid;

6° Minister : de minister bevoegd voor het vervoer over de weg.

Afdeling 2. — Gelijkvormigheidscontrole

Art. 2. Voor het internationaal wegvervoer overeenkomstig artikel 3 van de Overeenkomst van aan bederf onderhevige levensmiddelen bedoeld in de Bijlagen 2 en 3 van de Overeenkomst, worden enkel “geïsoleerde”, “niet-mechanisch gekoelde”, “mechanisch gekoelde” of “verwarmde“ vervoermiddelen gebruikt die beantwoorden aan de definities en de normen vermeld in Bijlage 1 van de Overeenkomst en worden de bepalingen van de Bijlagen 2 en 3 van de Overeenkomst nageleefd.

De bepalingen van het eerste lid zijn niet van toepassing indien de temperaturen welke kunnen worden verwacht tijdens de gehele duur van het vervoer deze eis beslist onnodig maken voor de naleving van de in de bijlagen 2 en 3 van de Overeenkomst vastgestelde temperatuurvoorschriften.

De natuurlijke personen of rechtspersonen bedoeld in artikel 4, 4 van de Overeenkomst zorgen ervoor dat de bepalingen van het eerste lid worden nageleefd.

Art. 3. § 1. De vervoermiddelen zijn onderworpen aan de gelijkvormigheidscontrole met de normen opgelegd in Bijlage 1 van de Overeenkomst.

§ 2. Een gelijkvormigheidscontrole van het vervoermiddel met de normen opgelegd in Bijlage 1 van de Overeenkomst is vereist vóór de inbedrijfstelling van het vervoermiddel. Deze gelijkvormigheidscontrole wordt uitgevoerd overeenkomstig de punten 2, 3 en 4 van aanhangsel 2 van de bijlage 1 bij deze Overeenkomst.

De gelijkvormigheidscontrole bedoeld in het eerste lid wordt uitgevoerd in één van de erkende keuringsstations die door de Europese economische commissie van de Verenigde Naties op haar site www.unece.org is opgelijst.

De gelijkvormigheidscontrole bedoeld in het eerste lid van in serie gebouwde nieuwe vervoermiddelen kan gebeuren door een gelijkvormigheidscontrole met het prototype. Deze vervoermiddelen dienen gelijkvormig te zijn met het prototype dat onderworpen werd aan de in het eerste lid bedoelde gelijkvormigheidscontrole. Zij worden geacht gelijkvormig te zijn met het prototype indien zij voldoen aan de minimale voorwaarden vastgesteld in Bijlage 1, Aanhangsel 1, 6, c) van de Overeenkomst. Deze controle van de minimale voorwaarden wordt uitgevoerd door de Minister aangeduide instelling, overeenkomstig de erkenningsvoorwaarden die in bijlage 1 bij dit besluit zijn vastgelegd.

De gelijkvormigheidscontrole met het prototype bedoeld in het derde lid kan geschieden door middel van steekproeven die slaan op ten minste 1 procent van het aantal vervoermiddelen van de serie.

De vervoermiddelen bedoeld in het derde lid die niet onderworpen werden aan de gelijkvormigheidscontrole bedoeld in het vierde lid ondergaan een algemeen nazicht wat de gelijkvormigheid betreft of, in voorkomend geval een nazicht van de werking van de thermische installaties, overeenkomstig punt 6.5. van het aanhangsel 2 van de bijlage 1.

§ 3. Naast de gelijkvormigheidscontrole bedoeld in paragraaf 2 is een periodieke gelijkvormigheidscontrole van het vervoermiddel met de normen opgelegd in Bijlage 1 van de Overeenkomst vereist. Deze periodieke controle moet conform punt 3 van het aanhangsel 2 van de bijlage 1 worden uitgevoerd. Deze controle moet ten minste om de zes jaar plaatsvinden en telkens als de Minister of zijn gemachtigde zulks eist.

De in het eerste lid bedoelde periodieke gelijkvormigheidscontrole kan worden uitgevoerd volgens de vereenvoudigde methode, vastgesteld in punt 5 of in voorkomend geval in punt 6 van Bijlage 1, Aanhangsel 2 van de Overeenkomst. Deze controle gebeurt in de daartoe door de Minister aangeduide instelling, overeenkomstig de erkenningsvoorwaarden die in bijlage 1 bij dit besluit zijn vastgelegd.

Een verslag wordt opgesteld na elke gelijkvormigheidscontrole. Dit verslag bevat de identificatie van het gecontroleerde of nageziene vervoermiddel.

De door de Minister aangeduide instelling bezorgt het in het derde lid bedoelde verslag van de gelijkvormigsheidscontrole aan het Directoraat-generaal van de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer binnen twee weken na de gelijkvormigheidscontrole.

De gelijkvormigheidscontrole bedoeld in het eerste lid van in serie gebouwde in bedrijf gestelde vervoermiddelen kan geschieden door een gelijkvormigheidscontrole met het prototype overeenkomstig de bepalingen van paragraaf 2, derde lid.

De gelijkvormigheidscontrole van de vervoermiddelen bedoeld in het vijfde lid kan geschieden door middel van steekproeven die slaan op ten minste 1 procent van het aantal vervoermiddelen van de serie op voorwaarde dat die vervoermiddelen aan dezelfde eigenaar toebehoren.

Het Directoraat-generaal wijst de te controleren vervoermiddelen aan.

De vervoermiddelen bedoeld in het vijfde lid die niet onderworpen werden aan de gelijkvormigheidscontrole bedoeld in het zesde lid ondergaan een algemeen nazicht wat de gelijkvormigheid betreft of, in voorkomend geval een nazicht van de werking van de thermische installaties.

§ 4. De kosten van de gelijkvormigheidscontroles en het nazicht bedoeld in de § § 2 en 3 van dit artikel zijn ten laste van de aanvrager, bovenop de vergoeding bedoeld in artikel 6.

Afdeling 3. — ATP-certificaat

Art. 4. § 1. De vervoermiddelen worden geacht te beantwoorden aan de definities en de normen vermeld in bijlage 1 van de Overeenkomst indien zij beschikken over het ATP-certificaat bedoeld in de paragrafen 2, 3 of 4 van dit artikel.

§ 2. Het Belgische ATP-certificaat opgemaakt volgens het model van Bijlage 1, Aanhangsel 3, van de Overeenkomst wordt door de Minister of zijn afgevaardigde afgeleverd indien uit de gelijkvormigheidscontrole blijkt dat het vervoermiddel beantwoordt aan de definities en de normen vermeld in bijlage 1 van de Overeenkomst.

In de gevallen bedoeld in artikel 3, § 2, is de geldigheidsduur van het in het eerste lid bedoelde ATP-certificaat zes jaar vanaf de eerste inbedrijfstelling van het vervoermiddel. De geldigheidsduur wordt met zes jaar verlengd in de gevallen bedoeld in artikel 3, § 3. Indien de gelijkvormigheidscontrole uitgevoerd wordt volgens de vereenvoudigde methode bedoeld in artikel 3, § 3, tweede lid, wordt de verlenging van de geldigheidsduur beperkt tot drie jaar.

§ 3. Onverminderd de bepalingen van paragraaf 4 is een ATP-certificaat dat overeenkomstig de bepalingen van de Overeenkomst afgeleverd werd door de bevoegde overheid van een land dat partij is bij de Overeenkomst een geldig ATP-certificaat voor vervoermiddelen die niet in België ingeschreven of geregistreerd werden.

§ 4. Indien het vervoermiddel werd overgebracht vanuit een land dat partij is bij de Overeenkomst om in België ingeschreven of geregistreerd te worden, geldt het ATP-certificaat dat overeenkomstig de bepalingen van de Overeenkomst afgeleverd werd door de bevoegde overheid van dat land van fabricage of, indien het een vervoermiddel betreft dat in bedrijf is, door de bevoegde overheid van dat land waar het vervoermiddel ingeschreven of geregistreerd werd, in België als een voorlopig ATP-certificaat dat gedurende zes maanden geldig is te rekenen van de dag van het in verkeer brengen van het vervoermiddel in België voor zover de vervaldatum van dat ATP-certificaat niet wordt overschreden.

Art. 5. § 1. De aanvraag tot het verkrijgen van het Belgische ATP-certificaat wordt ingediend door de natuurlijke persoon of rechtspersoon op wiens naam het vervoermiddel voor wegvervoer ingeschreven of geregistreerd is of in geval het een container of een ander gelijksoortig vervoermiddel betreft door de eigenaar van die vervoermiddelen of in geval het een nieuw vervoermiddel voor wegvervoer betreft dat overgebracht werd vanuit een ander land naar België door de constructeur van het vervoermiddel.

§ 2. De in het eerste lid bedoelde aanvraag moet ingediend worden bij middel van het formulier dat bij het Directoraat-generaal of op de website www.mobilit.belgium.be beschikbaar is. Ze moet met de hierna in het tweede of derde lid vermelde documenten naar het Directoraatgeneraal gestuurd worden.

Indien het vervoermiddel in België ingeschreven of geregistreerd is, moet het verslag van de gelijkvormigheidscontrole dat na elke gelijkvormigheidscontrole door een door de Minister aangeduide instelling conform artikel 3, § 2, derde lid en artikel 3, § 3, tweede lid, wordt opgesteld, bij de aanvraag gevoegd worden.

Indien het vervoermiddel wordt overgebracht vanuit een ander land dat partij is bij de ATP-Overeenkomst om in België ingeschreven of geregistreerd te worden, moet bij de aanvraag de volgende documenten worden gevoegd :

1° het keuringsrapport van het vervoermiddel zelf of, wanneer het een in serie gebouwd vervoermiddel betreft, van het referentievervoermiddel;

2° het gelijkvormigheidsattest afgeleverd door de bevoegde autoriteit van het land waar het vervoermiddel gebouwd werd of wanneer het vervoermiddelen in dienst betreft, door de bevoegde autoriteit van het land waar het vervoermiddel werd ingeschreven. Dit attest zal zo nodig als voorlopig attest, geldig voor 6 maand gebruikt worden;

3° indien het een in serie gebouwd vervoermiddel betreft, het inlichtingenformulier, met de technische bijzonderheden van het vervoermiddel waarvoor een certificaat dient afgeleverd te worden en dat door de constructeur of zijn gemachtigde vertegenwoordiger werd uitgereikt (deze bijzonderheden dienen op dezelfde elementen te slaan als deze vervat in de beschrijvende bladzijden van het vervoermiddel die in het keuringsrapport voorkomen en moeten ten minste in één van de officiële talen opgesteld zijn (Frans, Engels, Russisch).

§ 3. De natuurlijke persoon of rechtspersoon op wiens naam het vervoermiddel voor wegvervoer ingeschreven of geregistreerd is of de eigenaar van een container of een ander gelijksoortig vervoermiddel, heeft drie maanden voor het vervallen van de termijnen bedoeld in artikel 4, § 2, tweede lid om een aanvraag tot verlenging van het in § 1 bedoelde ATP-certificaat in te dienen.

§ 4. Indien een vervoermiddel waarvoor het Belgisch ATP-certificaat bedoeld in artikel 4, § 2, werd afgeleverd, door verbouwing of ongeval wijzigingen heeft ondergaan, moet het Directoraat-generaal daarvan in kennis worden gesteld binnen een maand die op de verbouwing volgt.

Indien het Directoraat-generaal van oordeel is dat het om een aanzienlijke wijziging gaat, moet een nieuwe aanvraag tot het verkrijgen van het ATP-certificaat worden ingediend.

Art. 6. Vanaf de inwerkingtreding van dit besluit tot en met 31 december van hetzelfde burgerlijk jaar, moet een vergoeding van 25 EUR betaald worden voor de afgifte van een ATP-certificaat of een duplicaat.

De in het eerste lid bedoelde vergoeding moet integraal betaald worden voor het ATP-certificaat bedoeld in artikel 4, § 2 afgegeven kan worden. De afgifte van het ATP-certificaat is opgeschort tot de volledige betaling van de vergoeding.

De betaling van de in het eerste lid bedoelde vergoeding moet gebeuren conform de instructies van de uitnodiging tot betaling.

Vanaf het daaropvolgende burgerlijk jaar wordt de in het eerste lid bedoelde vergoeding jaarlijks op 1 januari automatisch geïndexeerd op basis van het indexcijfer van de maand november van het voorgaande jaar. Het resultaat van deze aanpassing wordt afgerond naar boven indien het berekende bedrag hoger is of gelijk is aan 0,50 decimalen of naar beneden indien het berekende bedrag lager is dan 0,50 decimalen.

Art. 7. De daartoe gemachtigde ambtenaren van het Directoraatgeneraal houden een register van de vervoermiddelen voor wegvervoer waarvoor het Belgische ATP-certificaat werd afgeleverd bij. Dit register bestaat uit een gecomputeriseerd gegevensbestand. De opname in het register geschiedt na overlegging van de aanvraag tot het verkrijgen van het Belgische ATP-certificaat. Het register bevat met betrekking tot elk erin opgenomen vervoermiddel :

1° de naam van de titularis;

2° het bedoelde vervoermiddel;

3° het inschrijvingsnummer;

4° het chassisnummer;

5° het nummer van het ATP-certificaat;

6° het identificatieteken;

7° de geldigheidsduur van het ATP-certificaat.

Art. 8. Het voor een vervoermiddel afgeleverde ATP-certificaat kan worden ingetrokken indien het vervoermiddel niet meer voldoet aan de in Bijlage 1 van de Overeenkomst vastgestelde definities en normen.

De beslissing tot intrekking wordt met redenen omkleed en wordt bij een aangetekende zending ter kennis van de betrokkene gebracht.

Binnen dertig dagen na de kennisgeving van de weigering of van de intrekking kan de betrokkene met een aangetekende zending beroep instellen bij de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer – Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid, City Atrium, Vooruitgangstraat 56 – 1210 Brussel.

Het genoemde Directoraat-generaal hoort de betrokkene indien laatstgenoemde daar in de brief waarmee hij beroep aantekent, om verzoekt. Indien het verzoek werd gedaan, zal de betrokkene binnen dertig dagen na ontvangst van dit verzoek gehoord worden.

De Minister of zijn gemachtigde, doet uitspraak binnen dertig dagen na de verzending van de brief waarin beroep werd aangetekend of, in voorkomend geval, binnen dertig dagen nadat de betrokkene werd gehoord.

Het beroep heeft geen schorsende kracht.

Art. 9. De ATP-certificaten afgeleverd voor de inwerkingtreding van dit besluit blijven geldig tot de daarop vermelde uiterste vervaldatum.

Afdeling 4. — Controle van het vervoermiddel tijdens het vervoer over de weg

Art. 10. Bij de vervoermiddelen voor wegvervoer dient het ATP-certificaat bedoeld in artikel 4 aan boord van het vervoermiddel aanwezig te zijn tijdens het vervoer en voorgelegd te worden op elk verzoek van de bevoegde personen. Indien echter een ATP-plaat bedoeld in punt B van aanhangsel 3 van bijlage 1 op het vervoermiddel is aangebracht, zal deze op dezelfde manier aanvaard worden als het ATP-certificaat. De ATP-plaat dient te worden verwijderd zodra het vervoermiddel niet meer voldoet aan de in bijlage 1 van de Overeenkomst vastgestelde definities en normen.

Art. 11. § 1. Op het vervoermiddel dienen de identificatietekens overeenkomstig het bepaalde in Aanhangsel 1, 4, en Aanhangsel 4, van Bijlage 1 van de Overeenkomst te worden aangebracht. Zij dienen te worden verwijderd zodra het vervoermiddel niet meer voldoet aan de in Bijlage 1 van de Overeenkomst vastgestelde definities en normen.

§ 2. Op het vervoermiddel dient een identificatieplaat overeenkomstig het bepaalde in Bijlage 1, Aanhangsel 1, 5, van de Overeenkomst te worden aangebracht.

§ 3. Het vervoermiddel dient uitgerust te zijn met een meettoestel voor de controle van de voorgeschreven temperatuur voor het vervoer van de aan bederf onderhevige diepgevroren levensmiddelen dat beantwoordt aan de bepalingen van Bijlage 2, Aanhangsel 1, van de Overeenkomst.

HOOFDSTUK 2. — Wijziging van het koninklijk besluit van 19 juli 2000 betreffende de inning en de consignatie van een som bij het vaststellen van sommige inbreuken inzake het vervoer over de weg

Art. 12. Een punt j) “internationaal vervoer van aan bederf onderhevige levensmiddelen en het gebruik van speciale vervoermiddelen bij dit vervoer”, zoals gedefinieerd in bijlage 2 bij dit besluit, wordt ingevoegd in de bijlage 1 van het koninklijk besluit van 19 juli 2000 betreffende de inning en de consignatie van een som bij het vaststellen van sommige inbreuken inzake het vervoer over de weg.

HOOFDSTUK III. — Slotbepalingen

Art. 13. Het koninklijk besluit van 15 oktober 1982 tot vaststelling van de voorwaarden voor het verkrijgen van het certificaat voor het internationaal vervoer van aan bederf onderhevige levensmiddelen wordt opgeheven.

Art. 14. De Minister bevoegd voor Binnenlandse Zaken, de minister bevoegd voor Justitie, de minister bevoegd voor Financiën en de minister bevoegd voor het Vervoer over de weg zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.

BIJLAGE 1

Zie paginas 6 en 7 van de PDF

BIJLAGE 2

Zie paginas 8 en 9 van de PDF