23 MAART 1998. - Koninklijk besluit betreffende het rijbewijs.
(B.S. 30.04.1998)

Titel III. Het rijbewijs

Hoofdstuk IV. Examens

Afdeling 2. Examinatoren

Artikel 26

§1. De examinatoren belast met het theoretische en het praktische examen worden aangeworven en bezoldigd door de in artikel 25 bedoelde instellingen, of door een rechtspersoon die deze laatsten groepeert. Ze zijn door de Minister of zijn gemachtigde erkend.

De Minister kan, na betrokkene en desgevallend de directeur van de instelling te hebben gehoord, de erkenning van de examinatoren opschorten voor een termijn van acht dagen tot een jaar, of ze intrekken wegens het niet naleven van de bepalingen van dit besluit.

§2. Om te worden erkend moeten de betrokkenen voldoen aan de volgende voorwaarden:

onderdaan zijn van een van de Lid-Staten van de Europese Unie of van de Europese Economische Ruimte;

ten minste 25 jaar oud zijn;

van onberispelijk zedelijk gedrag zijn;

niet vervallen zijn of vervallen geweest zijn van het recht om een motorvoertuig te besturen. Dit verbod is niet van toepassing bij uitwissing van de veroordeling of bij herstel in eer en rechten en op voorwaarde dat er voldaan is aan de onderzoeken die krachtens artikel 38 van de wet worden opgelegd;

 houder zijn van ten minste één van de diploma's, getuigschriften of brevetten die in aanmerking worden genomen voor toelating tot de niveaus A, B of C, in de overheidsdiensten van de Staat, zoals bedoeld in het eerste hoofdstuk van bijlage 1 van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het rijkspersoneel, of houder zijn van een buitenlands diploma, getuigschrift of brevet dat als gelijkwaardig werd erkend conform hoofdstuk II van dezelfde bijlage. De vereiste om houder te zijn van een van deze diploma's vervalt echter indien de betrokkene een beroepservaring van ten minste 5 jaar op het gebied van de praktische rijopleiding kan aantonen;

 voltooien van een basis- opleidingsprogramma en slagen voor een examen over de materie bedoeld in bijlage 19. De inhoud en de modaliteiten van de organisatie van de basisopleiding en het examen zijn goedgekeurd door de minister of zijn gemachtigde. Examinatoren moeten tevens voldoen aan de regels inzake verplichte kwaliteitswaarborging en periodieke bijscholing voorzien in artikel 26quater ;

geschikt bevonden zijn bij een geneeskundig onderzoek;

 indien het een examinator voor de categorie B betreft, ten minste drie jaar houder zijn van een Belgisch of Europees rijbewijs dat geldt voor de categorie B.

De examinatoren voor de overige categorieën zijn houders van een Belgisch of Europees rijbewijs dat geldt voor de betrokken categorie. Daarnaast zijn zij gekwalificeerde examinatoren voor het rijbewijs van categorie B en hebben zij die taak gedurende ten minste drie jaar uitgeoefend. Het vereiste van drie jaar werkervaring als examinator in B kan vervallen indien de examinator kan aantonen dat hij aan één van de volgende voorwaarden voldoet :

a) ten minste vijf jaar houder zijn van een rijbewijs dat geldt voor de categorieën van motorvoertuigen voor dewelke hij als examinator belast is met het afnemen van het praktische examen, ofwel;

b) geslaagd zijn voor een hoger theoretisch en praktisch rijvaardigheidsexamen dan nodig is voor het behalen van een rijbewijs.

De voorwaarden bedoeld in 5° en 6° gelden niet voor de examinatoren die op 1 januari 1989 in dienst waren.

§3. De functie van examinator is onverenigbaar met elke functie van instructeur in een erkende rijschool.

Niemand mag de functie van examinator uitoefenen bij een examen dat door een van zijn bloed- of aanverwanten tot en met de vierde graad wordt afgelegd.

De examinator mag niet optreden als begeleider behalve voor zijn echtgenoot, kinderen, pleegkinderen of voor deze van zijn echtgenoot.

Artikel 26 bis

§ 1. De basisopleiding, bedoeld in artikel 26, § 2, 6° wordt gegeven door de opleidingscentra erkend door de minister of zijn gemachtigde.

De opleidingsprogramma's voor de basisopleiding zijn als volgt gegroepeerd :

programma A voor de categorieën AM, A1, A2 en A;
programma B voor de categorieën B, B+E en G;
programma C voor de categorieën C1, C1+E, C en C+E;
programma D voor de categorieën D1, D1+E, D en D+E.

Het programma B bestaat uit twee opleidingsdelen :

een groepsspecifiek deel dat zich richt op het verkrijgen van de kennis en vaardigheden beschreven onder de punten B, C en E van bijlage 19;

een voor alle groepen rijbewijscategorieën gemeenschappelijk opleidingsprogramma dat bestaat uit de materie opgesomd onder de punten A, D en F van bijlage 19.

De opleidingsprogramma's A, C en D zijn minstens gericht op het verkrijgen van de kennis en vaardigheden beschreven onder de punten B, C en E van bijlage 19.

§ 2. De erkenning van een opleidingscentrum voor de basisopleiding wordt toegekend voor het geven van de basisopleiding aan examinatoren belast met het afnemen van praktische rijexamens.

Om erkend te worden moet het opleidingscentrum aan de volgende voorwaarden voldoen :

deel uitmaken of deel uit hebben gemaakt, gedurende minstens twee jaar, van een organisme dat actief is in het domein van de organisatie van examens voor het behalen van het rijbewijs of deel uitmaken van een groepering waarbij de centra die examens voor het rijbewijs afnemen zijn aangesloten;

houder zijn van een ISO-certificaat, Qfor, EFQM, of andere certificaten of kwaliteitbeoordelingssystemen die erkend zijn op het gebied van opleiding;

minimaal een opleidingsprogramma voor de basisopleiding A, B, C of D voorstellen, waarin alle kennis en vaardigheden die vereist worden in bijlage 19 worden behandeld.

Elk opleidingscentrum verplicht zich ertoe de basisopleiding te geven in overeenstemming met het goedgekeurde opleidingsprogramma;

zich ertoe verbinden om, volgens de modaliteiten bepaald door de minister of zijn gemachtigde, elke wijziging van het programma voor te leggen aan de FOD Mobiliteit en Vervoer die de wijzigingen goedkeurt of afwijst binnen een termijn van 60 dagen;

beschikken over gepaste infrastructuur en pedagogisch materiaal, en kunnen beschikken over een voertuig van elke categorie;

instructeurs in dienst hebben die beschikken over een opleiding in de onderwezen materie en die tevens beschikken over een afdoende professionele ervaring of een opleiding in didactiek en pedagogiek.

De instructeurs voor het praktijkgedeelte van de opleiding moeten minstens vier jaar houder zijn van een rijbewijs B, en minstens drie jaar van een rijbewijs dat geldt voor de overige betrokken categorieën;

aanstellen van een directeur die het opleidingscentrum vertegenwoordigt bij de overheid en die verantwoordelijk is voor de organisatie van de basisopleiding en de administratieve taken.

§ 3. De erkenningsaanvraag wordt ingediend bij de FOD Mobiliteit en Vervoer, Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid. Zij moet alle informatie bevatten waaruit blijkt dat voldaan is aan de voorwaarden bedoeld in artikel 26 bis, § 2.

De erkenning van een opleidingscentrum geldt slechts voor de basisopleiding of de basisopleidingen die deel uitmaakten van het goedkeuringsdossier, overeenkomstig § 2, tweede lid, 3° en geldt enkel voor de rijbewijscategorieën waarvoor de rijexamens worden georganiseerd door het organisme waarvan het opleidingscentrum deel uitmaakt of door de examencentra aangesloten bij de groepering waarvan het opleidingscentrum deel uitmaakt.

De minister geeft de erkenning binnen een termijn van drie maanden te rekenen vanaf de kennisgeving van de volledigheid van de aanvraag. De erkenning geldt voor een periode van vijf jaar en wordt verlengd indien hiervoor een aanvraag wordt gedaan bij de FOD Mobiliteit en Vervoer.

Bij de aanvraag van de erkenning van het opleidingscentrum worden de documenten gevoegd die nader zijn bepaald door de minister of zijn gemachtigde.

§ 4. Bij de aanvraag tot vernieuwing van de erkenning dient minstens de informatie te worden meegedeeld waaruit blijkt dat aan elk van de in § 2 vermelde voorwaarden is voldaan.

De aanvraag tot vernieuwing van de erkenning moet worden ingediend ten laatste drie maanden voor de vervaldatum van de geldigheid van de erkenning.

De minister levert de erkenning af binnen een termijn van drie maanden te rekenen vanaf de datum waarop de aanvrager in kennis werd gesteld van de volledigheid van zijn aanvraag.

§ 5. De minister verleent een erkenningsnummer aan elk erkend opleidingscentrum. De toekenning van de erkenning alsook van de vernieuwing van de erkenning worden gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad.

§ 6. De erkenningsaanvraag van een opleidingscentrum of de aanvraag tot verlenging van de erkenning geeft aanleiding tot de betaling van een retributie van 1000 euro. De betalingsmodaliteiten worden bepaald door de minister of zijn gemachtigde.

Elk opleidingscentrum is een jaarlijkse retributie van 250 euro verschuldigd om de kosten van administratie en controle te dekken. Deze retributie wordt ten laatste op 31 maart van het betreffende jaar betaald.

De bedoelde retributies worden onderworpen aan een automatische indexatie op 1 januari van ieder jaar op basis van de gewone index van de maand november van het vorige jaar. Het resultaat van deze aanpassing wordt afgerond naar boven indien het berekende bedrag hoger is of gelijk is aan 0,50 decimalen of naar beneden indien het berekende bedrag lager is dan 0,50 decimalen.

§ 7. De minister kan, wanneer de in deze afdeling bepaalde voorwaarden niet worden nageleefd en na de directeur van het opleidingscentrum gehoord te hebben, de erkenning van het opleidingscentrum voor een termijn van minstens acht dagen en hoogstens zes maanden schorsen.

Indien de minister ondanks een voorafgaande schorsingsmaatregel van minstens twee maanden vaststelt dat de in deze afdeling bepaalde voorwaarden nog altijd niet worden nageleefd, trekt hij de erkenning van het opleidingscentrum in, na de directeur van het opleidingscentrum gehoord te hebben.

Gedurende de schorsingsperiode of na de intrekkingsbeslissing mag geen enkele theoretische of praktische lessenreeks beginnen.

Het schorsings- of intrekkingsbesluit wordt gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad en wordt bij de ingang van de les- en administratielokalen uitgehangen.

§ 8. De minister of zijn gemachtigde kan de inhoud van de opleiding en de erkenningsvoorwaarden van de opleidingscentra nader bepalen.

Artikel 26 ter

§ 1. Elke examinator slaagt voor een examen dat voldoet aan de volgende voorwaarden :

het examen voorzien in artikel 26, § 2, 6°, wordt afgelegd in het opleidingscentrum waar de examinator de basisopleiding volgt.

Het examen toetst de examinatoren op de materie voorzien in bijlage 19 en omvat een theoretische en een praktische proef. Er mag gebruik worden gemaakt van computertoetsen voor de theoretische proeven.

Het examen geeft toegang tot het uitoefenen van het beroep van examinator voor de categorie waarvoor het examen met goed gevolg is afgelegd.

de erkende opleidingscentra stellen elk een examen op voor kandidaat-examinatoren, dat ten minste alle in bijlage 19 beschreven kennis en vaardigheden toetst.

Voorafgaand aan de tenuitvoerlegging van het examen wordt het examenprogramma en de examenopgaven door het opleidingscentrum voorgelegd aan een adviescommissie.

De adviescommissie brengt een advies uit, aan de minister of zijn gemachtigde, over het aan haar voorgelegde examenprogramma binnen een termijn van zestig dagen na ontvangst van de aanvraag.

Zonder de goedkeuring van het examenprogramma door de minister of zijn gemachtigde mogen geen examens voor kandidaat-examinatoren worden georganiseerd.

Indien het examenprogramma wordt afgekeurd, legt het opleidingscentrum binnen maximaal één maand een aangepast examenprogramma ter goedkeuring voor aan de adviescommissie en de minister of zijn gemachtigde.

§ 2. De samenstelling en de werking van de adviescommissie worden bepaald door de minister of zijn gemachtigde die haar leden benoemd.

§ 3. De minister of zijn gemachtigde kan nadere regels stellen omtrent de examinering van kandidaat-examinatoren en de exameninhoud.

De minister of zijn gemachtigde stelt de duur van de proeven en de beoordelingscriteria voor de examens vast.

Artikel 26 quater

§ 1. De examinatoren zijn in het kader van het kwaliteitswaarborgingssysteem onderworpen aan de volgende kwaliteitscontroles :

elke examinator wordt jaarlijks gecontroleerd op het volgen van bijscholing, op het peil houden van zijn beroepsvaardigheden en op de resultaten van de rijexamens die hij heeft afgenomen;

elke examinator wordt om de vijf jaar gecontroleerd tijdens het afnemen van verschillende examens, gedurende minstens een totaal van een halve dag, zodat de controle meerdere examens beslaat. Een examinator die bevoegd is om in meerdere afzonderlijke categorieën examens af te nemen, wordt gecontroleerd gedurende minstens een totaal van een halve dag voor elke groep van rijbewijscategoriëen;

in het geval dat door een controle blijkt dat een examinator niet aan de voorwaarden van deze afdeling voldoet kan de minister of zijn gemachtigde corrigerend optreden tegen de examinator.

De minister of zijn gemachtigde kan de examinator die in zijn functioneren ernstig tekortschiet, verplichten een specifiek bijscholingsprogramma te volgen.

De minister of zijn gemachtigde kan nadere regels stellen omtrent de wijze van het corrigerend optreden tegen deze examinatoren;

De examencentra hanteren een gecertificeerd kwaliteitssysteem dat het werk van de examinatoren, de bijscholing en de resultaten van de rijexamens opvolgt, evalueert en zo nodig corrigeert.

§ 2. De verplichte periodieke bijscholing voor examinatoren, waarvoor het opleidingsprogramma is goedgekeurd door de minister of zijn gemachtigde, wordt gegeven door de exameninstellingen bedoeld in artikel 22 van het koninklijk besluit van 4 mei 2007 of door de instelling bedoeld in artikel 4, 9°, of door een groepering waarbij de examencentra bedoeld in artikel 25 zijn aangesloten.

De verplichte periodieke bijscholing voor examinatoren bestaat uit :

een minimumbijscholing van in totaal vier dagen per periode van twee jaar, waarvan het opleidingsprogramma er ten minste op gericht is om :

a) de vereiste kennis en examineringsvaardigheden op peil te houden en te actualiseren;

b) nieuwe vaardigheden op te doen die onmisbaar zijn geworden voor de uitoefening van het beroep;

c) te verzekeren dat examinatoren bij het afnemen van examens blijvend eerlijke en uniforme maatstaven hanteren;

een vaste minimumbijscholing van ten minste in totaal vijf dagen per vijf jaar om de vereiste praktische rijvaardigheid op peil te houden en te verbeteren.

De periodieke bijscholing kan bestaan uit :

a) informatiebijeenkomsten;

b) klassikaal onderwijs;

c) klassieke lessen of online;

d) individueel of in groepsverband.

§ 3. De instellingen die de periodieke bijscholing geven stellen een opleidingsprogramma dat voldoet aan de vereisten voor de periodieke bijscholing zoals bedoeld in artikel 26quater, § 2, 1°.

Een opleidingsprogramma moet worden opgesteld per groep rijbewijscategorieën. Dit programma dient een voorafgaande goedkeuring te krijgen van de minister of zijn gemachtigde. Dit opleidingsprogramma moet worden uitgebreid op basis van de vereisten genoemd in artikel 26 quater, § 2, en van de vaststellingen of corrigerende maatregelen die voortkomen uit de kwaliteitswaarborging.

Het periodieke bijscholingsprogramma wordt ter goedkeuring voorgelegd aan de minister of zijn gemachtigde, die het goedkeurt of afwijst binnen een termijn van zestig dagen te rekenen vanaf de datum waarop het opleidingscentrum voor periodieke bijscholing in kennis werd gesteld van de volledigheid van de aanvraag.

De goedkeuring van het opleidingsprogramma voor periodieke bijscholing door de minister of zijn gemachtigde is vereist om de periodieke bijscholing te kunnen geven aan examinatoren.

Indien het opleidingsprogramma wordt afgekeurd, legt het opleidingscentrum binnen maximaal één maand een aangepast opleidingsprogramma voor aan de minister of zijn gemachtigde.

§ 4. De examinator die in vierentwintig maanden geen rijexamen heeft afgenomen voor een bepaalde rijbewijscategorie, wordt herbeoordeeld op basis van een te volgen bijscholingsprogramma.

§ 5. Een examinator die bevoegd is om in meerdere rijbewijscategorieën examens af te nemen heeft voldaan aan de eisen inzake periodieke bijscholing wanneer er in één afzonderlijke groep rijbewijscategorieën aan de verplichtingen voor periodieke bijscholing wordt voldaan.

§ 6. De minister of zijn gemachtigde kan nadere regels stellen omtrent de systemen van de kwaliteitswaarborging en de periodieke bijscholing van examinatoren.