15 MAART 1968. - Koninklijk besluit houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de auto's, hun aanhangwagens en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen.
[BS 28.03.1968]

Hoofdstuk VI: Constructie

Artikel 31. Afmetingen van voertuigen waarvan de aanvraag om goedkeuring 1 januari 1986 voorafgaat

§1. De afmetingen van een voertuig of van een sleep, met inbegrip van al de uitstekende delen, doch met uitzondering van omtreklichten, richtingaanwijzers, achteruitkijkspiegels, banden in de omgeving van hun raakpunt aan de grond, antislipinrichtingen op de wielen, zegels door de douane aangebracht en de inrichtingen ter bescherming van die zegels, mogen de volgende maxima niet overschrijden:

1° Breedte over om het even welke dwarsdoorsnede: 2,50 m.

Nochtans is de maximale breedte vastgesteld op 3 m voor landbouwvoertuigen die van de hoeve naar het veld rijden en omgekeerd en voor het materieel van speciale constructie, voor zover deze voertuigen tegen geen hogere snelheid rijden dan 25 per uur.

De beweeglijke of gemakkelijk los te maken buitenste delen moeten echter worden opgeklapt of weggenomen om de breedte gedurende het traject op de openbare weg te verminderen.

2° Lengte van een voertuig, opleggers uitgezonderd, eventuele koppelingsinrichting inbegrepen:

a) 8 m voor een voertuig met een as of met twee assen die aan elkander verbonden zijn en waarvan de afstand hart op hart niet meer dan 2,10 m bedraagt (tandemassen): deze lengte mag op 10 meter gebracht worden voor zover het hoogste toegelaten gewicht meer dan 2.500 kg bedraagt;

b) 12 m voor een voertuig met twee of meer assen waarvan de afstand hart op hart meer dan 2,10 m bedraagt.

Nochtans mag de lengte van auto's ingericht voor het vervoer van meer dan 8 personen, de bestuurder niet inbegrepen, 12 m bedragen, met dien verstande dat:

  • de buitenste draaicirkel geen grotere straal mag hebben dan 12 m;
  • bij deze buitenste draaicirkel met een straal van 12 m, de straal van de binnenste draaicirkel niet minder mag bedragen dan 6,50 m;
  • bij deze buitenste draaicirkel met een straal van 12 m, de uitzwaaiing niet meer mag bedragen dan 0,50 m.

3° Lengte van een sleep :

a) 15,50 m voor een geleed voertuig, met dien verstande dat de afstand, gemeten in de langsrichting van het voertuig, tussen het meest vooruitstekende punt van de tractor en de as of het miden van de afstand tussen de assen van de oplegger niet meer dan 12 m mag bedragen.

De Minister van Verkeerswezen kan gelede voertuigen tot het verkeer toelaten waarvan de afstand, gemeten in de langsrichting van het voertuig, tussen het meest vooruitstekende punt van de tractor en de as of het midden van de afstand tussen de assen van de oplegger meer dan 12 m bedraagt, en dit wanneer de oplegger voorzien is van een bestuurbare as of van bestuurbare assen en de door die oplegger beschreven bocht niet ongunstiger is dan deze van een oplegger zonder bestuurbare assen en waarbij de voornoemde afstand van 12 m geëerbiedigd is;

De lengte van een geleed voertuig mag evenwel 16,5 m bedragen indien de afstand tussen het middelpunt van de koppelingspen en de achterkant van de oplegger niet meer bedraagt dan 12 m;

b) 18 m voor de voertuigen met vouwbalg en andere slepen.

Bij slepen bestaande uit een vrachtauto en een aanhangwagen wordt deze lengte op 18,35 m gebracht indien de sleep voldoet aan de volgende voorwaarden:

  • de maximale afstand tussen het voorste punt van de laadruimte achter de stuurcabine en het achterste punt van de aanhangwagen, verminderd met de afstand tussen de achterkant van het motorvoertuig en de voorkant van de aanhangwagen mag niet meer bedragen dan 15,65 m;
  • de maximale afstand tussen het voorste punt van de laadruimte achter de stuurcabine en het achterste punt van de aanhangwagen mag niet meer bedragen dan 16,00 m.

c) De bepalingen aangaande een sleep zijn evenwel niet van toepassing op een sleep bestaande uit een autobus die een andere autobus voorttrekt, voor zover deze voertuigen niet tegen meer dan 25 km per uur rijden.

4° Hoogte: 4 m.

De Minister van Verkeerswezen kan voertuigen die voor openbare of bijzondere stedelijke autobusdiensten gebezigd worden en meer dan 4 m, doch niet meer dan 4,40 m hoog zijn, tot het verkeer toelaten.

De Minister van Verkeerswezen bepaalt de reiswegen die door deze voertuigen mogen gevolgd worden.

Voor wat betreft het Vlaams Gewest, worden de woorden “De Minister van Verkeerswezen” vervangen door de woorden “Het Agentschap”.

§2. Bij iedere oplegger mag de afstand tussen het steunpunt en de achteras of het steunpunt en het midden van de afstand tussen de achterassen 8 m niet overschrijden, bovendien mag geen enkel punt van het voor het steunpunt gelegen gedeelte uitsteken buiten een cilinder met vertikale as die door het steunpunt loopt en een straal heeft van 2,05 m.

Worden nochtans tot het verkeer toegelaten de opleggers waarvoor de afstand tussen het steunpunt en de achteras of het steunpunt en het midden van de afstand tussen de achterassen 8 m overschrijdt, wanneer de oplegger voorzien is van een bestuurbare as of van bestuurbare assen en de door een dergelijke oplegger beschreven bocht niet ongunstiger is dan deze van de oplegger zonder bestuurbare assen waarbij de voornoemde afstand van 8 m geëerbiedigd.

§3.

De vooroverbouw mag 2/3 van de wielbasis, met een maximum van 3,50 m, niet overschrijden .

Deze bepaling geldt niet voor opleggers, noch voor aanhangwagens met één as, of met twee assen die aan elkander verbonden zijn en waarvan de afstand hart op hart niet meer dan 2,10 m bedraagt.

De afstand gemeten in de langsrichting van een auto, tussen het meest naarvoren gelegen punt van een auto met twee of meer assen en het hart van het stuurwiel mag niet groter zijn dan 3,50 m.

De achteroverbouw mag 2/3 van de wielbasis, met een maximum van 3,50 m niet overschrijden .

Bij een voertuig met gegroepeerde assen, worden de wielbasis en de voor- en achteroverbouw gemeten vanaf het midden van de afstand tussen de uiterste assen van de gegroepeerde assen, zelfs indien een ervan ophaalbaar is.

De straal van de cirkelboog, beschreven door enig deel van een auto bij het doorrijden van een bocht met de grootste inslag der gestuurde wielen, mag ten hoogste 12 m bedragen.

In afwijking van het bovenbepaalde onder 1° en 3°, mag de overbouw van de voertuigen voor traag vervoer, omschreven in artikel 1, §11, 1°, meer bedragen dan twee derde van de wielbasis, met een maximum van 3,50 m.

§4. De voor 15 juni 1968 in dienst gestelde voertuigen moeten, wanneer zij niet kunnen voldoen aan de bepalingen van § 1, 2° en § 3 van dit artikel, aan de volgende voorschriften voldoen:

De lengte van genoemde voertuigen met inbegrip van al de uitstekende delen, opleggers uitgezonderd, mag evenwel volgende maxima niet overschrijden:

a) eenassige voertuigen, of voertuigen met twee assen die aan elkander verbonden zijn en waarvan de afstand hart op hart niet meer dan 1,60 m bedraagt (tandemassen), maar de koppelingsinrichting niet inbegrepen: 7 m;

b) voertuigen met twee en meer assen, waarvan de afstand hart op hart meer dan 1,60 m bedraagt, zonder rekening te houden met de koppelingsinrichting als het een aanhangwagen betreft: 12 m.

Een lengte van 13 m is evenwel toegelaten voor voertuigen die voor openbare of bijzondere autobusdiensten gebezigd worden wanneer zij op de datum van inwerkingtreding van dit besluit in het bezit zijn van een afwijking afgeleverd door de Minister van Verkeerswezen.

De vooroverbouw van de auto's mag niet meer dan 2,70 m bedragen.

De achteroverbouw mag niet meer dan 3,50 m bedragen.

Voor de tweeassige voertuigen waarvan de afstand tussen de assen groter is dan 1,60 m en voor die met meer dan twee assen mag bovendien:

  • de vooroverbouw niet meer dan 55/100 van de wielbasis bedragen;
  • de achteroverbouw, wanneer hij groter is dan 2,85 m niet meer dan 65/100 van de wielbasis bedragen .

Wanneer een voertuig met meer dan twee assen, twee assen bezit die zodanig geplaatst zijn dat de afstand tussen de assen niet meer dan 1,60 m bedraagt, worden de wielbasis en de overbouw gemeten vanaf het midden van de afstand tussen die twee assen, zelfs indien één ervan ophaalbaar is.

§5. Opgeheven.