23 MAART 1998. - Koninklijk besluit betreffende het rijbewijs.
(B.S. 30.04.1998)

Titel III. Het rijbewijs

Hoofdstuk II. De scholing

Afdeling 1. Algemeenheden

Artikel 5

§1. Elke kandidaat voor het rijbewijs geldig voor de categorie AM, A1, A2, A, B+E, C1, C1+E, C, C+E, D1, D1+E, D of D+E, elke houder van een rijbewijs met de code 78 die een rijbewijs zonder deze code wil behalen of elke houder van een rijbewijs geldig voor de categorie B die wil dat de code 96 erop wordt geplaatst, moet een scholing doorlopen :

hetzij door, in een rijschool het praktisch onderricht bedoeld in artikel 15 te volgen;

hetzij op basis van een voorlopige rijbewijs model 3, overeenkomstig de regels voorgeschreven in afdeling II. Deze bepaling is echter niet van toepassing op de kandidaat voor het rijbewijs geldig voor categorie AM.

Voor wat betreft het Vlaams Gewest, wordt het woord “Minister” vervangen door de woorden “Vlaamse minister”.

(opgeheven)

Elke kandidaat voor het rijbewijs geldig voor de categorie B moet een scholing doorlopen overeenkomstig de bepalingen van het koninklijk besluit van 10 juli 2006 betreffende het rijbewijs voor voertuigen van de categorie B.

§2. Zijn evenwel vrijgesteld van de scholing voorgeschreven in de §1 :

de houders van een Belgisch militair rijbewijs bedoeld in artikel 27, 1°;

de houders van een Europees of een buitenlands nationaal rijbewijs, dat afgegeven is voor ten minste dezelfde categorie van voertuigen of voor een categorie die gelijkwaardig is aan die waarvoor de geldigverklaring gevraagd wordt;

de in artikel 4, 4°, 5°, 6°, 7° en 9° en 15° bedoelde kandidaten voor de categorieën die door deze bepalingen worden bedoeld.