23 MAART 1998. - Koninklijk besluit betreffende het rijbewijs.
(B.S. 30.04.1998)

Bijlage 6. Minimumnormen en attesten inzake de lichamelijke en geestelijke geschiktheid voor het besturen van een motorvoertuig

INHOUD :

  1. Beschrijving functionele stoornissen en aandoeningen die de uitsluiting tot gevolg hebben en de geneeskundige normen waaraan de kandidaat voor een rijbewijs of een voorlopig rijbewijs en de houder van een rijbewijs, moeten voldoen
  2. Normen betreffende de fysieke en geestelijke geschiktheid
  3. Normen betreffende de visuele functies
  4. Normen betreffende het gebruik van alcohol, psychotrope stoffen en geneesmiddelen
  5. Normen betreffende nier- en leveraandoeningenImplantaten
  6. Implantaten
  7. Rijgeschiktheidsattest voor de kandidaat voor het rijbewijs van groep 1
  8. Rijgeschiktheidsattest voor de kandidaat voor een rijbewijs van groep 1, afgeleverd door een oogarts
  9. Eigen verklaring voor de kandidaat voor het rijbewijs van groep 2
  10. Oogonderzoek - kandidaat voor het rijbewijs van groep 2
  11. Rijgeschiktheidsattest voor de kandidaat voor het rijbewijs van groep 2
  12. Rijgeschiktheidsattest afgeleverd door de geneesheer van het centrum bedoeld in artikel 45 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs aan de kandidaat voor het rijbewijs van groep 1

I. Deze bijlage beschrijft de functionele stoornissen en aandoeningen die de uitsluiting tot gevolg hebben en de geneeskundige normen waaraan de kandidaat voor een rijbewijs of een voorlopig rijbewijs en de houder van een rijbewijs, moeten voldoen

1. Voor de toepassing van deze bijlage wordt verstaan onder :

1° «kandidaat» : de persoon die een rijbewijs, een voorlopig rijbewijs aanvraagt, die om de verlenging van een rijbewijs verzoekt of de houder van een rijbewijs van wie de lichamelijke of geestelijke toestand niet meer in overeenstemming is met de in deze bijlage vermelde minimumnormen;

2° «kandidaat van groep 1» : de kandidaat voor het rijbewijs geldig voor het besturen van voertuigen van de categorie AM, A1, A2, A, B, B+E of G;

3° «kandidaat van groep 2» : de kandidaat voor het rijbewijs geldig voor het besturen van voertuigen van de categorie C1, C1+E, C, C+E, D1, D1+E, D of D+E en de bestuurders van voertuigen bedoeld in artikel 43 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs.

2. Om rijgeschikt te worden verklaard, dient de kandidaat aan de in deze bijlage voorgeschreven minimumnormen te voldoen en vrij te zijn van elke in deze bijlage opgenomen lichamelijke of geestelijke aandoening of afwijking, die zijn functionele mogelijkheden zodanig beperkt dat hij een gevaar kan opleveren voor de veiligheid bij het besturen van een motorvoertuig.

3. De rijgeschiktheid wordt bepaald na een grondig geneeskundig onderzoek waarbij alle middelen, die de geneeskunde biedt, aangewend kunnen worden.

De geneesheer houdt bij de beoordeling rekening met de categorie waarvoor het rijbewijs wordt aangevraagd en de omstandigheden waarin dit laatste zal worden gebruikt. Voor de kandidaten van groep 2, dient hij speciaal rekening te houden met de bijzondere risico's en gevaren die verband houden met het besturen van voertuigen van deze categorieën en de mogelijke belemmering ervan door functiestoornissen of aandoeningen.

4. Bij de vaststelling van een behandeling of het voorschrijven van geneesmiddelen gaat de geneesheer na wat de invloed van de behandeling, van elk geneesmiddel afzonderlijk of van de combinatie met andere geneesmiddelen of alcohol op het rijgedrag is. De geneesheer licht zijn patiënt in over de mogelijke gevolgen voor zijn rijgedrag en wijst hem op zijn eventuele verplichtingen betreffende het gebruik van zijn rijbewijs.

II. Normen betreffende de fysieke en geestelijke geschiktheid

| Neurologische aandoeningen | Geestelijke aandoeningen | Epilepsie | Pathologische somnolentie | Locomotorische aandoeningen | Aandoeningen van hart en bloedvaten | Diabetes mellitus | Aandoeningen van het gehoor en vestibulair systeem |

1. Neurologische aandoeningen

1.1. Normen voor de kandidaten van groep 1

1.1.1. Voor de kandidaten met een neurologische aandoening bepaalt de neuroloog de rijgeschiktheid en de geldigheidsduur ervan.

Indien de kandidaat een neurologische aandoening heeft die zich uit door een verminderde functionele vaardigheid om veilig een motorvoertuig te besturen, wordt de rijgeschiktheid en de geldigheidsduur ervan bepaald door de geneesheer van het centrum bedoeld in artikel 45 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs.

1.1.2. De kandidaat die lijdt aan een aandoening van het centraal of het perifeer zenuwstelsel waardoor een acute stoornis in de hersenfuncties veroorzaakt kan worden met een plotseling bewustzijnsverlies of een plotseling onvermogen van de kandidaat tot gevolg, is niet rijgeschikt.

1.1.3. De kandidaat wiens functionele, zintuiglijke, cognitieve of locomotorische vaardigheden zijn aangetast door een heelkundige ingreep wegens een intracraniële aandoening, of die een cerebro-vasculaire aandoening heeft gehad, kan ten vroegste zes maanden na het verschijnen van die functiestoornis rijgeschikt worden verklaard. De kandidaat met een tijdelijke doorbloedingsstoornis zonder functionele stoornissen kan door een neuroloog rijgeschikt verklaard worden. Deze bepaalt eveneens de geldigheidsduur.

1.1.4. De kandidaat met een evolutieve aandoening met invloed op de functionele vaardigheden om veilig een motorvoertuig te besturen wordt aan een regelmatig onderzoek onderworpen. De geldigheidsduur van de rijgeschiktheid kan maximaal vijf jaar bedragen tot de leeftijd van 50 jaar en maximaal drie jaar vanaf deze leeftijd.

1.1.5. Bij de beoordeling van sensibele of motorische stoornissen of van evenwichts- of coördinatiestoornissen veroorzaakt door een aandoening  van het centraal of het perifeer zenuwstelsel, wordt rekening gehouden met de functionele gevolgen en de mogelijke progressie van de aandoening.

1.1.6. De kandidaat met een lichamelijke, geestelijke of cognitieve ontwikkelingsstoornis of verworven stoornis, ook als die het gevolg is van een verouderingsproces en die zich uit in een belangrijke afwijking in gedragingen, een stoornis in het oordeels-, aanpassings- of perceptievermogen of die de psychomotorische reacties van de kandidaat verstoort is niet rijgeschikt.

De kandidaat kan rijgeschikt worden verklaard indien hij minstens zes maand vrij is van genoemde stoornissen.

De geldigheidsduur van de rijgeschiktheid bedraagt maximaal een jaar.

1.2. Normen voor de kandidaten van groep 2

De kandidaat kan rijgeschikt worden verklaard wanneer hij minstens een jaar vrij is van belangrijke neurologische afwijkingen. Een verslag van een neuroloog is vereist.

2. Geestelijke aandoeningen

2.1. Normen voor de kandidaten van groep 1

2.1.1. De geneesheer, gekozen door de kandidaat, verwijst deze naar een psychiater voor het inwinnen van het psychiatrisch advies betreffende de rijgeschiktheid en de geldigheidsduur ervan.

2.1.2. De kandidaat die een geestelijke aandoening heeft die een plotselinge bewustzijnsstoornis, een dissociatieve of een acute stoornis van de hersenfuncties kan veroorzaken, zich uitend in een belangrijke afwijking in het gedrag, een plotseling functieverlies, stoornissen in het oordeels-, aanpassings- of perceptievermogen of de psychomotorische reacties van de kandidaat verstoren is niet rijgeschikt.

2.1.3. De kandidaat kan rijgeschikt worden verklaard indien hij minstens zes maanden vrij is van de in 2.1.2. bedoelde stoornissen.

De geldigheidsduur van de rijgeschiktheid bedraagt maximaal een jaar.

2.1.4. De kandidaat met schizofrenie kan rijgeschikt worden verklaard wanneer hij tenminste twee jaar recidief vrij is, voldoende ziekte-inzicht heeft en de defecttoestand van lichte aard is. De geldigheidsduur van de rijgeschiktheid bedraagt maximaal drie jaar.

2.1.5. De kandidaat met waanstoornissen zonder onberekenbaar, agressief of impulsief gedrag en wiens rijgedrag niet beïnvloed wordt door de medicatie, kan rijgeschikt worden verklaard.

De geldigheidsduur van de rijgeschiktheid bedraagt maximaal een jaar.

2.1.6. De kandidaat met een tijdelijke, belangrijke of een regelmatig terugkerende stemmingsstoornis van het manische, het depressieve of het gemengd type, is niet rijgeschikt. Indien de kandidaat onder regelmatig geneeskundig toezicht staat, een volledig inzicht in zijn aandoening heeft en minstens zes maand recidief vrij is, kan hij rijgeschikt worden verklaard. De geldigheidsduur van de rijgeschiktheid bedraagt maximaal drie jaar.

2.1.7. De kandidaat met persoonlijkheidsstoornissen is niet rijgeschikt indien hij een ernstig psychiatrisch toestandsbeeld vertoont dat het oordeelsvermogen nadelig beïnvloedt.

2.2. Normen voor de kandidaten van groep 2

De kandidaat is in principe niet rijgeschikt. Uitzonderlijk kan de kandidaat op voorlegging van een gunstig erslag van een psychiater rijgeschikt worden verklaard.

3. Epilepsie

3.1. De kandidaat met epilepsie of die een epileptische aanval heeft gehad, ongeacht het al dan niet ondergaan hebben van curatieve cerebrale chirurgie, is niet rijgeschikt. Een persoon heeft epilepsie indien hij binnen een periode van vijf jaar twee of meerdere niet uitgelokte epileptische aanvallen heeft gehad. Na vijf jaar aanvalsvrijheid kan een nieuwe aanval beschouwd worden als een eerste aanval.

Een geneesheer gespecialiseerd in de neurologie of neuropsychiatrie bepaalt het specifieke epilepsie syndroom en het (de) aanvalstype(n), nodig om het risico op verdere aanvallen in te schatten. Bij andere oorzaken van bewustzijnsverlies of -daling houdt hij rekening met het risico op herhaling tijdens het rijden en met de andere desbetreffende criteria vermeld in deze bijlage. Hij formuleert het advies betreffende de rijgeschiktheid en de geldigheidsduur ervan.

3.2. Normen voor de kandidaten van groep 1

3.2.1. De kandidaat die één aanval van epilepsie heeft gehad, kan rijgeschikt worden verklaard na een aanvalsvrije periode van minstens zes maanden.

3.2.2. De kandidaat die één aanval van epilepsie heeft gehad, kan na een aanvalsvrije periode van minstens drie maanden, rijgeschikt worden verklaard indien het elektro-encefalogram geen epileptiforme tekens vertoont en de neurologische beeldvorming niet wijst op het bestaan van een epileptogene cerebrale pathologie.

3.2.3. De kandidaat die ten gevolge van een aanwijsbare en vermijdbare oorzaak een eenmalige uitgelokte aanval van epilepsie heeft vertoond, kan na een aanvalsvrije periode van minstens drie maanden rijgeschikt worden verklaard indien het elektro-encefalogram verricht na de periode van provocatie geen epileptiforme tekens vertoont en een uitgebreid specialistisch onderzoek niet wijst op het bestaan van een epileptogene cerebrale pathologie. Indien de aanval optrad tengevolge van het gebruik of wegens de onthouding van het gebruik van alcohol en/of psychotrope stoffen dient men dit in de beoordeling te betrekken volgens de desbetreffende criteria voorzien in punt IV. « Normen betreffende het gebruik van alcohol, psychotrope stoffen en geneesmiddelen ».

3.2.4. De kandidaat met epilepsie kan rijgeschikt worden verklaard na een aanvalsvrije periode van minstens één jaar.

3.2.5. De kandidaat, met een tevoren stabiele situatie, die een epileptische aanval heeft vertoond ten gevolge van het afbouwen, wijzigen van de dosering of het type van de anti-epileptica, kan rijgeschikt worden verklaard drie maanden na de laatste aanval indien de vorige behandeling wordt hervat. Indien er een andere behandeling wordt gestart, kan de kandidaat rijgeschikt verklaard worden 6 maand na de laatste aanval. De geneesheer licht de kandidaat in over de mogelijke risico's bij het afbouwen of veranderen van de medicatie.

3.2.6. De kandidaat die uitsluitend aanvallen van epilepsie vertoont die geen invloed hebben op het bewustzijn en die geen aanleiding geven tot enig andere beperking met betrekking tot een veilige verkeersdeelname, en die in de anamnese vrij is van andere epilepsie-aanvallen, kan rijgeschikt worden verklaard wanneer deze toestand tenminste één jaar bestaat.

3.2.7. De kandidaat die gedurende een periode van twee jaar uitsluitend aanvallen van epilepsie heeft gehad tijdens de slaap, kan rijgeschikt worden verklaard.

3.2.8. De kandidaat met epilepsie die hiervoor curatieve cerebrale chirurgie heeft ondergaan, kan na een periode zonder aanvallen van minstens een jaar rijgeschikt worden verklaard. Indien de aandoening of de ingreep een invloed heeft of heeft gehad op de motorische controle, het gedrag, het oordeels-, aanpassing-, waarneming- en perceptievermogen, zijn de bepalingen voorzien in punt II. 1. « Neurologische aandoeningen » van toepassing.

3.2.9. De voorwaarden voor het afleveren van een rijgeschiktheidsattest of voor de verlenging van de geldigheidsduur zijn dat de kandidaat onder regelmatig geneeskundig toezicht staat, voldoende inzicht heeft in de aandoening, blijk geeft van een strikte therapietrouw en de voorgeschreven medicamenteuze anti-epileptische behandeling nauwgezet volgt. Een uitgebreid neurologisch onderzoek laat tot een stabilisatie van de toestand besluiten. Een gunstig neurologisch verslag is steeds vereist.

3.2.10. De geldigheidsduur van het rijgeschiktheidsattest is voor de eerste afgifte beperkt tot één jaar. Indien de kandidaat in deze periode vrij van aanvallen is gebleven kan de geldigheidsduur worden verlengd tot maximaal vijf jaar na de laatste aanval. Na een periode zonder aanvallen van vijf opeenvolgende jaren, kan een rijgeschiktheidsattest zonder beperking in de geldigheidsduur worden afgeleverd.

Voor de kandidaten vermeld onder 3.2.6 en 3.2.7 wordt een rijgeschiktheidsattest met een geldigheidsduur van één jaar, jaarlijks verlengbaar, afgeleverd. Voor deze kandidaten kan een rijgeschiktheidsattest met een onbeperkte geldigheidsduur afgeleverd worden na vier opeenvolgende verlengingen.

3.3. Normen voor de kandidaten van groep 2

3.3.1. De kandidaat die een éénmalige niet uitgelokte aanval van epilepsie heeft gehad en reeds vijf jaar geen aanvallen van welke vorm ook heeft vertoond kan rijgeschikt worden verklaard.

3.3.2. De kandidaat die ten gevolge van een aanwijsbare en vermijdbare oorzaak een eenmalige uitgelokte aanval van epilepsie heeft vertoond, kan na een aanvalsvrije periode van minstens een jaar rijgeschikt worden verklaard. Indien er prognostisch uitzonderlijk gunstige factoren zijn, kan de kandidaat rijgeschikt verklaard worden na een aanvalsvrije periode van minstens zes maanden. Indien de aanval optrad tengevolge van het gebruik of wegens de onthouding van het gebruik van alcohol en/of psychotrope stoffen dient men dit in de beoordeling te betrekken volgens de desbetreffende criteria bedoeld in punt IV. Normen betreffende het gebruik van alcohol, psychotrope stoffen en geneesmiddelen.

3.3.3. De kandidaat met epilepsie, ongeacht de vorm, kan rijgeschikt worden verklaard na een ononderbroken periode van ten minste tien jaar zonder aanvallen van welke vorm ook. Indien er prognostisch uitzonderlijk gunstige factoren zijn, kan de kandidaat met epilepsie rijgeschikt verklaard worden voor het besturen van een voertuig bedoeld in artikel 43 of van de categorie C1 na een ononderbroken periode van ten minste twee jaar zonder aanvallen van welke vorm ook.

3.3.4. De voorwaarden voor het afleveren van of voor de verlenging van de geldigheidsduur van het rijgeschiktheidsattest zijn dat de kandidaat aanvalsvrij is gebleven voor de vereiste periode en dit zonder anti-epileptische medicatie, onder regelmatig geneeskundig toezicht staat, voldoende inzicht heeft in de aandoening, het elektro-encefalogram geen epileptiforme afwijkingen vertoont, en de neurologische beeldvorming niet wijst op het bestaan van een epileptogene cerebrale pathologie. Een gunstig neurologisch verslag is steeds vereist. Dit verslag geeft aan dat er geen aanwijzingen zijn dat het risico op een nieuwe aanval, bewustzijnsverlies; of -daling tijdens het rijden groter is dan 2 % per jaar.

3.3.5. De geldigheidsduur van het rijgeschiktheidsattest is voor de eerste afgifte beperkt tot een jaar en kan gedurende de vijf volgende jaren telkens worden verlengd met maximaal een jaar.

Na deze periode is de geldigheidsduur voorgeschreven in artikel 44, § 5, van toepassing.

4. Pathologische somnolentie

4.1. Normen voor de kandidaten van groep 1

4.1.1. De kandidaat met pathologische somnolentie of bewustzijnsstoornissen ten gevolge van het narcolepsie/cataplexiesyndroom of het slaapapneusyndroom is niet rijgeschikt. De kandidaat met een matig of ernstig slaapapneusyndroom is niet rijgeschikt.

4.1.2. De geneesheer, gekozen door de kandidaat, verwijst deze laatste naar een neuroloog, voor het inwinnen van een neurologisch advies betreffende de rijgeschiktheid en de geldigheidsduur ervan.

4.1.3. De kandidaat met een narcolepsie/cataplexiesyndroom, die onder behandeling geen symptomen vertoont, kan rijgeschikt worden verklaard zes maanden na het uitblijven van deze bewustzijns-stoornissen.

De geldigheidsduur van de rijgeschiktheid bedraagt maximaal twee jaar.

4.1.4. De kandidaat met een matig of ernstig slaapapneusyndroom kan rijgeschikt worden verklaard een maand na het instellen van een succesvolle behandeling. Adequate medische opvolging en therapietrouw zijn vereist.

De geldigheidsduur van de rijgeschiktheid bedraagt maximaal twee jaar. Is de kandidaat, na deze periode, nog steeds vrij van de stoornissen of anomalieën, en is er adequate medische opvolging en therapietrouw, dan kan een rijgeschiktheidsverklaring zonder beperking van de geldigheidsduur worden afgeleverd.

4.2. Normen voor de kandidaten van groep 2

4.2.1. De kandidaat met pathologische somnolentie of bewustzijnsstoornissen ten gevolge van het narcolepsie/cataplexiesyndroom of het slaapapneusyndroom is niet rijgeschikt. De kandidaat met een matig of ernstig slaapapneusyndroom is niet rijgeschikt.

4.2.2. De kandidaat met een matig of ernstigslaapapneusyndroom kan rijgeschikt worden verklaard een maand na het instellen van een succesvolle behandeling. Een gunstig verslag, adequate medische opvolging en therapietrouw zijn vereist.

De geldigheidsduur van de rijgeschiktheid bedraagt maximaal een jaar. Is  de kandidaat na deze periode nog steeds vrij van de symptomen en is er adequate medische opvolging en therapietrouw, dan is de geldigheidsduur voorgeschreven in artikel 44 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs van toepassing.

5. Locomotorische aandoeningen

5.1. De kandidaat die verminderde functionele vaardigheden vertoont ten gevolge van een aantasting van het muskulo-skeletaal systeem, een aandoening van het centraal of perifeer zenuwstelsel of elke andere aandoening waardoor een beperking ontstaat van zijn motorische controle, zijn waarnemingen of zijn gedrag en zijn beoordelingsvermogen, die een invloed hebben op het veilig besturen van een motorvoertuig, is niet rijgeschikt.

5.2. Normen voor de kandidaten van groep 1

5.2.1. De geneesheer van het centrum, bedoeld in artikel 45 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs bepaalt de rijgeschiktheid en de geldigheidsduur ervan.

5.2.2. De geneesheer van het centrum, bedoeld in artikel 45 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs kan voor het bepalen van de rijgeschiktheid zelf geneeskundige onderzoeken uitvoeren of deze laten uitvoeren door een ander geneesheer. Hij kan gebruik maken van alle middelen, die de geneeskunde biedt en zich steunen op de resultaten van een praktische rijtest met een motorvoertuig van de gewenste categorie.

De geneesheer houdt rekening met de categorie waarvoor het rijbewijs wordt aangevraagd en de omstandigheden waarin dit laatste zal worden gebruikt.

5.2.3. Om rijgeschikt te zijn dient de kandidaat te voldoen aan alle in deze bijlage vermelde voorwaarden voor de kandidaten van groep 1 alsmede aan de eisen inzake kennis, vaardigheid en gedrag voor het besturen van een motorvoertuig, toepasbaar op de categorieën waarvoor hij een rijbewijs aanvraagt of om de verlenging ervan verzoekt. De kandidaat dient, met zijn aangepast voertuig, dezelfde prestaties te kunnen leveren als een valide bestuurder met eenzelfde niet aangepast voertuig.

5.2.4. De geneesheer van het centrum, bedoeld in artikel 45 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs bepaalt, in voorkomend geval, de nodige aanpassingen, voorwaarden en beperkingen. Deze worden vermeld op het attest van rijgeschiktheid.

“Aanpassingen” zijn de nodige verbouwingen aan en uitrustingen van een motorvoertuig die vereist zijn om een vermindering van de functionele vaardigheden te ondervangen zodat dat voertuig  veilig kan worden bestuurd overeenkomstig de reglementaire bepalingen.

De voorwaarden en beperkingen worden bepaald op basis van de lichamelijke en geestelijke toestand van de kandidaat, rekening houdend met de risico's, omstandigheden en gevaren, eigen aan het besturen van bepaalde voertuigen.

Deze voorwaarden en beperkingen kunnen onder meer betrekking hebben op de rijbewijscategorie, het type van voertuig, de gebruiksvoorwaarden, het ogenblik van gebruik, de actieradius, de geldigheidsduur, het gebruik van orthesen of prothesen.

5.3. Normen voor de kandidaten van groep 2

De kandidaat wordt, nadat door de geneesheer bedoeld in artikel 44, §§ 1 en 4 vastgesteld werd dat op louter geneeskundige gronden de toestand van de kandidaat in overeenstemming is met de minimumnormen, verwezen naar het centrum, bedoeld in artikel 45 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs. De geneesheer van dit centrum zal op basis van de in punten 5.2.3. en 5.2.4. gestelde normen zijn besluiten opmaken en deze ter beschikking stellen van de verwijzende geneesheer.

6. Aandoeningen van hart en bloedvaten

6.1. Normen voor de kandidaten van groep 1

6.1.1. De geneesheer, gekozen door de kandidaat, verwijst de kandidaat naar een cardioloog voor het inwinnen van het cardiologisch advies betreffende de rijgeschiktheid en geldigheidsduur ervan.

6.1.2. De kandidaat die lijdt aan een aandoening met een duidelijk verhoogd risico op een plotselinge bewustzijnsstoornis of een plotseling functieverlies, is niet rijgeschikt.

6.1.3. De kandidaat, die lichte tot matige klachten vertoont ten gevolge van chronisch hartfalen bij gewone of lichte fysieke inspanning (New York Hart Association (NYHA) klasse 2), kransvatlijden, cardiomyopathie, een aangeboren of verworven klepafwijking (al dan niet met een prothese), een aangeboren of verworven gebrek van het hart of de grote vaten, kan rijgeschikt worden verklaard.

De geldigheidsduur van de rijgeschiktheid bedraagt maximaal vijf jaar.

6.2. Normen voor de kandidaten van groep 2

De kandidaat met klachten ten gevolge van chronisch hartfalen enkel bij gewone fysieke inspanning (NYHA klasse 2), cardiomyopathie, aangeboren gebrek van het hart of de grote vaten, aangeboren of verworven klepafwijking (al dan niet met een  klepprothese), een ischemische hartziekte ten gevolge van een kransvatlijden, kan rijgeschikt worden verklaard. Een verslag van een cardioloog is vereist. De geldigheidsduur van de rijgeschiktheid bedraagt maximaal drie jaar.

6.3. Ritme en geleiding

6.3.1. Normen voor de kandidaten van groep 1

6.3.1.1. De geneesheer, gekozen door de kandidaat, verwijst de kandidaat naar een cardioloog voor het inwinnen van het cardiologisch advies betreffende de rijgeschiktheid en geldigheidsduur ervan.

6.3.1.2. De kandidaat met ernstige niet-gecorrigeerde en niet gecontroleerde stoornissen van het hartritme of van de atrioventriculaire geleiding is niet rijgeschikt.

6.3.1.3. De kandidaat met een ingeplante pacemaker is niet rijgeschikt tijdens de maand die volgt op de inplanting van de pacemaker of het vervangen van de pacemaker-elektrode. Bij het vervangen van enkel de pacemaker kan de kandidaat door de behandelende cardioloog onmiddellijk rijgeschikt worden bevonden.

Om rijgeschikt te zijn dient de kandidaat, die drager is van een pacemaker, het behandelingsplan van de behandelende cardioloog te volgen. De geldigheidsduur van de rijgeschiktheid kan maximaal drie jaar bedragen.

6.3.1.4. De kandidaat met een ingeplante automatische defibrillator is niet rijgeschikt.

6.3.1.4.1. De kandidaat die geen hartstilstand heeft gehad en bij wie om louter preventieve redenen een defibrillator ingeplant werd, kan rijgeschikt bevonden worden één maand na de datum van inplanting. De kandidaat kan rijgeschikt worden bevonden door de cardioloog van het geneeskundig centrum dat instaat voor de opvolging van de goede werking van de defibrillator en de behandeling van de kandidaat.

6.3.1.4.2. De kandidaat die een hartstilstand heeft gehad en bij wie een defibrillator ingeplant werd, kan na een periode van minstens drie maanden, te rekenen vanaf de datum van inplanting, rijgeschikt worden bevonden door de cardioloog van het geneeskundig centrum dat instaat voor de opvolging van de goede werking van de defibrillator en de behandeling van de kandidaat.

6.3.1.4.3. Als alleen de defibrillator vervangen wordt, kan de kandidaat onmiddellijk rijgeschikt worden verklaard. Bij het vervangen van de elektrode kan de kandidaat rijgeschikt worden verklaard één maand na de inplanting ervan. De cardioloog van het geneeskundig centrum dat instaat voor de opvolging van de goede werking van de defibrillator en de behandeling van de kandidaat, levert het rijgeschiktheidsattest af.

6.3.1.4.4. De kandidaat van wie de defibrillator een stroomstoot heeft gegeven die een invloed heeft gehad op het hartritme, is niet rijgeschikt.

De kandidaat kan na een periode van minstens drie maanden, te rekenen vanaf de datum van de laatste stroomstoot, rijgeschikt worden bevonden door de cardioloog van het geneeskundig centrum dat instaat voor de opvolging van de goede werking van de defibrillator en de behandeling van de kandidaat.

6.3.1.4.5. De voorwaarden voor het afleveren van een rijgeschiktheidsattest en voor het verlengen van de geldigheidsduur ervan zijn :

a) onder regelmatig geneeskundig toezicht staan;

b) voldoende inzicht hebben in de aandoening;

c) blijk geven van een strikte therapietrouw;

d) en het voorgeschreven behandelingsplan nauwgezet volgen.

6.3.1.4.6. Het rijgeschiktheidsattest kan een maximale geldigheidsduur hebben van drie jaar.

6.3.2. Normen voor de kandidaten van groep 2

6.3.2.1. De kandidaat met ernstige stoornissen van het hartritme of van de atrioventriculaire geleiding is niet rijgeschikt.

6.3.2.2. De kandidaat met een ingeplante pacemaker is niet rijgeschikt tijdens de drie maanden die volgen op de inplanting van de pacemaker of het vervangen van de pacemaker-elektrode. Een verslag van een cardioloog is vereist.

Bij het vervangen van enkel de pacemaker kan de kandidaat ten vroegste twee weken na de ingreep rijgeschikt worden verklaard. Een verslag van een cardioloog is vereist.

6.3.2.3. Om rijgeschikt te zijn dient de kandidaat die drager is van een ingeplante pacemaker het behandelingsplan van de behandelende cardioloog te volgen. De geldigheidsduur van de rijgeschiktheid kan maximaal een jaar bedragen. Een verslag van een cardioloog is vereist.

6.3.2.4. De kandidaat met een ingeplante defibrillator is niet rijgeschikt.

6.4. Bloeddruk

De systolische en diastolische bloeddruk worden beoordeeld in functie van de invloed ervan op de rijgeschiktheid.Er moet eveneens rekening gehouden worden met de invloed die het gebruik van bloeddrukverlagende middelen kan hebben op het bewustzijn van de kandidaat.

6.5. Coronair stelsel en myocard

6.5.1. Normen voor de kandidaten van groep 1

6.5.1.1. De geneesheer, gekozen door de kandidaat, verwijst de kandidaat naar een cardioloog voor het inwinnen van het cardiologisch advies betreffende de rijgeschiktheid en geldigheidsduur ervan.

6.5.1.2. De kandidaat met angina pectoris die optreedt bij rust, bij de minste emotie of andere relevante uitlokkende factor, is niet rijgeschikt. De rijgeschiktheid kan opnieuw geëvalueerd worden na het verdwijnen van de klachten van angina pectoris. De geldigheidsduur van de rijgeschiktheid bedraagt maximaal twee jaar. Een verslag van een cardioloog is vereist.

6.5.1.3. De kandidaat die één of meerdere myocardinfarcten heeft doorgemaakt is niet rijgeschikt. Op basis van een verslag van een cardioloog, rekening houdend met de klachten van de kandidaat en de evolutie van de aandoening, kan de kandidaat rijgeschikt worden verklaard.

6.5.2. Normen voor de kandidaten van groep 2

6.5.2.1. De kandidaat met angina pectoris die optreedt bij rust, bij de minste emotie of andere relevante uitlokkende factor, is niet rijgeschikt. De rijgeschiktheid kan opnieuw geëvalueerd worden na het verdwijnen van de klachten van angina pectoris. De geldigheidsduur van de rijgeschiktheid bedraagt maximaal een jaar. Een verslag van een cardioloog is vereist.

6.5.2.2. De kandidaat met belangrijke beschadiging van het myocard, duidelijk aangetoonde letsels van een vroeger myocardinfarct, duidelijk bewezen tekens van coronair lijden en hartfalen is niet rijgeschikt.

6.5.2.3. Indien het evenwel gaat om één of meer beperkte infarcten, met behoud van een goede hartfunctie en zonder ritmestoornissen, kan de houder van een rijbewijs van groep 2 rijgeschikt worden verklaard. De rijgeschiktheidsverklaring kan afgeleverd worden minimaal drie maand na het optreden van het laatste infarct. De geldigheidsduur van de rijgeschiktheid bedraagt maximaal twee jaar. Een verslag van een cardioloog is vereist.

7. Diabetes mellitus

7.1. De kandidaat met diabetes mellitus is niet rijgeschikt.

De kandidaat met een verhoogd risico op een ernstige hypoglykemie of met een ernstige hypoglykemie, ongeacht het moment waarop ze is opgetreden, is niet rijgeschikt. De kandidaat kan rijgeschikt worden verklaard door een arts met bijzondere beroepstitel in de endocrino-diabetologie.

De kandidaat met een verhoogd risico op een ernstige hyperglykemie of met een ernstige hyperglykemie, ongeacht het moment waarop ze is opgetreden, is niet rijgeschikt. De kandidaat kan rijgeschikt worden verklaard door een arts met bijzondere beroepstitel in de endocrino-diabetologie.

De kandidaat met een recurrente hypoglykemie of de kandidaat die onvoldoende inzicht heeft in het risico op hypoglykemie die de rijgeschiktheid in gevaar brengt, is niet rijgeschikt. De kandidaat kan rijgeschikt worden verklaard door een arts met bijzondere beroepstitel in de endocrino-diabetologie.

Onder ernstige hypoglykemie wordt verstaan een toestand van een te lage bloedsuikerspiegel waarbij een persoon behoefte heeft aan bijstand van een andere persoon om uit deze toestand te komen. Er is sprake van recurrente hypoglykemie bij een tweede aanval van ernstige hypoglykemie in een periode van twaalf maanden.

Onder ernstige hyperglykemie wordt verstaan een toestand van een te hoge bloedsuikerspiegel waarbij een persoon behoefte heeft aan bijstand van een andere persoon om uit deze toestand te komen. Er is sprake van recurrente hyperglykemie bij een tweede aanval van ernstige hyperglykemie in een periode van twaalf maanden.

7.2. De kandidaat kan rijgeschikt worden verklaard, mits wordt voldaan aan de specifieke vereisten van de gewenste rijbewijscategorie.

7.3. De kandidaat met diabetes mellitus bij wie de aandoening gepaard gaat met ernstige verwikkelingen ter hoogte van de ogen, het zenuwstelsel, het hart of de bloedvaten, wordt doorverwezen naar de artsen gespecialiseerd in dit type aandoening om hun respectief advies in te winnen.

De kandidaat met locomotorische stoornissen die een invloed kunnen hebben op het veilig besturen van een motorvoertuig, wordt doorverwezen naar het in artikel 45 bedoelde centrum. De arts van het centrum wint de nodige adviezen in en bezorgt overeenkomstig de bepalingen van artikel 45 het attest of zijn conclusies aan de in artikel 44 bedoelde arts, rekening houdend met de vereiste voorwaarden, beperkingen en aanpassingen.

7.4. Normen voor de kandidaten van groep 1

7.4.1. De kandidaat met diabetes mellitus die wordt behandeld met een dieet en/of met (orale of inspuitbare) bloedsuikerverlagende medicatie, wendt zich tot een arts, die zijn rijgeschiktheid en de geldigheidsduur ervan bepaalt.

De geldigheidsduur van de rijgeschiktheid bedraagt maximaal 5 jaar.

7.4.2. De rijgeschiktheid van een kandidaat die 3 of meer insuline-inspuitingen per dag of een behandeling met een insulinepomp toegediend krijgt, wordt bepaald door een arts met bijzondere beroepstitel in de endocrino-diabetologie.

De geldigheidsduur van de rijgeschiktheid bedraagt maximaal 5 jaar.

7.4.3. De kandidaat met een recurrente hypoglykemie kan rijgeschikt worden verklaard ten minste 3 maanden na het optreden van de hypoglykemie die aanleiding gaf tot de status « recurrentie », met inachtneming van de in 7.5.4 bedoelde criteria.

Een gunstig verslag van een arts met bijzondere beroepstitel in de endocrino-diabetologie is vereist. Het verslag bevat ook een voorstel over de eventuele voorwaarden en/of beperkingen.

7.4.4. De kandidaat kan rijgeschikt worden verklaard indien hij een stabiele diabetes heeft, voldoende inzicht heeft in zijn aandoening, het risico op hypoglykemie kent en de symptomen ervan herkent, blijk geeft van strikte therapietrouw, een diabeteseducatie heeft gevolgd en onder geregeld geneeskundig toezicht staat.

7.4.5. Bij elke verlenging van de geldigheidsduur van de rijgeschiktheid legt de arts de kandidaat uit welke tekens op hypoglykemie wijzen en hoe hij deze toestand kan voorkomen.

Wanneer de resultaten van de bloedsuikerspiegelmetingen beschikbaar zijn, evalueert de arts ze en bespreekt hij ze met de kandidaat.

De kandidaat die medicatie gebruikt die een hypoglykemie kan veroorzaken, moet altijd snelle suikers binnen handbereik hebben in het voertuig dat hij bestuurt.

7.5. Normen voor de kandidaten van groep 2

7.5.1. De kandidaat met diabetes mellitus die wordt behandeld met een dieet of met (orale of inspuitbare) bloedsuikerverlagende medicatie die in een therapeutische dosis geen hypoglykemie kan veroorzaken, kan rijgeschikt worden verklaard.

Een gunstig verslag van de arts is vereist.

De geldigheidsduur van de rijgeschiktheid bedraagt maximaal 3 jaar.

7.5.2. De kandidaat met diabetes mellitus die wordt behandeld met bloedsuikerverlagende medicatie die in een therapeutische dosis hypoglykemieaanvallen kan veroorzaken of wordt behandeld met insuline, kan rijgeschikt worden verklaard.

Een gunstig verslag van een arts met bijzondere beroepstitel in de endocrino-diabetologie is vereist. Het verslag bevat ook een voorstel over de eventuele voorwaarden en/of beperkingen.

De geldigheidsduur van de rijgeschiktheid bedraagt maximaal 3 jaar.

7.5.3. De kandidaat met een recurrente hypoglykemie kan rijgeschikt worden verklaard ten minste 3 maanden na het optreden van de hypoglykemie die aanleiding gaf tot de status « recurrentie », met inachtneming van de in 7.5.4 bedoelde criteria.

Een gunstig verslag van een arts met bijzondere beroepstitel in de endocrino-diabetologie is vereist. Het verslag bevat ook een voorstel over de eventuele voorwaarden en/of beperkingen.

De geldigheidsduur van de rijgeschiktheid bedraagt maximaal 3 jaar.

7.5.4. De kandidaat kan rijgeschikt worden verklaard indien hij een stabiele diabetes heeft, voldoende inzicht heeft in zijn aandoening, het risico op hypoglykemie kent en de symptomen ervan herkent, blijk geeft van strikte therapietrouw, een diabeteseducatie heeft gevolgd en onder geregeld geneeskundig toezicht staat.

De kandidaat die medicatie gebruikt die een hypoglykemie kan veroorzaken, moet zijn toestand op afdoende wijze controleren door minstens tweemaal per dag en op voor het rijden relevante tijdstippen zijn bloedsuikerspiegel te meten en de nodige maatregelen te nemen.

De kandidaat die medicatie gebruikt die een hypoglykemie kan veroorzaken, moet altijd snelle suikers binnen handbereik hebben in het voertuig dat hij bestuurt.

7.5.5. Op verzoek van de in artikel 44 bedoelde arts verstrekt de behandelende arts hem alle bovenvermelde en andere relevante medische gegevens, alsook zijn advies omtrent de rijgeschiktheid van de kandidaat.

De keuringsarts bepaalt de rijgeschiktheid en indien nodig de voorwaarden.

8. Aandoeningen van het gehoor en vestibulair systeem 

8.1. De kandidaat die een aandoening van het vestibulair stelsel heeft, die een plotselinge aanval van duizeligheid of een plotselinge evenwichtsstoornis kan veroorzaken is niet rijgeschikt.

8.2. De geneesheer, gekozen door de kandidaat van groep 1,verwijst de kandidaat naar een specialist Neus-, Keel- en Oorziekten voor het inwinnen van een advies betreffende de rijgeschiktheid en geldigheidsduur ervan.

8.3. Voor de kandidaat van groep 2 is een verslag van de specialist Neus-, Keel- en Oorziekten vereist.

8.4. De kandidaat van groep 1 of 2 met hypoaccusie of doofheid is rijgeschikt indien dit niet gepaard gaat met ernstige vestibulaire stoornissen.

III. Normen betreffende de visuele functies

| Algemene bepalingen | Gezichtsscherpte | Het gezichtsveld | Zicht bij schemerlicht |

1. Algemene bepalingen

1.1. De kandidaat van groep 1 bedoeld in artikel 41, § 3, en de kandidaat van groep 2, behalve als de in artikel 44, § 4, bepaalde geneesheer voor deze laatste de vereiste onderzoeken kan uitvoeren, wenden zich tot de oogarts van hun keuze, die, op het vlak van het visueel functioneren, de rijgeschiktheid en de geldigheidsduur ervan moet bepalen.

1.2. De beoordeling van de rijgeschiktheid houdt rekening met de diverse aspecten van het visueel functioneren die noodzakelijk zijn om een motorvoertuig in alle veiligheid te besturen. Er dient bijzondere aandacht te worden besteed aan de gezichtsscherpte, het gezichtsveld, het gezichtsvermogen in het schemerdonker, de licht- en contrastgevoeligheid, diplopie en andere visuele functies die essentieel zijn om een motorvoertuig in alle veiligheid te besturen.

1.3. De kandidaat met een stoornis in het visueel functioneren die het in alle veiligheid besturen van een motorvoertuig kan verhinderen, is niet rijgeschikt. De kandidaat van groep 1 met een beperking door een gestoorde contrastgevoeligheid kan rijgeschikt verklaard worden door de oogarts.

1.4. De kandidaat met een progressieve visuele functiestoornis is niet rijgeschikt. Indien deze stoornis het in alle veiligheid besturen van een motorvoertuig niet kan verhinderen, kan de kandidaat rijgeschikt verklaard worden door de oogarts. De geldigheidsduur van het attest is maximaal tien jaar.

1.5. Na een belangrijke verandering in het visueel functioneren, bijvoorbeeld na het ontstaan van diplopie of het functioneel monoculair worden, is de kandidaat niet rijgeschikt. De kandidaat kan rijgeschikt worden verklaard door de oogarts indien de aandoening het in alle veiligheid besturen van een motorvoertuig niet verhindert.

2. Gezichtsscherpte

2.1. Indien de kandidaat verplicht is een optische correctie te dragen om de vereiste gezichtsscherpte te bereiken of om een visueel functioneren te garanderen zodanig dat de kandidaat in alle veiligheid een motorvoertuig kan besturen, wordt deze vermeld op het afgeleverde attest door de oogarts.

2.2. De correctie moet goed verdragen worden en mag geen aanleiding geven tot een stoornis in andere visuele functies.

2.3. Normen voor de kandidaten van groep 1

2.3.1. De kandidaat moet, zo nodig met een optische correctie, een binoculaire gezichtsscherpte van ten minste 5/10 hebben.

2.3.2. Op gunstig advies van de oogarts kan de kandidaat, die niet voldoet aan de normen van de gezichtsscherpte, in uitzonderlijke gevallen rijgeschikt verklaard worden door de geneesheer, van het centrum bedoeld in artikel 45, overeenkomstig de bepalingen van het punt II.5.2.2., op voorwaarde dat hij, indien nodig met optische correctie, een gezichtsscherpte van minimaal 3/10 behaalt en voldoet aan de norm van het gezichtsveld; hij moet slagen voor een rijtest in het centrum bedoeld in artikel 45. In dat geval bezorgt de oogarts aan de geneesheer van dit centrum een verslag betreffende het visueel functioneren van de kandidaat. Dit verslag moet onder meer aantonen dat het om een geïsoleerde visuele functiestoornis gaat.

2.4. Normen voor de kandidaten van groep 2

De kandidaat dient, zo nodig met een optische correctie, te beschikken over een gezichtsscherpte van ten minste 8/10 voor het beste oog en 1/10 voor het minder goede oog. Indien de waarden 8/10 en 1/10 worden bereikt met een optische correctie dient deze minimale gezichtsscherpte te zijn verkregen door brilglazen die niet sterker mogen zijn dan plus 8 dioptrieën, of door contactlenzen.

3. Het gezichtsveld

3.1. Het meten van het gezichtsveld gebeurt door middel van een perimeter. Indien de kandidaat verplicht is een optische correctie te dragen, gebeurt het meten van het gezichtsveld met deze optische correctie.

3.2. Normen voor de kandidaten van groep 1

3.2.1. Het horizontale binoculaire gezichtsveld dient minstens 120° te bedragen. Vanuit het centrum van dit gezichtsveld dient de amplitude minimaal 50° naar links en naar rechts, en minimaal 20° naar boven en onder te bedragen. De centrale 20° dienen vrij te zijn van enig absoluut defect.

3.2.2. Op gunstig advies van de oogarts kan de kandidaat, die niet voldoet aan de normen van het gezichtsveld, in uitzonderlijke gevallen, rijgeschikt verklaard worden door de geneesheer van het centrum bedoeld in artikel 45, overeenkomstig de bepalingen van het punt II.5.2.2., op voorwaarde dat hij voldoet aan de normen van de gezichtsscherpte; hij moet slagen voor een rijtest in het centrum bedoeld in artikel 45. In dat geval bezorgt de oogarts aan de geneesheer van dit centrum een verslag betreffende het visueel functioneren van de kandidaat, met vermelding van de oorzaak, prognose, stabiliteit en adaptatie. Uit het verslag moet ook blijken dat het om een geïsoleerde visuele functiestoornis gaat.

3.2.3. Als de kandidaat slechts één oog functioneel gebruikt, gelden dezelfde criteria als voor het binoculair functioneren. De kandidaat kan rijgeschikt verklaard worden door de oogarts.

3.3. Normen voor de kandidaten van groep 2

3.3.1. Het horizontale binoculaire gezichtsveld dient minstens 160° te bedragen. Vanuit het centrum van dit gezichtsveld dient de amplitude minimaal 70° naar links en naar rechts, en minimaal 30° naar boven en onder te bedragen. De centrale 30° dienen vrij te zijn van enig absoluut defect.

3.3.2. De kandidaat die slechts één oog functioneel gebruikt is niet rijgeschikt.

4. Zicht bij schemerlicht

Om rijgeschikt te zijn moet de kandidaat na vijf minuten aanpassing aan de duisternis een gezichtsscherpte vertonen van 2/10, eventueel met een optische correctie.

De gezichtsscherpte wordt gemeten voor beide ogen samen aan de hand van een schaal van optotypen, zwarte letters op witte grond, belicht met één Lux, geplaatst op een afstand van vijf meter van de kandidaat.

Bij twijfel zal nader onderzoek met een adaptometer plaatsvinden. De maximaal toegestane afwijking bedraagt één logeenheid.

IV. Normen betreffende het gebruik van alcohol, psychotrope stoffen en geneesmiddelen

1. Psychotrope stoffen en geneesmiddelen 

1.1. De geneesheer bepaalt de rijgeschiktheid en geldigheidsduur ervan.

1.2. De kandidaat die aan psychotrope stoffen verslaafd is of die stoffen overmatig gebruikt zonder daaraan verslaafd te zijn, is niet rijgeschikt.

1.3. De kandidaat die regelmatig, in welke vorm dan ook, psychotrope stoffen gebruikt die een nadelige invloed op de rijgeschiktheid kunnen hebben of die dusdanige hoeveelheden gebruikt dat het rijgedrag daardoor ongunstig wordt beïnvloed is niet rijgeschikt.

Hetzelfde geldt bij gebruik van alle andere geneesmiddelen of geneesmiddelencombinaties die de waarneming, de stemming, de aandacht, de psychomotoriek en het oordeelsvermogen ongunstig beïnvloeden.

1.4. De geneesheer gaat bij het voorschrijven van geneesmiddelen na welke de invloed is op het rijgedrag van elk geneesmiddel afzonderlijk, in combinatie met andere geneesmiddelen of in combinatie met alcohol. De geneesheer licht zijn patiënt in over de mogelijke gevolgen voor het rijgedrag.

1.5. De kandidaat die aan psychotrope stoffen verslaafd is geweest of er overmatig gebruik van heeft gemaakt, kan evenwel na een periode van bewezen onthouding van minstens zes maand rijgeschikt worden verklaard. De geldigheidsduur van de rijgeschiktheid is beperkt tot maximaal drie jaar.

2. Alcohol 

2.1. De geneesheer bepaalt de rijgeschiktheid en geldigheidsduur ervan.

2.2. De kandidaat die aan alcohol verslaafd is of zich niet kan onthouden van alcoholgebruik wanneer hij een motorvoertuig bestuurt, is niet rijgeschikt.

2.3. De kandidaat die aan alcohol verslaafd is geweest, kan evenwel na een periode van bewezen onthouding van minstens zes maand rijgeschikt worden verklaard. De geldigheidsduur van de rijgeschiktheid is beperkt tot maximaal drie jaar.

V. Normen betreffende nier- en leveraandoeningen

1. Normen voor de kandidaten van groep 1 

1.1. De geneesheer, gekozen door de kandidaat, verwijst deze naar een internist voor het inwinnen van een advies betreffende de rijgeschiktheid en geldigheidsduur ervan.

1.2. De kandidaat die aan een ernstige chronische nier- of leverinsufficiëntie lijdt, kan rijgeschikt worden verklaard mits een regelmatig geneeskundig toezicht. De geldigheidsduur van de rijgeschiktheid is beperkt tot maximaal twee jaar.

2. Normen voor de kandidaten van groep 2

De kandidaat die aan een ernstige chronische nier- of leverinsufficiëntie lijdt kan rijgeschikt worden verklaard mits een regelmatig geneeskundig toezicht. Een verslag van een internist is vereist. De geldigheidsduur van de rijgeschiktheid is beperkt tot maximaal een jaar.

VI. Implantaten

De kandidaat met een orgaantransplantatie of met een artificieel implantaat met een mogelijke weerslag op de rijgeschiktheid, kan evenwel rijgeschikt worden verklaard door de geneesheer van het centrum, bedoeld in artikel 45 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs, mits een verslag van de behandelende geneesheer-specialist en een regelmatig geneeskundig toezicht.

VII. Rijgeschiktheidsattest voor de kandidaat voor het rijbewijs van groep 1

VIII. Rijgeschiktheidsattest voor de kandidaat voor een rijbewijs van groep 1, afgeleverd door een oogarts

IX. Eigen verklaring voor de kandidaat voor het rijbewijs van groep 2

X. Oogonderzoek – kandidaat voor het rijbewijs van groep 2

XI. Rijgeschiktheidsattest voor de kandidaat voor het rijbewijs van groep 2

XII. Rijgeschiktheidsattest afgeleverd door de geneesheer van het centrum bedoeld in artikel 45 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs aan de kandidaat voor het rijbewijs van groep 1