15 MAART 1968. - Koninklijk besluit houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de auto's, hun aanhangwagens en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen.
[BS 28.03.1968]

Hoofdstuk VI: Constructie

Artikel 40. Geluid voortgebracht door de in dienst zijnde auto's

1. Het geluid voortgebracht door de in dienstzijnde auto's, gemeten in de omstandigheden en volgens de meetmethode voorzien in bijlage 1 van de richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 6 februari 1970 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten betreffende het toegestane geluidsniveau en de uitlaatinrichting van motorvoertuigen, mag onderstaande grenzen niet overschrijden:

Categorieën Waarden uitgedrukt in dB(A) (decibel A)
1. Personenauto's, auto's voor dubbel gebruik en minibussen. 84
2. Autobussen en autocars met een hoogste toegelaten massa van niet meer dan 3.500 kg. 86
3. Voertuigen ingericht voor goederenvervoer, met een hoogste toegelaten massa van niet meer dan 3.500 kg. 86
4. Autobussen en autocars met een hoogste toegelaten massa van meer dan 3.500 kg. 91
5. Voertuigen ingericht voor goederenvervoer, met een hoogste toegelaten massa van meer dan 3.500 kg. 91
6. Autobussen en autocars met een vermogen van ten minste 200 DIN pk. 93
7. Voertuigen, ingericht voor goederenvervoer, met een vermogen van ten minste 200 DIN pk en een hoogste toegelaten massa van meer dan 12.000 kg. 93

2. Nochtans mag een geluidsmeting vlakbij het voertuig als gelijkwaardig beschouwd worden in volgende omstandigheden:

De meting wordt verricht in een omgeving zonder weerkaatsing. Indien aan deze eis niet voldaan wordt, moet de meting aangepast worden om met de weerkaatsing rekening te houden. Bovendien mag, behalve het voertuig en de operateur, zich geen enkel voorwerp bevinden binnen een straal van 5 m rond de microfoon.

Het voertuig moet staan op een nagenoeg horizontale bodem die uit hard materiaal bestaat, zoals beton, asfalt of soortgelijke bedekking. Geen enkele geluiddempende stof (hoog gewas, sneeuw, enz.) mag zich onder het voertuig of tussen het voertuig en de microfoon bevinden.

Het niveau van het omgevingsgeluid, daarbij inbegrepen het geluid veroorzaakt door de wind, moet ten minste 10 dB (A) kleiner zijn dan het toelaatbare niveau voor het voertuig.

De meting gebeurt aan het stilstaande voertuig. De motor moet warm zijn en de versnellingsbak in de nulstand geplaatst. De motor wordt als warm aangezien wanneer hij bij stationair draaien stabiel is zonder gebruik te maken van startinrichting.

Tijdens de meting moet de motor op een constant toerental blijven, dat voor benzinemotoren gelijk is aan drie-vierden van dat waarbij de motor zijn maximum vermogen ontwikkelt, en dat voor de dieselmotoren gelijk is aan het maximum toerental toegelaten door de snelheidsregulateur.

De microfoon wordt rechts van het voertuig geplaatst, hij moet gekeerd zijn naar het voertuig en moet zich in een punt rechtvoor het motorblok bevinden op een afstand van 75 cm van het zijvlak van het voertuig.

Het geluidsniveau wordt gemeten met een sonometer waarvan de meettolerantie niet groter is dan 1 dB (A).

Het geluid voortgebracht door een auto in bovenvermelde omstandigheden, mag niet groter zijn dan:

  • 95 dB (A) voor voertuigen uitgerust met een benzine-motor;
  • 100 dB (A) voor voertuigen uitgerust met een diesel-motor waarvan het maximum vermogen niet hoger is dan 200 pK (Din);
  • 105 dB (A) voor voertuigen uitgerust met een diesel-motor waarvan het maximum vermogen groter is dan 200 pK (Din).

Een tolerantie van 1 dB (A) is toegestaan. (K.B. 9.8.71, art. 6)

3.

De voorschriften van de richtlijn 70/157/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 6 februari 1970 en die van de richtlijn 73/350/EEG van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 7 november 1973 houdende aanpassing aan de vooruitgang van de techniek van richtlijn 70/157/EEG van de Raad inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten betreffende het toegestane geluidsniveau en de uitlaatinrichtingen van motorvoertuigen, toegepast volgens de modaliteiten vastgelegd in artikelen 3 en 3bis zijn bindend voor al de voertuigen waarvoor de aanvraag om goedkeuring vanaf 1 januari 1977 werd ingediend.

Het in artikel 3bis, 3, gevraagde bewijs zal bestaan uit een proefnemingsverslag afgeleverd hetzij door het Belgisch Instituut voor de Verkeersveiligheid v.z.w., Haachtsesteenweg 1405, 1130 Brussel, hetzij door het Bestuur van de Verkeersreglementering en van de Infrastructuur, Wegverkeer - Technische Directie, Wetstraat 155, 1040 Brussel. (K.B. 9.5.88, art. 3A)

4.

De voorschriften van de richtlijnen 77/212/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 8 maart 1977, 81/334/EEG van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 13 april 1981 en 84/372/EEG van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 3 juli 1984, houdende aanpassing aan de stand van de techniek van de richtlijn 70/157/EEG van de Raad betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten inzake het toegestane geluidsniveau en de uitlaatinrichting van motorvoertuigen, toegepast volgens de modaliteiten vastgesteld in de artikelen 3 en 3bis mogen, op aanvraag van de constructeur of van de fabrikant, de bepalingen vastgesteld in punt 3 vervangen.

Het in artikel 3bis, 3, gevraagde bewijs zal bestaan uit een proefnemingsverslag afgeleverd hetzij door het Belgisch Instituut voor de Verkeersveiligheid v.z.w., Haachtsesteenweg 1405, 1130 Brussel, hetzij door het Bestuur van de Verkeersreglementering en van de Infrastructuur, Wegverkeer - Technische Directie, Wetstraat 155, 1040 Brussel.

Vanaf I januari 1990 zijn de voorschriften van 1° bindend voor al de voertuigen waarvoor de aanvraag om goedkeuring vanaf die datum wordt ingediend.

De bepalingen van de bijlagen 11 en IV van de richtlijn 81/334/EEG bedoeld in 1° zijn onmiddellijk van toepassing op al de uitlaatinrichtingen die te koop worden aangeboden na de inwerkingtreding van dit besluit en die bestemd zijn voor de voertuigen voor de eerste maal ingeschreven na I januari 1975.

Niettemin worden de inrichtingen voorzien van een TPSI- of TUV-markering als gelijkwaardig erkend met de EEG-markering tot I januari 1990.

5.

De voorschriften van de richtlijn 84/424/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 3 september 1984 tot wijziging van de richtlijn 70/157/EEG betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten inzake het toegestane geluidsniveau en de uitlaatinrichting van motorvoertuigen, toegepast volgens de modaliteiten vastgesteld in de artikelen 3 en 3bis, mogen op aanvraag van de constructeur of van de fabrikant, de bepalingen vastgelegd in de punten 3 en 4 vervangen.

Het in artikel 3bis, § 3 gevraagde bewijs zal bestaan uit een proefnemingsverslag afgeleverd hetzij door het Belgisch Instituut voor de Verkeersveiligheid v.z.w. Haachtsesteenweg 1405, 1130 Brussel, hetzij door het Bestuur van de Verkeersreglementering en van de Infrastructuur, Wegverkeer - Technische Directie, Wetstraat 155, 1040 Brussel.

Vanaf 1 januari 1992 zijn de voorschriften van 1° bindend voor al de voertuigen waarvoor de aanvraag om goedkeuring vanaf die datum wordt ingediend.

Voor wat betreft het Vlaams Gewest, wordt de zinsnede “het Bestuur van de Verkeersreglementering en van de Infrastructuur, Wegverkeer – Technische Directie, Wetstraat 155, te 1040 Brussel” telkens vervangen door de woorden “de goedkeuringsinstantie”.