15 MAART 1968. - Koninklijk besluit houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de auto's, hun aanhangwagens en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen.
[BS 28.03.1968]

Hoofdstuk II: Goedkeuring

Artikel 3. Toepassingsgebied

§1. Elk voertuig van de categorieën M, N, O, T, C, R en S, elk systeem, elk onderdeel of technische eenheid, dat of die bestemd zijn voor deze voertuigen, wordt gemonteerd of ingevoerd in België op grond van een aangifte ten verbruik, moet worden goedgekeurd door de bevoegde instantie.

Voor wat betreft het Vlaams Gewest, wordt tussen het woord “bevoegde” en het woord “instantie” het woord “Vlaamse” ingevoegd.

De goedkeuring bestaat uit de verificatie van de overeenstemming van het voertuig, type voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid met de voorschriften van dit besluit, hetzij door de afgifte van het EG of nationale goedkeuringscertificaat, hetzij door de verificatie van de overeenstemming van het voertuig, type, systeem, onderdeel of technische eenheid met het goedkeuringscertificaat dat eraan zou zijn toegekend door een andere Lidstaat.

§2. Dit hoofdstuk is van toepassing op de typegoedkeuring van in een of meer fasen ontworpen en gebouwde voertuigen die bestemd zijn voor gebruik op de weg, en van systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn ontworpen en gebouwd.

Het is ook van toepassing op de individuele goedkeuring van deze voertuigen.

Dit hoofdstuk is ook van toepassing op de onderdelen en de uitrustingsstukken die bestemd zijn voor deze voertuigen.

§3. Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de typegoedkeuring noch voor de individuele goedkeuring van de volgende voertuigen :

a) de vierwielers, zoals gedefinieerd in de richtlijn 2002/24/EG van het Europese Parlement en van de Raad van 18 maart 2002 betreffende de goedkeuring van twee- of driewielige motorvoertuigen;

b) de andere rupsvoertuigen dan die vermeld in categorie C.

§4. Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de volgende voertuigen :

a) de voertuigen die in gebruik werden genomen vóór 15 juni 1968 en die niet moesten gedekt zijn door een proces-verbaal van goedkeuring;

b) de aanhangwagens die uitsluitend gebruikt worden door de foorkramers en eigen zijn aan dat beroep;

c) de voertuigen van de federale en de lokale politie;

d) de voertuigen die zijn voorzien, overeenkomstig de vigerende reglementering, van een bewijs en van een proefrittenplaat;

e) het materieel dat door de bevoegde instantie wordt erkend als zijnde van speciale constructie.

Om deze erkenning te bekomen moet de fabrikant of zijn vertegenwoordiger bij de overheid die bevoegd is inzake goedkeuring de nodige documentatie indienen om het mogelijk te maken de juiste benaming van het type voertuig te bepalen. Deze wordt vastgelegd in een genummerd proces-verbaal van benaming (P.V.B.).

Deze bepaling is van toepassing op de voertuigen ingeschreven vanaf 1 januari 1982.

Voor wat betreft het Vlaams Gewest, wordt tussen het woord “bevoegde” en het woord “instantie” het woord “Vlaamse” ingevoegd.

f) de autovoertuigen en hun aanhangwagens die uitsluitend rijden tussen de laad- en loskaaien, de opslagplaatsen, de hangars en de magazijnen gelegen binnen de zee- en rivierhavens, overeenkomstig de bepalingen van een hiervoor afgeleverde gemeentelijke machtiging.

Voor wat betreft het Vlaams Gewest, wordt punt f) opgeheven.

§5. De individuele goedkeuring overeenkomstig dit hoofdstuk is niet van toepassing op de volgende voertuigen :

a) de voertuigen die uitsluitend zijn bestemd voor wegraces;

b) de prototypes van voertuigen die onder verantwoordelijkheid van een fabrikant op de weg worden gebruikt in het kader van een specifiek testprogramma, mits zij speciaal daarvoor zijn ontworpen en gebouwd.

Die voertuigen mogen alleen worden gebruikt in de voorwaarden voorgeschreven door de bevoegde instantie.

Voor wat betreft het Vlaams Gewest, wordt tussen het woord “bevoegde” en het woord “instantie” het woord “Vlaamse” ingevoegd.