15 MAART 1968. - Koninklijk besluit houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de auto's, hun aanhangwagens en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen.
[BS 28.03.1968]

Hoofdstuk VI: Constructie

Artikel 28. Lichten en reflectoren (2/4)

§2. Algemene bepalingen.

1° Voorschriften betreffende montage en kleur.

a) Lichten en reflectoren andere dan richtingaanwijzers.

1. De voertuigen moeten altijd de in bijlage 6 bij dit besluit vermelde lichten en reflectoren voeren en voldoen aan de voorschriften die erin zijn gesteld evenals aan die welke gesteld zijn in paragraaf 3.

Een uitzondering kan worden gemaakt voor de dagrijlichten :

  • voor elk voertuig van de categorieën M1 en N1 waarvan de goedkeuringsdatum 7 februari 2011 voorafgaat;
  • voor elk voertuig van alle andere categorieën dan de categorieën M1 en N1 waarvan de goedkeuringsdatum 7 augustus 2012 voorafgaat.

Bovendien mogen de in bijlage 7 vermelde lichten en reflectoren op de voertuigen gemonteerd worden indien ze voldoen aan de voorschriften die in die bijlage zijn gesteld, evenals aan de voorschriften van paragraaf 3 van voormeld artikel 28.

Lichten en reflectoren welke niet zijn genoemd in de bijlagen 6 en 7 mogen niet op de voertuigen worden aangebracht.

Een uitzondering kan worden gemaakt voor lichten en reflectoren bestemd voor bijzonder gebruik, zoals bepaald in § 2, 1°, c) van artikel 28 en voor de panelen bedoeld in artikelen 19, 2° en 19/1 van het
koninklijk besluit van 2 juni 2010 betreffende het wegverkeer van uitzonderlijke voertuigen.

2. Het volstaat dat de voor 15 juni 1968 in dienst gestelde voertuigen tot 1 januari 1984 aan de in de bijlagen 8 en 9 van dit besluit gestelde bepalingen voldoen.

3. De voertuigen die in hoofdzaak worden gebruikt buiten de openbare weg, met uitzondering van de  landbouwtractoren, mogen achteraan uitgerust worden met een verlichtingsinstallatie die bestaat uit een afneembare inrichting met de reglementaire lichten en reflectoren en hun elektrische leidingen, op voorwaarde dat deze inrichting gedurende de verplaatsingen op de openbare weg stevig bevestigd is op het voertuig.

Dergelijke inrichting mag ook geplaatst worden op boot aanhangwagens.

De door de openbare diensten gebruikte aanhangwagens die niet breder zijn van 1 meter en aan verschillende voertuigen moeten worden gekoppeld om op die voertuigen aangebrachte organen of toestellen te meten of te controleren, moeten niet voorzien zijn van de in de bijlage 6 bij dit besluit vermelde lichten wanneer zij rijden tussen het aanbreken van de dag en het vallen van de avond op voorwaarde dat de bovenvermelde lichten van het trekkend voertuig zichtbaar blijven voor de andere weggebruikers. Zij dienen evenwel steeds voorzien te zijn van de twee rode reflectoren waarmede aanhangwagens aan de achterzijde moeten zijn uitgerust.

4. Bij uitzondering kan de Minister van Verkeerswezen, onder de door hem vastgestelde voorwaarden, voertuigen die een speciale vorm hebben of die voor speciale doeleinden of in speciale omstandigheden gebruikt worden, van de in bijlage 6 bij dit besluit voorziene lichten vrijstellen.

5. De lichten en reflectoren die dezelfde functie hebben en in dezelfde richting zijn gericht moeten van gelijke kleur zijn.

Bij een even aantal lichten en reflectoren moeten deze symmetrisch ten opzichte van het mediaanvlak van het voertuig zijn geplaatst, behalve bij voertuigen met een assymmetrische buitenomtrek. De lichtsterkte van elk paar lichten moet onderling nagenoeg gelijk zijn.

6. De elektrische installatie moet zodanig zijn uitgevoerd, dat de achterlichten, de kentekenplaatverlichting en de eventuele omtreklichten bij het inschakelen van de grootlichten, dimlichten, standlichten, mistlichten voor, mistlicht(en) achter of zoeklicht automatisch worden ontstoken.

Bovendien moeten de elektrische verbindingen zodanig zijn dat de standlichten steeds branden, wanneer de dimlichten, grootlichten of mislichten voor zijn onststoken.

Deze bepaling is evenwel niet van toepassing op de grootlichten of de dimlichten, wanneer zij worden gebruikt om waarschuwingslichtsignalen te geven.

De elektrische installatie moet zodanig zijn uitgevoerd, dat de dagrijlichten automatisch worden ingeschakeld wanneer de inrichting waarmee de motor wordt aangezet en/of afgezet zich in een zodanige stand bevindt dat de motor in werking kan zijn.

De dagrijlichten moeten automatisch worden gedoofd wanneer de mistvoorlichten of de koplichten worden ontstoken, behalve wanneer deze laatste worden gebruikt om met korte tussenpozen onderbroken lichtsignalen te geven. Het door de dagrijlichten uitgestraalde licht is wit van kleur.

Daarenboven mogen de stand- en achterlichten, de omtreklichten en de eventuele zijmarkeringslichten evenals de kentekenplaatverlichting niet kunnen worden ontstoken wanneer de dagrijlichten branden.

7. In geen geval mag een voertuig naar voren rode lichten, rode reflectoren of rood reflecterend materiaal dan wel naar achteren witte of gele lichten, witte of gele reflectoren of wit of geel reflecterend materiaal tonen.

Deze bepaling geldt niet voor het gebruik van witte of gele achteruitrijlichten, noch voor de kentekenplaatverlichting, noch voor de kentekenplaten zelf en ze geldt evenmin voor de panelen bedoeld in artikelen 19, 2° en 19/1 van het koninklijk besluit van 2 juni 2010 betreffende het wegverkeer van uitzonderlijke voertuigen.

8. De lichten en reflectoren aan de voorzijde mogen niet achter de voorste as gelegen zijn. Dit voorschrift is niet van toepassing op de landbouwtractoren.

De lichten en reflectoren aan de achterzijde mogen niet voor de achterste as gelegen zijn. Deze bepalingen gelden niet voor:

  • de standlichten bij opleggers; deze lichten mogen op ten hoogste 250 cm achter het hart van de koppelpen zijn aangebracht;
  • de omtreklichten aan de voorzijde;
  • het zoeklicht.

9. Ongelijke lichten mogen in een en dezelfde verlichtingsinrichting gegroepeerd of ingebouwd zijn, voor zover elk van die lichten aan de erop toepasselijke bepalingen voldoet en geen verwarring mogelijk is.

10. Het voertuig moet zodanig zijn ingericht, dat de lichten en de reflectoren nimmer kunnen worden afgeschermd door enig voertuigdeel of deel van de lading.

b) Richtingaanwijzers.

1. De auto's moeten voorzien zijn van richtingaanwijzers die voldoen aan onderstaande uitvoeringen:

Type A.

Twee richtingaanwijzers tegen de zijwanden.

Het type A is slechts toegestaan voor voertuigen waarvan de breedte maximaal 1,60 m en de lengte maximaal 4 m bedraagt.

Type B.

Twee richtingaanwijzers tegen de zijkanten en twee op de achterzijde.

De in de langsrichting van het voertuig gemeten afstand tussen het meest vooruitstekende punt van het voertuig en het meest naar voren gelegen punt van het lichtdoorlatend gedeelte van de aan de zijkanten gevoerde richtingaanwijzers mag niet meer dan 1,80 m bedragen. Deze bepaling geldt niet voor voertuigen voor traag vervoer.

Type C.

Twee richtingaanwijzers op de voorzijde en twee op de achterzijde alsmede twee tegen de zijkanten .

De in de langsrichting van het voertuig gemeten afstand tussen het meest vooruitstekende punt van het voertuig en het meest naar voren gelegen punt van het lichtdoorlatend gedeelte van de aan de zijkanten gevoerde richtingaanwijzers mag niet meer dan 1,80 m bedragen.

Een richtingaanwijzer op de voorzijde en een richtingaanwijzer tegen de zijkant mogen tot een richtingaanwijzer worden gecombineerd; deze vervangende richtingaanwijzer moet voldoen aan de voorwaarden van zichtbaarheid die gelden voor de richtingaanwijzers die zij vervangen .

Type D.

Twee richtingaanwijzers op de voorzijde en twee op de achterzijde.

Het type D is slechts toegestaan voor voertuigen waarvan de afstand tussen de lichtdoorlatende vlakken van de richtingaanwijzers voor en achter niet groter is dan 6 m.

2. De aanhangwagens moeten op de achterzijde van twee richtingaanwijzers zijn voorzien.

3. Aanvullende richtingaanwijzers mogen op de zijkanten van de voertuigen worden aangebracht, doch moeten voldoen aan de in punt 4 hierna gestelde eisen.

4. Alleen vaste knipperende richtingaanwijzers zijn toegestaan.

De frequentie van de knipperingen moet gelegen zijn tussen 60 en 120 periodes per minuut. De kleur van deze lichten moet wit of oranje naar voren en rood of oranje naar achteren zijn. Een uit twee dezelfde zijde geplaatste lichten bestaande richtingaanwijzer is toegelaten indien het verspringen van deze lichten van gelijke frequentie is.

De onderlinge afstand tussen de linker en de rechter richtingaanwijzer moet, zowel aan de voor- als aan de achterzijde, minstens 60 cm bedragen.

De hoogte van de richtingaanwijzers is minimaal 35 cm en maximaal 1,90 cm .

De voor autobusdiensten aangewende voertuigen mogen voorzien zijn van een bijkomende richtingaanwijzer achteraan het voertuig. Dit bijkomend licht moet op een hoogte tussen 250 en 290 cm geplaatst zijn.

De richtingaanwijzers moeten waarneembaar zijn aan de voorzijde of aan de achterzijde, naargelang het geval, voor een waarnemer die zich in een verticale langsvlak door het midden van het voertuig bevindt, op een afstand van 10 m van het voertuig.

Nochtans moeten de richtingaanwijzers op de zijkant van het type B en C, slechts zichtbaar zijn voor een waarnemer die zich op 10 m achter de richtingaanwijzer en op 1 m van de zijkant van het voertuig bevindt.

Wanneer een auto een aanhangwagen of een oplegger trekt moet deze sleep uitgerust zijn met richtingaanwijzer op de zijkanten. Deze richtingaanwijzers moeten op een afstand van len hoogste 1,80 m van de voorzijde van de auto geplaatst zijn.

Deze bepaling is van toepassing op de auto's waarvoor de aanvraag om type-goedkeuring werd ingediend na 1 januari 1976.

Voor de auto's die het voorwerp hebben uitgemaakt van een type-goedkeuring voor die datum, mogen de richtingaanwijzers tegen de zijkant ofwel op het trekkend voertuig geplaatst worden ofwel op het getrokken voertuig.

5. De voertuigen of de voertuigcombinaties mogen voorzien zijn van een inrichting waarmede alle richtingaanwijzers van het voertuig gelijktijdig door een afzonderlijke schakelaar kunnen worden bediend. De werking van deze inrichting moet door een optisch of een acoustisch signaal aan de bestuurder worden kenbaar gemaakt.

6. De voor 15 juni 1968 in dienst gestelde voertuigen moeten, wanneer zij niet kunnen voldoen aan de voorschriften van §2, 1°, b, 1 tot 5, uitgerust zijn met richtingaanwijzers die tot een van volgende types van lichten behoren:

  • ofwel een inrichting bestaande uit een verstelbare wijzer die ten minste 0,15 m buiten de omtrek van het voertuig op de rechter- of de linkerzijde, volgens het geval, uitsteekt wanneer hij in werking is. Indien de verstelbare wijzer een vaste stand aanneemt wanneer hij in werking is, moet hij een permanent licht vertonen;
  • ofwel een inrichting met vaste stand en knipperlicht, op de rechter- en linker zijwand van het voertuig aangebracht;
  • ofwel een inrichting met vaste stand en knipperlicht, op de rechter- en linkerzijde van het voor- en achtereind van het voertuig aangebracht.

Die lichten mogen met de standlichten en achterlichten of de stoplichten ingebouwd worden. De kleur van het door de richtingaanwijzers uitgestraalde licht is:

  • naar voren wit of oranje;
  • naar achter rood of oranje.

Die richtingaanwijzers moeten zodanig op het voertuig aangebracht zijn dat de door die lichten gegeven aanduidingen zowel 's nachts als overdag en zowel voor als achter het voertuig zichtbaar zijn voor een waarnemer die zich bevindt in het vlak dat evenwijdig is met het overlangs vlak van symmetrie en het voertuig terzijde aan de kant der richtingsaanwijzers begrenst. De richtingaanwijzers moeten 's nachts, bij helder weer, van op ten minste 150 m afstand, en overdag, bij zonnig weer, van op ten minste 20 meter afstand zichtbaar zijn.

Het hoogste punt van die richtingaanwijzer mag zich op niet meer dan 1,90 m boven de grond bevinden als het voertuig ledig is.

7. Er mogen twee facultatieve richtingaanwijzers achteraan worden geïnstalleerd op alle voertuigen van de categorieën M2, M3, N2, N3, O2, O3 en O4.

Indien facultatieve richtingaanwijzers worden geïnstalleerd, moeten deze worden geplaatst op een hoogte die verenigbaar is met de toepasselijke voorschriften met betrekking tot de breedte, de symmetrie van de lichten, en op een verticale afstand die zo groot is als de vorm van de carrosserie mogelijk maakt, maar niet minder dan 600 mm boven de verplichte lichten.

In de breedterichting moet de afstand tussen de binnenranden van de zichtbare vlakken in de richting van de referentieas ten minste 600 mm bedragen. Deze afstand mag tot 400 mm worden teruggebracht wanneer de grootste breedte van het voertuig minder dan 1 300 mm bedraagt.

c)   Bijzondere lichten.

1. De voertuigen voor traag vervoer en het materieel van speciale constructie mogen tijdens het werk te gebruiken projectoren voeren, voor zover de bediening ervan onafhankelijk is van die van de andere lichten.

2. De voertuigen die aangewend worden voor een taxidienst moeten voorzien zijn van een lichtinstallatie op het dak, gekoppeld aan de taximeter.

De eisen waaraan die installaties moeten voldoen worden door de Minister van Verkeerswezen bepaald.

3. De voertuigen van een openbare of een bijzondere autobusdienst mogen een verlichtingsinrichting van witte of gele kleur voeren om de aanduidingen betreffende de gevolgde weg of de bestemming te geven.

4. De voertuigen van de politiediensten, de niet gebanaliseerde voertuigen van de dienst wegcontrole van het Bestuur van Vervoer te Land, de niet gebanaliseerde voertuigen van de Administratie der Douane en Accijnzen aangeduid door de Minister van Financiën, de niet gebanaliseerde voertuigen van de militaire politie en van de diensten voor het ophalen en vernietigen van explosieven aangeduid door de Minister van Landsverdediging, de voertuigen van de Federale Overheidsdienst van Justitie bestemd voor het vervoer van gedetineerden en voor het Openbaar Ministerie, het dienstvoertuig van de provinciegouverneurs, de herkenbare voertuigen van de inspectiediensten van de gewesten en van de maatschappijen voor openbaar vervoer belast met wegcontrole, de ambulances, de voertuigen voor dringende medische interventie van de dienst 100, de brandweervoertuigen, de voertuigen van de Civiele Bescherming, de voertuigen van de veiligheidsdienst van de spoorwegen, de voertuigen voor hulpverlening van Infrabel, de voertuigen voor hulpverlening bij ernstig incident veroorzaakt door water, gas, elektriciteit of radioactieve stoffen, mogen vooraan of op het dak één of meer blauwe knipperlichten voeren.

Bij wijze van uitzondering kan de Minister van Verkeerswezen de toelating verlenen om andere voertuigen, bestemd voor een openbare dienst, vooraan of op het dak, uit te rusten met één of meer blauwe knipperlichten.

5. De takelauto's en de voertuigen waarvan de breedte meer dan 3 m bedraagt moeten één of twee oranje-gele knipperlichten voeren die zodanig geplaatst zijn dat zij in alle richtingen zichtbaar zijn.

De voertuigen die speciaal bestemd zijn voor wegenhulp, de voertuigen die gebruikt worden voor de aanleg, het onderhoud, het toezicht of de controle van het wegennet en van de inrichtingen op, boven of onder de wegen, de voertuigen gebruikt voor het opruimen van vuilnis, de trage voertuigen voor landbouwgebruik, de voertuigen gebruikt voor uitzonderlijk vervoer evenals de begeleidende voertuigen ervan en de door de Minister van Landsverdediging aangeduide voertuigen van de Krijgsmacht mogen een of twee oranje-gele knipperlichten voeren die zo geplaatst zijn dat zij in alle richtingen zichtbaar zijn.

Bij uitzondering kan de Minister van Verkeerswezen andere voertuigen toelaten een of twee oranje-gele knipperlichten te voeren.

De voertuigen, andere dan deze die vermeld zijn in het eerste, tweede of derde lid van dit punt, en die overeenkomstig artikel 9.7.2° van het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg, op de pechstrook rijden, mogen alleen in dat geval één of twee oranjegele knipperlichten voeren die zo geplaatst zijn dat zij in alle richtingen zichtbaar zijn.

6. De voertuigen van de wegenhulp en die van de autorijscholen mogen op het dak een verlicht paneel voeren. Dit paneel mag geen enkel vlak of opschrift vertonen bestaande uit reflecterend of fluorescerend materiaal.

7. De lijkwagens mogen op de vier hoeken van de wagen een witlicht voeren.

8. De Minister van Verkeerswezen kan, onder de door hem gestelde voorwaarden, het aanbrengen van bepaalde lichten op voertuigen, aangewend voor publicitaire doeleinden, toelaten.

2° Lichtsterkte.

a) 1. Bij de goedkeuring van het voertuig, dienen de lichten, hun montage en hun voedingssysteem zodanig te zijn dat zij, in de richting evenwijdig met de lengteas van het voertuig, en onder de in punt b) bepaalde metingsvoorwaarden, de minimum en maximum lichtsterkte uitgedrukt in candela, de in onderstaande tabel vermelde waarden eerbiedigen:

  Minimum Maximum
Voor de lichten met één niveau:
* standlichten 3 60
* achterlichten 1,5 12
* stoplichten 20 100
* richtingaanwijzers vooraan 88 700
* richtingaanwijzers achteraan 25 600
* achteruitrijlichten 40 600
* achtermistlichten    
- alleen of per paar 75 300
- uitsluitend per paar 65 300
 
Voor de lichten met twee niveaus:
- 's nachts:    
* stoplichten 15 80
* richtingaanwijzers achteraan 20 120
- overdag:    
* stoplichten 65 520
* richtingaanwijzers achteraan 88 700
* dagrijlichten 400 1 200


2. Voor de in dienst zijnde voertuigen mogen de gemeten lichtsterkten niet lager zijn dan 50 pct van de minima, noch hoger dan de maxima die opgegeven zijn in de tabel onder punt 1. Deze voorschriften zijn niet van toepassing voor voertuigen die sedert lange tijd stilstaan.

b) De metingen gebeuren met stilstaande motor en met een elektromotorische kracht aan de polen die gestabiliseerd is. De stabilisatie wordt geacht bereikt te zijn wanneer de grootlichten ongeveer twintig seconden gebrand hebben na het afzetten van de motor.

Tijdens de meting van de lichtsterkte van de lichten, mag slechts het licht dat getest wordt, branden. Wanneer ingevolge de voorschriften voor de montage, andere lichten simultaan gaan branden, moet hun aantal beperkt worden tot het minimum, mogelijk door de bedieningsknoppen. Alle electrische apparaten andere dan de lichten zijn buiten dienst.

Bij de richtingaanwijzers wordt de piekwaarde in acht genomen als waarde, d.w.z. de maximum waarde die tijdens elke werkingcyclus wordt bereikt.

c) De in de tabel onder a), 1, vermelde maximumwaarden voor de richtingaanwijzers, gelden niet voor de laterale herhalers.

d) Bij stoplichten en achterlichten met hetzelfde lichtdoorlatend gedeelte moet de verhouding van de werkelijk gemeten lichtsterkten met beide lichten gelijktijdig en met het achterlicht alleen ontstoken ten minste gelijk zijn aan 5 : 1.