15 MAART 1968. - Koninklijk besluit houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de auto's, hun aanhangwagens en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen.
[BS 28.03.1968]

Hoofdstuk VI: Constructie

Artikel 28. Lichten en reflectoren (4/4)

§4. Bijkomende signaalinrichtingen aan de achterzijde voor lange en zware voertuigen (andere dan de tractoren) en hun aanhangwagens, alsook voor trage voertuigen en hun aanhangwagens die geen landbouw voertuigen zijn.

1. Vanaf 1 juli 1985 moeten de voertuigen opgevat en gebouwd voor het vervoer van zaken met een massa boven 3.500 kg, met uitzondering van tractors, uitgerust zijn met een bijkomende signaalinrichting aan de achterzijde, goedgekeurd en aangebracht overeenkomstig de voorschriflten van bijlage 11 van dit besluit.

2. Elke aanvraag om goedkeuring van een bijkomende signaalinrichting aan de achterzijde moet ingediend worden door de fabrikant of diens gemachtigde bij de Minister van Verkeerswezen, Bestuur van de Verkeersreglementering en van de Infrastructuur, Wegverkeer - Technische Directie, Wetstraat 155, 1040 Brussel.

De aanvraag gaat vergezeld van de in aanhangsel III van bijlage 11 van dit besluit opgenomen stukken.

Voor wat betreft het Vlaams Gewest, wordt de zinsnede “Minister van Verkeerswezen, Bestuur van de Verkeersreglementering en van de Infrastructuur, Wegverkeer – Technische Directie, Wetstraat 155, 1040 Brussel” vervangen door het woord “goedkeuringsinstantie”.

3. Ten einde het goedkeuringsattest van een type bijkomende signaalinrichting aan de achterzijde te bekomen, moet de fabrikant of diens gemachtigde het bewijs leveren dat het type inrichting voor goedkeuring voorgesteld, overeenstemt met de voorschriflen van bijlage II van dit besluit.

Dit bewijs zal bestaan uit een beproevingsrapport uitgereikt door het Centraal Laboratorium voor Elektriciteit, 1640 Sint-Genesius-Rode.

4. De goedkeuring van een type bijkomende signaalinrichting aan de achterzijde wordt verleend door de Minister van Verkeerswezen of diens afgevaardigde.

Voor wat betreft het Vlaams Gewest, worden de woorden “Minister van Verkeerswezen of diens afgevaardigde” vervangen door de woorden “bevoegde Vlaamse instantie”.

5. De goedkeuring of weigering van goedkeuring van een type bijkomende signaalinrichting aan de achterzijde zal vastgesteld worden door het opstellen van een formulier overeenstemmend met het model opgenomen in aanhangsel IV van bijlage 11 van dit besluit.

De goedkeuring of weigering van goedkeuring zal aan de fabrikant of diens vertegenwoordiger betekend worden.

6. Elke verleende goedkeuring behelst de toekening van een goedkeuringsnummer; dit kan slechts eenmaal toegekend worden, en voor een enkel type bijkomende signaalinrichting aan de achterzijde.

7. Elke overeenkomstig bijlage 11 van dit besluit goedgekeurde bijkomende signaalinrichting aan de achterzijde zal moeten zijn voorzien van de in aanhangsel III van die bijlage voorziene merken.

8.1. Elke fabrikant van reflecterend en/of fluorescerend materiaal is verplicht, door middel van periodieke passende controlemethodes, de overeenstemming van het produkt geleverd voor het bouwen van de inrichtingen, te verzekeren met het type materiaal dat de proeven heeft ondergaan.

Te dien einde moet de fabrikant:

  • ofwel beschikken over een laboratorium zodanig uitgerust om de essentiele proeven te kunnen verrichten;
  • ofwel de gelijkvormigheidsproeven aan een erkend laboratorium toevertrouwen.

De resultaten van de overeenstemmingsproeven van de produktie moeten bewaard worden en, gedurende minimaal één jaar, ter beschikking van de bevoegde autoriteiten gehouden worden.

Voor wat betreft het Vlaams Gewest, worden de woorden “bevoegde autoriteiten” vervangen door het woord “goedkeuringsinstantie”.

8.2. Elke verbouwer van reflecterend en/of fluorescerend materiaal verplicht de overeenstemming van zijn produktie te verzekeren met het type bijkomende signaalinrichting aan de achterzijde, goedgekeurd door middel van periodieke passende controlemethodes.

Te dien einde moet de verbouwer de gelijkvormigheidsproeven van de produktie aan een erkend laboratorium toevertrouwen.

De resultaten van de overeenstemmingscontrole van de produktie moeten bewaard worden en, gedurende minimaal een jaar, ter beschikking van de bevoegde autoriteiten gehouden worden.

Voor wat betreft het Vlaams Gewest, worden de woorden “bevoegde autoriteiten” vervangen door het woord “goedkeuringsinstantie”.

9. De gelijkvormigheidscontrole van de produktie met het type bijkomende signaalinrichting aan de achterzijde heeft plaats onder de voorwaarden en volgens de methodes voorzien in bijlage 11 van dit besluit. Hij wordt uitgevoerd door de ambtenaren van het Bestuur van de Verkeersreglementering en van de Infrastructuur, aangeduid te dien einde door de Minister van Verkeerswezen of diens afgevaardigde.

Op verzoek van de in eerste lid bedoelde ambtenaren, en met het oog op gelijkvormigheidscontrole of -proeven, zijn de fabrikanten verplicht de bijkomende signaalinrichtingen aan de achterzijde, waarvan het type het voorwerp heeft uitgemaakt van een vroegere goedkeuring, ter beschikking te stellen van deze ambtenaren.

Indien het in Belgie gebouwde inrichtingen betreft, worden de steekproeven bij de fabrikant genomen.

Indien het ingevoerde inrichtingen betreft, worden de steekproeven hetzij bij de invoerder, hetzij bij de verdelers genomen.

Voor wat betreft het Vlaams Gewest, wordt het woord “ambtenaren” telkens vervangen door het woord “personeelsleden”, worden de woorden “het Bestuur van de Verkeersreglementering en van de Infrastructuur” vervangen door de woorden “de goedkeuringsinstantie”, worden de woorden “Minister van Verkeerswezen of diens afgevaardigde” vervangen door de woorden “bevoegde Vlaamse instantie” en wordt het woord “België” vervangen door de woorden “het Vlaamse Gewest”.

10. De voor een type bijkomende signaalinrichting aan de achterzijde verleende goedkeuring mag door de Minister van Verkeerswezen of diens afgevaardigde ingetrokken worden wanneer het type bijkomende signaalinrichting aan de achterzijde niet in overeenstemming is met de voorschriften van deze 4.

In dit geval wordt een afschrift van het goedkeuringsformulier met in vette letters, de ondertekende en gedateerde vermelding 'goedkeuring ingetrokken' naar de fabrikant of diens afgevaardigde gezonden.

Voor wat betreft het Vlaams Gewest, worden de woorden “Minister van Verkeerswezen of diens afgevaardigde” vervangen door de woorden “bevoegde Vlaamse instantie”.

11. De agenten bedoeld in artikel 3 van het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemene verordening met betrekking tot het wegverkeer zijn bevoegd om te zien op de naleving van deze § 4.

12. De Minister van Verkeerswezen of zijn afgevaardigde mag de voertuigen, die terwille van hun structuur en/of hun uitrusting niet kunnen voldoen aan de voorschriften van dit algemeen reglement, geheel of gedeeltelijk vrijstellen van de bepalingen van deze § 4.

Voor wat betreft het Vlaams Gewest, worden de woorden “Minister van Verkeerswezen of zijn afgevaardigde” vervangen door de woorden “bevoegde Vlaamse instantie”.

13. De voertuigen voor brandbestrijding, de betonmixers, betonpompen, voertuigen voor vervoer van personenwagens, evenals de voertuigen bedoeld in artikel 7 van het ministerieel besluit van 7 mei 1999 betreffende het signaleren van werken en verkeersbelemmeringen op de openbare weg, zijn niet onderworpen aan de bepalingen van § 4.

§5. Opvallende markering :

voertuigen die breder zijn dan 2 100 mm en behoren tot de volgende categorieën :

a) N2 met een maximummassa van meer dan 7,5 ton en N3 (met uitzondering van chassiscabines, incomplete voertuigen en trekkers voor opleggers);

b) O3 en O4;

moeten achteraan met een volledige contourmarkering in het rood, het geel of het wit zijn uitgerust.

De voertuigen die langer zijn dan 6 000 mm, inclusief de dissel voor aanhangwagens, behorende tot dezelfde categorieën als deze vermeld in het vorige lid, moeten aan de zijkant met een gedeeltelijke contourmarkering in het geel of in het wit zijn uitgerust.

Indien het wegens de vorm, structuur, constructie of het gebruik van het voertuig onmogelijk is de verplichte contourmarkering aan te brengen, dan mag een lijnmarkering worden aangebracht.

De aanwezigheid van opvallende markeringen is verboden op voertuigen van de categorieën M1 en O1. De voertuigen bedoeld in paragraaf 2, 1°, c), 4, van dit besluit, evenals de voertuigen bedoeld in artikel 7 van het ministerieel besluit van 7 mei 1999 betreffende het signaleren van werken en verkeersbelemmeringen op de openbare weg, mogen er echter wel mee worden uitgerust.”

De Minister bevoegd voor het wegverkeer of zijn afgevaardigde kan opvallende markeringen toelaten op bepaalde voertuigen van categorie M1, wanneer hun gebruik dergelijke markeringen met het oog op de verkeersveiligheid vereist.

Volgende voertuigen worden in elk geval vrijgesteld :

— de prioritaire voertuigen zoals bedoeld in artikel 28, § 2, 1°, c, 4;

— de voertuigen van “De Post”;

— de taxi’s;

— de voertuigen die aangewend worden in het raam van gehandicaptenvervoer;

— voertuigen van de wegenhulp.

Alle andere voertuigen behorend tot categorieën waarvoor opvallende markeringen noch verboden noch verplicht zijn, mogen ermee worden uitgerust.

In plaats van verplichte lijnmarkeringen mag een gedeeltelijke contourmarkering worden aangebracht, en in plaats van verplichte gedeeltelijke contourmarkering mag een volledige contourmarkering worden aangebracht.

De opvallende markeringen moeten ook voldoen aan de voorschriften vermeld in de bijlagen 18 en 18bis.

De opvallende markeringen worden goedgekeurd volgens de regels bepaald door Reglement nr. 104 houdende de uniforme eisen betreffende de goedkeuring van retroreflecterende markeringen voor voertuigen van de categorieën M, N en O, dat het addendum 103 vormt bij de Overeenkomst van Genève van 20 maart 1958, herzien op 10 november 1967 en op 16 oktober 1995, betreffende het aannemen van eenvormige technische eisen voor wielvoertuigen, uitrustingsstukken en onderdelen die kunnen worden aangebracht en/of gebruikt op wielvoertuigen en de voorwaarden voor wederzijdse erkenning van goedkeuringen verleend op basis van deze eisen.

Het Reglement nr. 104 wordt opgenomen als bijlage 18 bij dit besluit.

De Minister of zijn gemachtigde duidt (het) (de) laboratori(um)(a) aan (dat) (die) gemachtigd (is) (zijn) om de testen uit te voeren, voorgeschreven door dit Reglement.

De Dienst Voertuigen van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid is belast met het administratief beheer en de toepassing van dit Reglement en inzonderheid om, ingeval van positieve testen, de goedkeuring af te leveren aan de fabrikanten die erom vragen.

De retroreflecterende markeringsinrichtingen dragen een goedkeuringsteken van het type :

C Ex 104 R - 0001148

"C" duidt op de klasse van materiaal en kan vervangen zijn door "D", "D/E" of "E".

Voor wat betreft het Vlaams Gewest, worden de woorden “Minister of zijn gemachtigde” vervangen door de woorden “bevoegde Vlaamse instantie” en worden de woorden “Dienst Voertuigen van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid” vervangen door het woord “goedkeuringsinstantie”.

De voorschriften van Reglement nr. 104 zijn verplicht voor voertuigen bestemd voor uitzonderlijk vervoer.

In afwijking van de bepalingen van punt 3.1 van bijlage 9 van het Reglement nr. 104 mogen op de achterzijde van de voertuigen retroreflecterende kenmerkende markeringen en grafische afbeeldingen (reklame) aangebracht worden op voorwaarde dat ze voldoen aan dezelfde voorwaarden als deze die zich op de zijwanden mogen bevinden.

§ 6. Bijkomende signaalinrichtingen voor de gedragen machines voor land- of bosbouwdoeleinden.

1. Wanneer de gedragen machine voor landbouw of bosbouw vooraan op de landbouw- of bosbouwtrekker is geplaatst en deze de verlichtingsinrichting of de signalisatie van de landbouw- of bosbouwtrekker geheel of gedeeltelijk bedekt, dan moeten er bijkomende inrichtingen aan de voorkant van de gedragen machine worden geplaatst die de lichten en de signalisatie vooraan aan de landbouw- of bosbouwtrekker hernemen, met uitzondering van de dimlichten. De werking ervan is dezelfde als deze van de verlichtingsinrichting van de landbouw -of bosbouwtrekker.

Indien de dimlichten geheel of gedeeltelijk worden bedekt door de aan de voorzijde van de trekker gedragen machine, moeten twee bijkomende voorwaarts gerichte dimlichten op een maximale hoogte van 300 cm op de trekker worden geplaatst; de elektrische installatie moet zodanig zijn uitgevoerd, dat twee stellen dimlichten niet tegelijkertijd kunnen worden ingeschakeld.

2. Wanneer de gedragen machine voor landbouw of bosbouw achteraan op de landbouw- of bosbouwtrekker is geplaatst en deze de verlichtingsinrichting of de signalisatie van de landbouw- of bosbouwtrekker geheel of gedeeltelijk bedekt, dan moeten er bijkomende inrichtingen aan de achterzijde van de gedragen machine worden geplaatst die de lichten en de signalisatie achteraan de landbouw- of bosbouwtrekker hernemen en dezelfde werking hebben als de verlichtingsinrichting van de landbouw -of bosbouwtrekker.

3. De gedragen machine voor landbouw of bosbouw die meer dan 100 cm buiten het voor- of achtereinde van de landbouw- of bosbouwtrekker uitsteekt, moet worden aangeduid door :

twee vierkante panelen met minimale afmetingen van 420 millimeter per zijde of twee rechthoekige panelen met minimale afmetingen van 280 x 560 of 140 x 800 millimeter met diagonale afwisselend rode en witte retroreflecterende strepen volgens een hoek van 45° tot 60° en met een breedte van 70 tot 100 millimeter. De retroreflecterende strepen beantwoorden aan de colorimetrische specificaties en ten minste aan de retroreflectiecoëfficiënt van de producten van de klasse RA2 van de norm NBN EN 12899-1;

of twee vierkante panelen van 280 millimeter per zijde tot minder dan 420 millimeter per zijde met diagonale afwisselend rode en witte retroreflecterende strepen volgens een hoek van 45° tot 60° en met een breedte van 70 tot 100 millimeter. De retroreflecterende strepen beantwoorden aan de colorimetrische specificaties bij nacht en ten minste aan de fotometrische specificaties van de producten voor retroreflecterende markeringen van klasse C van Reglement nr.104 houdende uniforme voorschriften betreffende de goedkeuring van retroreflecterende markeringen voor voertuigen van de categorieën M, N en O, dat het addendum 103 vormt bij de Overeenkomst van Genève van 20 maart 1958, herzien op 10 november 1967 en 16 oktober 1995 betreffende het aannemen van de eenvormige technische voorschriften voor wielvoertuigen, uitrustingsstukken en onderdelen die kunnen worden aangebracht of gebruikt op wielvoertuigen en de voorwaarden voor wederzijdse erkenning van goedkeuringen verleend op basis van deze eisen.

Op elk paneel moet ten minste een van de retroreflecterende strepen voorzien zijn van een markering die ten minste bestaat uit :

  • het merk of elk ander identificatiemiddel van de fabrikant of van zijn vertegenwoordiger als het niet om de fabrikant gaat;
  • de door de FOD Mobiliteit en Vervoer erkende identificatiecode van het product, waardoor de gelijkvormigheid ervan met de colorimetrische en fotometrische voorschriften vermeld onder hetzij het eerste lid hetzij het tweede lid kan worden bepaald en gewaarborgd, met verwijzing naar een nationale of internationale norm of naar elke andere code die van dien aard is dat ze deze gelijkvormigheid kan staven;

Elke fabrikant en elke verbouwer van retroreflecterend materiaal waarborgt de gelijkvormigheid van het geleverde product met de vereiste voorschriften op het gebied van retroreflectie en colorimetrie met een certificaat van overeenstemming met een nationale of internationale norm dat voldoet aan de in het eerste of tweede lid vermelde voorschriften :

Elke fabrikant van retroreflecterend materiaal moet de eenvormigheid van het geleverde product met gepaste periodieke verificatiemethodes waarborgen. Hiertoe moet de fabrikant :

  • ofwel beschikken over een laboratorium dat voldoende is uitgerust voor de uitvoering van de noodzakelijke proeven;
  • ofwel de proeven betreffende de gelijkvormigheid van het geleverde product toevertrouwen aan een door de FOD Mobiliteit en Vervoer aangeduid laboratorium of door een bevoegde overheid van een lidstaat van de Europese Unie.

De resultaten van de controles op de gelijkvormigheid van het geleverde product moeten worden opgetekend en gedurende minstens een jaar ter beschikking worden gehouden van de bevoegde overheden.

Elke verbouwer van retroreflecterend materiaal moet de gelijkvormigheid van zijn productie met gepaste periodieke verificatiemethodes waarborgen. Hiertoe moet de verbouwer de proeven in verband met de gelijkvormigheid van de productie toevertrouwen aan een door de FOD Mobiliteit en Vervoer aangeduid laboratorium of door de bevoegde overheid van een lidstaat van de Europese Unie.

De resultaten van de controles op de gelijkvormigheid van de productie moeten worden opgetekend en gedurende minstens een jaar ter beschikking worden gehouden van de bevoegde overheden.

De panelen, bedoeld in het eerste of in het tweede lid, worden lateraal en symmetrisch geplaatst op elke zijkant van de gedragen machine. Daarbij moet een van de paneelzijden zich op minder dan 100 cm van het ten opzichte van de landbouw -of bosbouwtrekker verst gelegen voor- of achtereinde van de gedragen machine bevinden, naargelang dat de gedragen machine zich vooraan of achteraan op de landbouw -of bosbouwtrekker bevindt.

Wanneer de gedragen machine voor landbouw of bosbouw zich aan de achterzijde van de landbouw -of bosbouwtrekker bevindt, en tussen 400 cm niet inbegrepen en 700 cm inbegrepen buiten deze laatste uitsteekt, worden bijkomende panelen ten aanzien van die voorzien in het vorige lid lateraal en symmetrisch geplaatst op elke zijkant van de gedragen machine. Hierbij moet een van de paneelzijden zich tussen minimum 100 cm en maximum 300 cm van de het dichtst bij de landbouw -of bosbouwtrekker gelegen buitenrand van de gedragen machine bevinden.

De onderste rand van de panelen is geplaatst op een hoogte tussen minimaal 40 cm en maximaal 200 cm gemeten vanaf de grond. De panelen zijn zodanig bevestigd dat ze zelf geen hindernis vormen.

De panelen moeten vast zijn en zich bevinden in vlakken evenwijdig met het verticale vlak dat door de lengteas van het voertuig loopt.

Voor wat betreft het Vlaams Gewest, worden de woorden “FOD Mobiliteit en Vervoer” telkens vervangen door het woord “goedkeuringsinstantie”.

een paneel overeenkomstig punt 1°, eerste of tweede lid, respectievelijk uiterst vooraan geplaatst en uiterst achteraan al naargelang de machine zich vooraan of achteraan de landbouw- of bosbouwtrekker bevindt, in een loodrecht vlak op het verticale vlak doorheen de lengteas van de landbouw- of bosbouwtrekker. De toegestane afwijking bedraagt + 3°. De onderste rand van het paneel is geplaatst op een hoogte tussen minimaal 40 cm en maximaal 200 cm gemeten vanaf de grond. Het is zodanig bevestigd dat het op zichzelf geen hindernis vormt.

een zijdelings georiënteerde niet-driehoekige oranje reflector op elke zijkant van de gedragen machine. Het hoogste punt van het weerkaatsende gedeelte van de zijreflector mag zich op niet meer dan 200 cm boven de grond bevinden. Het laagste punt ervan mag zich op niet minder dan 40 cm boven de grond bevinden.

De afstand tussen de buitenrand van de gedragen machine die zich het dichtst bij de landbouw -of bosbouwtrekker bevindt, en de uiterste buitenrand van het weerkaatsende gedeelte van de zijreflector mag niet meer dan 300 cm bedragen; bovendien mag de afstand tussen de buitenrand van de gedragen machine die het verst van de landbouw -of bosbouwtrekker verwijderd is, en de uiterste buitenrand achteraan van het weerkaatsende gedeelte van de zijreflector niet meer dan 30 cm bedragen. Wanneer deze afstanden bij middel van een enkele zijreflector niet kunnen worden nageleefd, moet de gedragen machine met supplementaire zijreflectoren worden uitgerust. Deze moeten zodanig worden aangebracht, dat de twee bovenvermelde afstanden worden nageleefd en dat de afstand tussen de dichtst bij elkaar gelegen punten van de weerkaatsende gedeelten van twee opeenvolgende reflectoren niet meer dan 300 cm bedraagt.

De zijreflectoren moeten vast zijn en zich bevinden in vlakken evenwijdig met het verticale vlak dat door de lengteas van het voertuig loopt.

4. De gedragen machines voor landbouw of bosbouw waarvan de breedte groter is dan 255 cm en kleiner of gelijk aan 300 cm en die de buitenomtrek van de trekker lateraal zodanig overschrijden dat hun uiterste zijkant zich op meer dan 40 cm van de buitenrand van het lichtdoorlatend gedeelte van de standlichten van de landbouw -of bosbouwtrekker bevindt, moeten door omtreklichten en reflectoren worden gesignaleerd.

De lichten en reflectoren die aan de voorzijde zichtbaar zijn, moeten wit zijn, deze die aan de achterzijde zichtbaar zijn, moeten rood zijn.

Het lichtdoorlatende of het lichtweerkaatsende gedeelte van deze lichten en reflectoren moet zich op minder dan 40 cm van het verst uitstekende gedeelte van de gedragen machine bevinden.

§ 7. De Minister van Binnenlandse Zaken, voor wat betreft de voertuigen van de brandweerdiensten, de prezones en hulpverleningszones, de civiele Bescherming en de Minister van Volksgezondheid, voor wat betreft de ambulances en de voertuigen voor dringende medische interventie, kunnen een bijkomende signalisatie opleggen volgens de door hen bepaalde voorwaarden.

De Minister van Binnenlandse zaken en de Minister van Volksgezondheid, elk wat hem betreft, delen voorafgaandelijk aan de Minister die bevoegd is voor het wegverkeer, de montagevoorwaarden van deze signalisatie mee.

Voor wat betreft het Vlaams Gewest, worden de woorden “Minister die bevoegd is voor het wegverkeer” vervangen door de woorden “Vlaamse minister”.