15 MAART 1968. - Koninklijk besluit houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de auto's, hun aanhangwagens en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen.
[BS 28.03.1968]

Hoofdstuk IV: Autokeuring

Artikel 23. Autokeuring

§1. De in het verkeer gebrachte voertuigen zijn onderworpen aan keuringen, teneinde na te gaan of ze voldoen aan de reglementaire bepalingen die erop van toepassing zijn.

Deze keuringen worden uitgevoerd door de erkende instellingen in toepassing van het koninklijk besluit van 23 december 1994 tot vaststelling van de erkenningsvoorwaarden en de regels van de administratieve controle van de instellingen belast met de controle van de in het verkeer gebrachte voertuigen.

De erkende instellingen zijn gemachtigd om vergoedingen te innen die bestemd zijn om de kosten die voortvloeien uit de keuringen voorzien in eerste alinea, alsook de bijhorende administratieve kosten te dekken.

§2. Uit te voeren keuringen :

A. Behoudens andersluidende bepalingen omvatten de keuringen de keuringen beschreven in bijlage 15 en de bijkomende keuringen waarin voorzien wordt in bijzondere reglementaire bepalingen.

B. Remdoelmatigheid van voertuigen in beladen toestand.

1. Voor de voertuigen met een maximale toegelaten massa (MTM) van meer dan 3,5 ton, wordt tijdens de keuringen bedoeld in bijlage 15, punt B,1, de remdoelmatigheid bij MTM geëvalueerd.

2. Evaluatie van de remdoelmatigheid bij MTM van een voertuig, gebeurt door de RD-methode waar een evaluatie gebeurt van de remkracht in functie van de cilinderdruk of door een rechtstreekse meting van de remkracht.

3. Het evalueren van de remdoelmatigheid bij MTM door middel van de RD-methode is :

a) toegelaten voor voertuigen aangeboden met een luchtdrukremsysteem dat minstens voldoet aan de bepalingen van de Europese richtlijn 71/320/EEG zoals gewijzigd door Richtlijn 79/489/EEG; of aan het Reglement n° 13 van Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties

b) verplicht voor de hiervoor bedoelde voertuigen die, om redenen van hygiëne en/of veiligheid, niet mogen aangeboden worden met een lading;

c) De verplichte RD-meting van punt b geldt niet voor voertuigen waarvan de typegoedkeuring vóór 1 oktober 1981 plaatsvond. Deze voertuigen zijn niet onderworpen aan de evaluatie van de remdoelmatigheid bij MTM. De remkrachten en het remonevenwicht worden opgemeten in de toestand zoals deze voertuigen worden voorgereden.

4. Bij de RD-methode moet een cilinderdruk bij de blokkeergrens van minstens 2 bar in rekening worden gebracht.

Dit kan bereikt worden door in het keuringsstation een systeem van lastsimulatie toe te passen, of door het voertuig te laten aanbieden met een deellading.

Het aanbieden van een voertuig met een deellading is niet van toepassing voor de voertuigen vermeld in 3 b) en c).

5. Rechtstreekse metingen van de remkracht zijn toegelaten indien:

— de massa van het voertuig, al of niet met lading, zoals het wordt voorgereden, minstens 2/3 van de MTM bedraagt;

— het een voertuig voor personenvervoer betreft.

6. Drukmeetpunten.

a) De voertuigen bedoeld in punt 3 waarvan de oorspronkelijke drukmeetpunten :

— niet gemakkelijk toegankelijk zijn vanaf de werkvloer, mogen uitgerust zijn met tijdelijke of permanente ontdubbelingsdrukmeetpunten;

— niet gemakkelijk toegankelijk zijn vanuit de inspectieput, zijn uitgerust met tijdelijke of permanente ontdubbelingsdrukmeetpunten.

b) De ontdubbelingsdrukmeetpunten zijn aan de linker buitenzijde van het voertuig geplaatst en bevinden zich zo dicht mogelijk bij de oorspronkelijke en hun onderlinge afstand bedraagt minstens 80 mm.

c) De ontdubbelingsdrukmeetpunten zijn conform de bepalingen van artikel 4 van de norm ISO 3583-1984.

d) Definitieve ontdubbelingsdrukmeetpunten die permanent aan de remkring aangekoppeld blijven, maken er deel van uit en zijn geplaatst door de constructeur of een door hem erkende werkplaats.

e) Tijdelijke ontdubbelingsdrukmeetpunten, maken geen deel uit van de remkring en worden verbonden met de originele drukmeetpunten. De daartoe gebruikte remleidingen zijn van een goedgekeurd type en hebben een buitendiameter kleiner dan 10 mm. Tijdelijke ontdubbelingsdrukmeetpunten worden door de gebruiker van het voertuig aangebracht vóór dat het voertuig ter keuring wordt aangeboden en verwijderd kort na die keuring.

f) De drukmeetpunten of hun ontdubbelingen moeten toegankelijk, functioneel en proper zijn.

g) De tijdelijke verbindingen moeten zodanig vastgehecht zijn dat ze de goede werking van het voertuig niet hinderen.

h) Boven elk ontdubbelingsdrukmeetpunt worden duidelijk en onuitwisbaar, met een letterhoogte van minimum 10 mm, de aanduidingen PCi of PCi,j,k aangebracht. De tekens i of i, j, k geven respectievelijk het volgnummer aan, van voor naar achter, van de door het drukmeetpunt bediende as of assen.

7. Controle- en afstelplaatje.

a) Tijdens de keuring wijst de bestuurder de plaats aan van het controle- en afstelplaatje voor de automatisch lastafhankelijke remkrachtregelaar (ALR) dat door de voertuigfabrikant op een goed zichtbare plaats werd aangebracht en dat de minimaal vereiste gegevens, bepaald in bijlage II van de Europese richtlijn 71/320/EEG, vermeldt.

b) Bij voertuigen die geen mechanisch of pneumatisch aangestuurde ALR hebben, zoals voertuigen uitgerust met elektronisch gestuurd remsysteem (EBS), is de minimale verzekerde druk voor de extrapolatie vermeld door middel van een plaatje op het voertuig of eventueel op de technische fiche.

c) Deze aanduidingen moeten steeds duidelijk leesbaar zijn en blijven, en elke verwarring moet uitgesloten zijn, om welk plaatje het ook gaat.

C. Behoudens in de gevallen opgenomen in punt B., worden de voertuigen aangeboden zonder lading.

D. De Minister die de autokeuring onder zijn bevoegdheid heeft, of zijn gemachtigde, bepaalt de modaliteiten met betrekking tot de diverse uit te voeren keuringen. *

Voor wat betreft het Vlaams Gewest, wordt de zinsnede “Minister die de autokeuring onder zijn bevoegdheid heeft, of zijn gemachtigde,” vervangen door de woorden “bevoegde Vlaamse instantie”.

(*) Nota van de FOD Mobiliteit en Vervoer (B.S. 03-10-2005)

Toepassing van artikel 23, § 2, B, 4.b en 6 en van artikel 24, § 1 van het koninklijk besluit van 15 maart 1968 houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de auto's, hun aanhangwagens, hun onderdelen en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen.

Voor voertuigen (MTM hoger dan 3,5 T) die voor de remtest met een lading worden aangeboden wordt het KB van 15 maart 1968, laatst gewijzigd bij KB van 17 maart 2003, als volgt verduidelijkt :

- Een lading kan een beperkte lading zijn om de minimum vereiste remdruk van 2 bar te bereiken, of een lading van minimum 2/3 van het MTM, uiteraard zonder het vereiste maximum te overschrijden.

- Een voertuig waarvoor een keuringsbewijs « Verboden tot het verkeer » werd afgeleverd mag alleen op de weg van en naar het station, een garagehouder-hersteller en de gebruikelijke standplaats van het voertuig gebruikt worden, zelfs met lading indien deze nuttig was of is voor de remtest.

- Een voertuig waarvoor een keuringsbewijs « Geldig voor 15 dagen » afgeleverd werd, mag als hierboven gebruikt worden en bovendien gedurende de bedoelde vijftien dagen gewoon gebruikt worden als de houder materieel of met een document (bevestiging door garagehouder-hersteller d.m.v. handtekening en stempel) kan aantonen dat het voertuig hersteld werd.

- Voertuigen voorzien van alle andere keuringsbewijzen kunnen normaal gebruikt worden tot de vervaldatum (bedoelde keuringsbewijzen zijn groen).

Brussel, 17 augustus 2005.
De Minister van Mobiliteit,
R. LANDUYT

§3. De kosten van de keuringen zijn ten laste van de titularis van het voertuig.

§4. De erkende instellingen maken in elk van hun keuringsstations door middel van een uithangbord de bedragen kenbaar van al de vergoedingen die zij gemachtigd zijn te innen.

De betalingen gebeuren contant.

§5. Het voertuig wordt aangeboden op initiatief van de titularis in één van de keuringsstations van de erkende instellingen.

Alle herkeuringen gebeuren in het keuringsstation waar de volledige keuring plaatsgevonden heeft.

§6. De voertuigen moeten zich in een zodanig propere staat bevinden dat de keuring van de onderdelen niet belemmerd wordt.

Bovendien zijn zij niet met sneeuwkettingen uitgerust.

De keuring wordt stopgezet wanneer brandstof- of gaslekken vastgesteld worden.

De bestuurder schikt zich naar de aanwijzingen die hem met het oog op de keuring van zijn voertuig verstrekt worden.

§7. Naar aanleiding van deze keuringen en voor zover het voertuig van deze documenten moet voorzien zijn, overhandigt diegene die het voertuig ter keuring aanbiedt het laatste keuringsbewijs en het bijhorende keuringsvignet aan de erkende instelling en legt hij volgende documenten voor :

het inschrijvingsbewijs;

het gelijkvormigheidsattest of het Europees gelijkvormigheidsbewijs : de in België ingevoerde voertuigen die eerder in een andere Lidstaat van de Europese Unie waren ingeschreven, zijn niet onderworpen aan de verplichting het certificaat van overeenstemming voor te leggen. Indien het kentekenbewijs van deze voertuigen echter onleesbaar of onvolledig is, overeenkomstig bijlage 1 van Richtlijn 1999/37/EG van de Raad van 29 april 1999 inzake de kentekenbewijzen van motorvoertuigen, mag het certificaat van overeenstemming worden gevraagd. De afwezigheid van het certificaat van overeenstemming zal echter geen aanleiding geven tot een sanctie;

het identificatieverslag of de technische fiche;

het document met als opschrift « Visuele keuring van het voertuig »;

Het verzekeringsbewijs, uitgereikt ingevolge de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen.