15 MAART 1968. - Koninklijk besluit houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de auto's, hun aanhangwagens en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen.
[BS 28.03.1968]

Hoofdstuk VI: Constructie

Artikel 34. Lucht- en cushionbanden

§1.

Het draagvermogen en de snelheidscategorie van de banden zijn verenigbaar met het laadvermogen per as en de maximale snelheid bepaald in het PVG, het certificaat van overeenstemming of het instructieboekje van de constructeur.

Voor de voertuigen van de categorie M1 zijn de hierna volgende regels van toepassing :

  • de montage van niet-oorspronkelijke velgen en/of banden, leidt niet tot een verhoging van het spoor met meer dan 2 %. Evenwel bedraagt de tolerantie 4 % voor terreinvoertuigen;
  • het koetswerk bedekt de banden;
  • er bestaat onder alle omstandigheden een vrije ruimte tussen het loopvlak van de band en de binnenvleugel;
  • indien de banden niet opgenomen zijn in het PVG komen hun diameters overeen met de initiële waarden met een tolerantie van - 2 % en + 1,5 %.

De voertuigen van categorie M1, goedgekeurd conform de richtlijn 70/156/EEG, zijn bij hun eerste indienststelling uitgerust met banden die conform zijn aan de bijlagen van richtlijn 92/23/EEG van de Raad van 31 maart 1992 betreffende banden voor motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan alsmede betreffende de montage ervan.

De banden zijn voorzien van het merk, de naam, het gamma en de twee volgende aanduidingen :

a) Een aanduiding van het type Ex ab815222 of ex 815222, waarbij de onderscheiden delen de volgende betekenis hebben :

  • E en e : symbool dat aangeeft dat de band goedgekeurd werd hetzij door toepassing van het Akkoord van 1958 van de Economische Commissie voor Europa van Genève, hetzij volgens de regels van de Europese Unie;
  • x : een van de symbolen waarmee de landen aangegeven worden die het Akkoord van 1958 van de Economische Commissie voor Europa van Genève, onderschreven;
  • ab : het volgnummer van het amendement van het ECE reglement van Genève;
  • 815222 : een goedkeuringsnummer.

b) Een aanduiding van het type 195/65 R 15 91 H, waarbij de onderscheiden delen de volgende betekenis hebben :

  • 195 : de breedte van de band in mm;
  • 65 : de bandenserie : verhouding tussen de hoogte en de breedte van de doorsnede van de band (H/S = 0,65);
  • R : Radiaalband;
  • 15 : de inwendige diameter : 15 duim;
  • 91 : de belastingsindex (91 = 615 kg);
  • H : de snelheidscategorie (H = 210 km/u).

De symbolen van de snelheidscategorieën zijn als volgt gecodificeerd :

Symbool van de snelheidscategorie J K L M N P Q R S T U H V W Y ZR
Snelheid (km/uur) 100 110 120 130 140 150 160 170 180 190 200 210 240 270 300 >240

De banden die gemonteerd zijn op voertuigen van categorie M1, die voor de eerste maal in dienst gesteld zijn vóór 1 januari 1998 en banden van voertuigen van andere categorieën, in dienst gesteld vóór 1 januari 2004 moeten niet voorzien zijn van de aanduiding van het type Ex 02815222 of ex 815222.

De banden van alle voertuigen, voor de eerste maal in dienst gesteld vanaf 1 januari 2004, voldoen aan de voorschriften van de voormelde richtlijn 92/23/EEG van de Raad en zijn voorzien van de aanduidingen bedoeld in § 1, 2°.

Vanaf 1 januari 2004, zijn alle nieuw verkochte banden, behalve de heropgegoten banden, voorzien van die aanduidingen.

De heropgegoten banden mogen gemonteerd zijn op voertuigen in gebruik tot 1 januari 2006, op voorwaarde dat het bewijs geleverd wordt dat het om banden gaat die heropgegoten zijn volgens de regels van de kunst.

Vanaf 1 januari 2006, zijn alle heropgegoten banden die verkocht en gemonteerd worden op voertuigen in dienst, goedgekeurd conform Reglement nr. 108 betreffende de eenvormige voorschriften, aangaande de goedkeuring van de fabricatie van heropgegoten banden voor motorvoertuigen en conform Reglement nr. 109 betreffende de eenvormige voorschriften, aangaande de goedkeuring van de fabricatie van heropgegoten banden voor bedrijfsvoertuigen en hun aanhangwagens, in bijlage aan het Akkoord van Genève van de Economische Commissie voor Europa.

De reglementen nr. 108 en nr. 109 worden opgenomen als respectievelijk bijlagen 19 en 20 bij dit besluit.

De Minister of zijn gemachtigde duidt (het) (de) labo(s) aan (dat) (die) gemachtigd (is) (zijn) om de testen uit te voeren, voorgeschreven door deze Reglementen. De Dienst Voertuigen van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid is belast met het administratief beheer en de toepassing van deze Reglementen en inzonderheid om ingeval van positieve testen, de goedkeuring af te leveren aan de fabrikanten die erom vragen.

De banden dragen het goedkeuringsteken, dat bepaald is door die Reglementen en van het volgende type is :

  • voor het Reglement nr. 108 : Ex 108R-002439;
  • voor het Reglement nr. 109 : Ex 109R-002439.
Voor wat betreft het Vlaams Gewest, worden de woorden “Minister of zijn gemachtigde” vervangen door de woorden “bevoegde Vlaamse instantie” en worden de woorden “Dienst Voertuigen van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid” vervangen door het woord “goedkeuringsinstantie”.

§2. Bij autobussen en autocars moet de vrije ruimte om de luchtbanden van de aandrijfwielen zodanig zijn dat die luchtbanden (of de buitenste banden alleen indien het dubbel gemonteerde banden zijn) van sneeuwkettingen kunnen voorzien worden.

Daartoe moet er:

  1. een afstand bestaan van ten minste 60 mm tussen het loopvlak van de band en het binnenvlak van het spatbord voor de voertuigen waarvan het hoogste toegelaten gewicht 5.000 kg niet overschrijdt en van ten minste 80 mm voor de andere voertuigen.
  2. zo het om enkel gemonteerde banden gaat:
    een afstand bestaan van ten minste 25 mm tussen de zijkant van de band en enig deel van het chassis en de carrosserie voor de voertuigen waarvan het hoogste toegelaten gewicht 5.000 kg niet overschrijdt en van ten minste 50 mm voor de andere voertuigen.
  3. zo het om dubbel gemonteerde banden gaat:
    * een afstand bestaan van ten minste 25 mm tussen de zijkanten van de dubbele gemonteerde banden (op een andere plaats dan de afstand tussen de banden bij het raakvlak van de banden met de grond) voor de voertuigen waarvan het hoogste toegelaten gewicht 5.000 kg niet overschrijdt en van ten minste 35 mm voor de andere voertuigen;
    * een afstand van ten minste 25 mm tussen de zijkant van de buitenste band en enig deel van het chassis en de carrosserie voor de voertuigen waarvan het hoogste toegelaten gewicht 5.000 kg niet overschrijdt en van ten minste 30 mm voor de andere voertuigen. De afstanden bedoeld onder 1, 2 en 3 hiervoren, worden gemeten als het voertuig onbelast is en de banden tot de normale druk opgepompt zijn.

De afstanden bedoeld onder 1, 2 en 3 hiervoren, worden gemeten als het voertuig onbelast is en de banden tot de normale druk opgepompt zijn.

§3.  

Volgende voorschriften zijn van toepassing op de banden die gemonteerd zijn op voertuigen van categorie M1.

  • Banden die op velgen gemonteerd zijn van éénzelfde as hebben dezelfde technische karakteristieken. Zij zijn in de juiste draairichting gemonteerd in het geval van directionele en asymmetrische banden.
  • Radiaalbanden worden slechts vooraan gemonteerd, indien hetzelfde type ook achteraan is gemonteerd.
  • Banden die scheuren of barsten vertonen, worden vervangen.
  • Hertekende of opnieuw ingesneden banden worden nooit gemonteerd.
  • De montage van banden van het type M + S (deze aanduiding bevindt zich op de band) waarvan de snelheidscategorie overeenkomt met een lagere snelheid dan die van de origineel gemonteerde banden, zijn toegelaten. In dat geval zal de rijsnelheid aangepast zijn aan deze lagere limiet.

Ter herinnering zal een plaatje met deze limietsnelheid binnenin het voertuig aangebracht worden, op een voor de bestuurder goed zichtbare plaats.

Dat plaatje mag ook gekleefd blijven als banden gemonteerd werden met een hogere snelheidsindex.

Bedoelde banden zijn slechts toegelaten gedurende de periode van 1 oktober tot 30 april.

De bepalingen van dit punt zijn niet van toepassing voor banden van het type M+S met een snelheidscategorie waarvan de overeenstemmende snelheid groter of gelijk aan de voor het voertuig bepaalde maximale snelheid.

Behalve voor banden voor voertuigen voor traag vervoer, bedraagt de overblijvende diepte van de tekening van de band, meer dan 1,6 mm over de drie vierden van het loopvlak.

De banden van de voertuigen van categorie M1 omvatten ten minste zes dwars lopende rijen slijtage-indicatoren ongeveer gelijkmatig verdeeld over het loopvlak en gelegen in de brede groeven in het centrale gedeelte van het loopvlak dat ongeveer driekwart van de breedte van het loopvlak beslaat. De slijtage-indicatoren kunnen niet worden verward met de rubber overbruggingen tussen de ribben of de nokken van het loopvlak.

Voor banden die kunnen worden gemonteerd op velgen met een nominale diameter van ten hoogste 12" zijn vier rijen indicatoren evenwel voldoende.

De slijtage-indicatoren maken het mogelijk met een tolerantie van + 0,6/-0 mm aan te geven dat de groeven van het loopvlak nog slechts een diepte hebben van 1,6 mm.