15 MAART 1968. - Koninklijk besluit houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de auto's, hun aanhangwagens en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen.
[BS 28.03.1968]

Hoofdstuk III: Gebruik en lading

Artikel 19. Lading van de voor het vervoer van zaken gebouwde voertuigen

§1. De door de Minister van Verkeerswezen voor de automobielinspectie erkende organismen vermelden op het schouwingsbewijs van de voor het vervoer van zaken gebouwde voertuigen, de eigen massa van het voertuig en het laadvermogen.

Voor zover bij gebruik van het voertuig op de openbare weg de eigen massa niet verschilt van die vermeld op het schouwingsbewijs, is het laadvermogen de maximum massa van de lading die mag geladen en vervoerd worden door het voertuig, rekening houdend met de bepalingen van artikel 18.

§2. De bestuurder van een auto moet doelmatig beschermd zijn tegen alle verplaatsingen van de lading.

§3. Elk voertuig met een maximale toegelaten massa van meer dan 7.000 kg dat gebruikt wordt voor het vervoer van ladingen bestaande uit balken, buizen, palen, stalen platen, rollen, vaten en tonnen, boomstammen of gelijkaardige voorwerpen die van aard zijn om bij een brutale vertraging de bestuurdersruimte in te drukken of op gevaarlijke wijze te doorboren, moet:

  1. voorzien zijn van een voldoende aantal aangepaste vasthechtingsmiddelen waarmede die ladingen op veilige wijze kunnen worden vastgezet;
  2. uitgerust zijn met een scherm, gescheiden van de bestuurdersruimte, dat deze beschermt tegen alle mogelijke verplaatsingen van de lading. Het moet zich bevinden tussen de bestuurdersruimte en de lading en rechtstreeks aan het chassis of aan de voorkant van het laadvak zijn bevestigd. Bij gelede voertuigen, met uitzondering van mallejans, moet het scherm rechtstreeks aan het voorste gedeelte van de oplegger bevestigd zijn.

Dit scherm mag afneembaar zijn.

Deze bepalingen zijn niet toepasselijk op de voertuigen die speciaal voor het vervoer van ondeelbare voorwerpen zijn toegelaten, voor zover de toegelaten maximumsnelheid ervan niet meer bedraagt dan 25 km/u.

§4. Elk voertuig dat gebruikt wordt voor het vervoer van zaken moet voorzien zijn van een voldoende aantal verankeringspunten, aangepast aan de lading.

Deze verankeringspunten moeten aan een minimale kracht kunnen weerstaan van :

400 daN voor een voertuig met een MTM < 3,5 t;

800 daN voor een voertuig met een MTM > 3,5 t en < 7,5 t;

1 000 daN voor een voertuig met een MTM > 7,5 t en < 12 t;

2 000 daN voor een voertuig met een MTM > 12 t.

§5. De bepalingen van § 4 zijn niet van toepassing op :

de voertuigen die speciaal voor het vervoer van ondeelbare voorwerpen zijn toegelaten, voor zover de toegelaten maximumsnelheid ervan niet meer bedraagt dan 25 km/u;

de trage voertuigen die worden gebruikt voor landbouwdoeleinden;

de voertuigen en samenstellen van voertuigen die uitsluitend worden gebruikt door kermiskramers en eigen zijn aan dat beroep.

Deze bepalingen zijn bovendien uitsluitend van toepassing vanaf 1 mei 2008 voor de nieuwe typegoedkeuringen en vanaf 1 mei 2009 voor de voertuigen in nieuwe staat in het verkeer gebracht en voor de voertuigen omgebouwd na deze datum.