23 MAART 1998. - Koninklijk besluit betreffende het rijbewijs.
(B.S. 30.04.1998)

Titel III. Het rijbewijs

Hoofdstuk IV. Examens

Afdeling 6. Geneeskundig onderzoek

Artikel 40

De lichaamsgebreken en aandoeningen bedoeld in artikel 23, § 1, 3° van de wet zijn bepaald in bijlage 6.

Artikel 41

§1. De kandidaat voor het rijbewijs geldig voor de categorie AM, A1, A2, A, B, B+E of G ondertekent op de aanvraag om een rijbewijs, of op de aanvraag om een voorlopige rijbewijs, een verklaring waarin hij op zijn woord van eer bevestigt, bij zijn weten niet te lijden aan een van de in bijlage 6, voorgeschreven voor de groep 1, genoemde lichaamsgebreken of aandoeningen. Deze verklaring omvat een gedeelte betreffende de algemene lichamelijke en psychische geschiktheid en een gedeelte betreffende het gezichtsvermogen.

Elke kandidaat die geen houder is van een Belgisch of Europees rijbewijs, moet bij het theoretische examen een leestest afleggen voor de examinator of de aangestelde bedoeld in artikel 25, § 1, volgens de nadere regels die gezamenlijk door de Minister en door zijn collega tot wiens bevoegdheid Volksgezondheid behoort, worden bepaald.

Voor wat betreft het Vlaams Gewest, wordt het woord “Minister” vervangen door de woorden “Vlaamse minister”.

§2. De kandidaat die oordeelt dat hij het gedeelte van de verklaring betreffende de algemene lichamelijke en psychische geschiktheid niet kan ondertekenen, ondergaat een onderzoek bij een vrij gekozen geneesheer. De geneesheer vraagt, in voorkomend geval, het verslag van een geneesheer specialist overeenkomstig de bepalingen van bijlage 6.

Behalve in het geval bedoeld in artikel 45, oordeelt de geneesheer of de kandidaat voldoet aan de criteria vastgesteld in bijlage 6, I, II, IV en V en stelt het attest op zoals bedoeld in bijlage 6, VII.

§3. De kandidaat die oordeelt dat hij het gedeelte van de verklaring betreffende het gezichtsvermogen niet kan ondertekenen of die niet voldoet bij de leestest bedoeld in § 1, ondergaat een onderzoek bij een vrij gekozen oogarts.

De oogarts oordeelt of de kandidaat voldoet aan de criteria vastgesteld in bijlage 6, III en stelt het attest op zoals bedoeld in bijlage 6, VIII.

§4. Indien de geneesheer bedoeld in §§ 2 en 3 oordeelt dat de toelating tot sturen moet afhankelijk gesteld worden van bepaalde voorwaarden of beperkingen bij het gebruik van het rijbewijs, maakt hij daarvan melding op het attest uitgereikt aan de kandidaat in de vorm van de codes, zoals voorgeschreven in bijlage 7.

Artikel 42

De kandidaat voor een rijbewijs geldig voor de categorie C1, C1+E, C, C+E, D1, D1+E, D of D+E moet een onderzoek ondergaan dat vaststelt of hij voldoet aan de normen voorgeschreven in bijlage 6 voor de groep 2.

Het onderzoek wordt ondergaan overeenkomstig de procedure bedoeld in artikel 44.

Artikel 43

Worden eveneens gehouden om het onderzoek bedoeld in artikel 42 te ondergaan, de houders, van een Belgisch of Europees rijbewijs geldig voor de categorie A1, A2, A, B of B+E of voor een gelijkwaardige categorie, wanneer ze beantwoorden aan de voorwaarden van artikel 3, § 1 en zij een voertuig bestemd voor een van de hierna genoemde vervoersdiensten besturen:

de diensten voor geregeld, bijzondere vormen van geregeld en ongeregeld vervoer, respectievelijk bedoeld in de artikelen 3, 11 en 14 van de besluitwet van 30 december 1946 betreffende het bezoldigd vervoer van personen over de weg met autobussen en met autocar;

de taxidiensten en de diensten voor het verhuren van voertuigen met chauffeur bedoeld in artikel 6, § 1, X, 8° van de bijzondere wet tot hervorming der instellingen van 8 augustus 1980;

opgeheven (art. 4, b), KB 10-09-2010, BS 15-09-2010)

opgeheven (art. 2, KB 31-10-2008, BS 10-11-2008)

opgeheven (art. 2, KB 31-10-2008, BS 10-11-2008)

het vervoer van personen met ambulance, zoals bedoeld in artikel 1, § 2, 68, van het koninklijk besluit van 15 maart 1968 houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de auto's, hun aanhangwagens, hun onderdelen en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen.

het bezoldigde leerlingenvervoer.

De instructeurs van de rijscholen die het praktische onderricht voorgeschreven in artikel 15 verstrekken, zijn eveneens gehouden om het onderzoek bedoeld in artikel 42 te ondergaan.

Artikel 44

§1. Het onderzoek bedoeld in artikel 42 wordt afgelegd voor een geneesheer van een medisch centrum van het Bestuur van de medische expertise.

De aanvrager legt een verklaring voor waarin hij op zijn woord van eer bevestigt, bij zijn weten niet aangetast te zijn door een aandoening die het normaal besturen van een voertuig, zelfs tijdelijk, zou kunnen verhinderen of belemmeren en deelt het resultaat mee dat hij bekwam bij een eventueel vorig geneeskundig onderzoek. Het model van deze verklaring komt voor in bijlage 6, IX.

Hij legt bovendien het verslag voor van een oogarts waarvan het model bepaald is in bijlage 6, X.

§2. Als de geneesheer van het Bestuur van de medische expertise besluit tot de ongeschiktheid van de kandidaat of de beslissing laat afhangen van voorwaarden of beperkingen, kan deze laatste een beroep instellen bij dat Bestuur. Het beroep wordt ingeleid bij ter post aangetekende brief, binnen de tien werkdagen na de betekening van de beslissing. De verzoeker wijst in deze brief de geneesheer aan die hem tijdens de procedure zal bijstaan.

Het Bestuur van de medische expertise deelt zonder verwijl aan die geneesheer de medische gegevens mee die de beslissing hebben gemotiveerd.

Binnen de tien werkdagen, volgend op de mededeling van het dossier, kan de geneesheer aangewezen door de verzoeker :

hetzij zijn akkoord betuigen met de beslissing;

hetzij een tegensprekelijke raadpleging vragen met de geneesheer die de beslissing heeft genomen of, bij verhindering, met zijn plaatsvervanger;

hetzij een rapport neerleggen waarin de argumenten die de beslissing motiveerden, weerlegd worden.

In geval van akkoord tussen de onderzoekende geneesheer en deze die door de verzoeker werd gekozen, wordt de beslissing dienovereenkomstig gehandhaafd of gewijzigd.

Indien de twee geneesheren het onderling niet eens kunnen worden, wordt een arbitrageonderzoek gedaan door de hoofdgeneesheer van het Bestuur van de medische expertise of door zijn gemachtigde, die de verzoeker nog niet heeft onderzocht tijdens het geneeskundig onderzoek of de tegensprekelijke raadpleging. Bij het arbitrageonderzoek mag de verzoeker zich laten bijstaan door de door hem gekrijksdieozen geneesheer.

Na afloop van het arbitrageonderzoek is de beslissing daaromtrent definitief.

§3. De verzoeker betaalt voor elk onderzoek de retributie die vastgesteld wordt door de Minister tot wiens bevoegdheid het Bestuur van de medische expertise behoort alsook, in voorkomend geval, de honoraria en kosten van de geneesheer die hij gekozen heeft om hem bij te staan bij de beroepsprocedure.

§4. In afwijking van de bepalingen van §1, kan het onderzoek bedoeld in artikel 42 afgelegd worden voor :

een geneesheer van een erkende Arbeidsgeneeskundige Dienst. Wanneer de Arbeidsgeneesheer tot de ongeschiktheid van de kandidaat besluit of de beslissing laat afhangen van voorwaarden of beperkingen kan beroep ingesteld worden volgens de bepalingen betreffende de beslissingen van de Arbeidsgeneesheer voorgeschreven in het Algemeen Reglement voor de arbeidsbescherming ;

een geneesheer van het «Office communautaire et Régional de la Formation professionnelle et de l’Emploi», van de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding, «Arbeidsamt der Deutschsprachigen Gemeinschaft» of van het «Institut bruxellois francophone pour la formation professionnelle»;

een geneesheer van de medische dienst van het leger;

een geneesheer van een centrum voor leerlingenbegeleiding;

een geneesheer van de medische dienst van de federale politie.

De aanvrager legt aan de onderzoekende geneesheer de verklaring voor, zoals voorgeschreven in §1, tweede lid.

§5. De in §§ 1 en 4 bedoelde geneesheer levert aan de aanvrager een attest af, overeenkomstig het in bijlage 6, XI voorgeschreven model.

Indien de geneesheer oordeelt dat de toelating tot sturen moet afhankelijk gesteld worden van de verplichting om bepaalde types van voertuigen of om een speciaal aangepast voertuig of om een voertuig uitgerust met een automatische schakeling te gebruiken of van bepaalde voorwaarden of beperkingen bij het gebruik van het rijbewijs, maakt hij daarvan melding op het attest uitgereikt aan de kandidaat, in de vorm van de codes, bepaald in bijlage 7.

Het attest is vijf jaar geldig. Het kan evenwel afgegeven worden voor een kortere geldigheidsduur overeenkomstig de bepalingen van bijlage 6.

Artikel 45

Indien de geneesheer bedoeld in de artikelen 41, § 2 en 44, §§ 1 en 4 een vermindering van de functionele vaardigheden van een kandidaat of van een bestuurder vaststelt tengevolge van een aantasting van het musculo - skelettaal systeem, van een aandoening van het centraal of het perifeer zenuwstelsel of van elke andere aandoening waardoor een beperking ontstaat van zijn motorische controle, zijn waarnemingen of zijn gedrag en beoordelingsvermogen, verwijst hij de aanvrager door naar een centrum aangeduid door de Minister en belast met het bepalen van de rijgeschiktheid van de bestuurders alsook de eventuele aanpassingen die aan het voertuig moeten aangebracht worden en, in voorkomend geval, de voorwaarden of de beperkingen aan het gebruik van het rijbewijs.

Voor wat betreft het Vlaams Gewest, wordt het woord “Minister” vervangen door de woorden “Vlaamse minister”.

De geneesheer van het centrum maakt het attest op bepaald in bijlage 6, XII wanneer het gaat om een kandidaat bedoeld in artikel 41, § 1 ; hij deelt zijn conclusies mee aan de geneesheer bedoeld in artikel 44, §§ 1 of 4 als het gaat om een kandidaat bedoeld in de artikelen 42 en 43.

Zie M.B. 27-03-1998 ter uitvoering van artikel 45 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs.

Artikel 46

§1. Indien de geneesheer bedoeld in de artikelen 41, § 2, 44, §§ 1 en 4 en 45 vaststelt dat de houder van een rijbewijs niet meer beantwoordt aan de in bijlage 6 vastgestelde geneeskundige normen, moet hij de belanghebbende op de hoogte stellen van de verplichting om zijn rijbewijs overeenkomstig de bepalingen van artikel 24 van de wet in te leveren bij de overheid bedoeld in artikel 7.

§2. De houder van een rijbewijs dat in toepassing van artikel 24 van de wet werd ingeleverd kan de teruggave verkrijgen indien hij aan de in artikel 7 bedoelde overheid een attest voorlegt waarin bevestigd wordt dat hij opnieuw geschikt is om een motorvoertuig te besturen van de categorie waarvoor het rijbewijs geldig is.

Het attest bedoeld in het eerste lid wordt opgemaakt overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 41, §§ 2 en 3, 44 en 45.

Indien de handicap van de houder een voertuig vereist dat speciaal aan zijn handicap is aangepast of gebruiksbeperkingen noodzakelijk maakt, zal daarvan melding gemaakt worden op het rijbewijs.

Indien het attest hem slechts het besturen toelaat van sommige categorieën van voertuigen waarvoor het rijbewijs werd geldig verklaard, bekomt hij zonder zich te onderwerpen aan de scholing en zonder een nieuw theoretisch en praktisch examen te moeten afleggen, een nieuw rijbewijs alleen geldig voor de categorieën of subcategorieën waarvoor hij tot het besturen ervan geschikt is. De procedure van artikel 49 is van toepassing.