15 MAART 1968. - Koninklijk besluit houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de auto's, hun aanhangwagens en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen.
[BS 28.03.1968]

Hoofdstuk VI: Constructie

Artikel 39. Uitlaat

§1. De uitlaatgassen mogen slechts worden afgevoerd door een inrichting welke behoorlijk geluiddempend, doelmatig en gasdicht is en waarvan de werking onderweg door de bestuurder niet kan onderbroken worden.

Alle voorzieningen moeten worden getroffen opdat de uitlaatgassen het voertuig niet kunnen binnendringen.

De uitlaadleiding en de knaldemper mogen zich niet op minder dan 10 cm van elke brandbare stof bevinden, tenzij zij doelmatig zijn beschermd.

De uitlaatleiding van een voertuig met benzinemotor moet geheel buiten de personenruimte zijn gelegen.

Deze laatste bepaling geldt slechts voor de voertuigen tot het verkeer toegelaten met ingang van 1 oktober 1971.

§2. De volgende bepalingen gelden voor de rookuitlatingen van de met een Diesel-motor uitgeruste auto's.

1. De rookuitlating wordt vastgesteld door de opaciteit eraan, gemeten met een opacimeter met foto-elektrische cel.

De opacimeter is een toestel dat ontworpen en uitgevoerd werd om de absorptie, door een rookkolom, van het witte licht, uitgestraald door een op een temperatuur van meer dan 2.500° C gebrachte wolframdraad, te meten.

De absorptie wordt vastgesteld door een coëfficient, genoemd coëfficient van absorptie per meter, gelijk aan nul in geval van luchtledigheid en aan het oneindige wanneer de verduistering volkomen is.

Het midden van de meetschaal van de opacimeter moet bij benadering overeenstemmen met een coefficient van absorptie per meter gelijk aan 0,740.

Het nuttig gedeelte van de meetschaal van de opacimeter moet ten minste van de absorptiecoefficient 0,2 tot de absorptiecoefficient 3 reiken.

De snelheid waarmede de aanwijzer van de opacimeter de waarden aangeeft moet zodanig zijn dat de evolutie van de opaciteit van de rook kan gevolgd worden met een vertraging van ten hoogste 0,2 sec. De grootst mogelijke afwijking mag niet verder reiken dan 2 % van het midden van de meetschaal.

2. De opacimeter dient derwijze ontworpen dat de opaciteit van de uitlaatgassen kan geraamd worden hetzij door rechtstreekse aflezing, hetzij door onmiddellijke registratie. In geen geval mogen de uitlaatgassen bewaard worden om er later de opaciteit van te meten. Zij dienen onmiddellijk en onophoudelijk van de uitlaat naar het gevoelig element van de opacimeter gevoerd te worden.

Het meten geschiedt door hetzij al de gassen, hetzij slechts een gedeelte van de gassen die de uitlaatinrichting van het voertuig verlaten op te vangen.

3. Het meten van de opaciteit moet geschieden onder de volgende voorwaarden:

a) voor de proef er zich van vergewissen dat er geen enkele wijziging aan de uitlaatinrichting werd gebracht om de opaciteit van de rook schijnbaar te verminderen;

b) op het stilstaande voertuig met de motor op zijn normale gebruikstemperatuur wordt er overgegaan tot een reeks opeenvolgende versnellingen die zo vlug en zo kort opeen mogelijk dienen uitgevoerd terwijl men nagaat of de motor telkens zijn hoogste draaisnelheid bereikt.

Tijdens de eerste drie versnellingen die bedoeld zijn om roet en verbrandingsresten uit de uitlaatinrichting te verwijderen en om het gevolg van de trage luchtaanvoer bij de aanwending van een aanjagingsinrichting tot het minimum te beperken, wordt geen enkele meting verricht. Van de vierde versnelling af wordt de hoogste waarde opgenomen die aangegeven is door de aanwijzer van de opacimeter tijdens de versnelling en tijdens de terugkeer van de motor tot stationair draaien.

c) De waarde van de opaciteit wordt bepaald door het rekenkundig gemiddelde van de eerste twee opeenvolgende aflezingen die coefficienten van absorptie per meter aangegeven waartussen het verschil niet meer dan 0,074 bedraagt.

d) Voor motoren met aanjagingsinrichting met facultatieve werking wordt overgegaan tot twee volledige meetreeksen, waarbij de aanjagingsinrichting werkt tijdens een reeks en buiten dienst is tijdens de andere. Wordt weerhouden, de waarde welke overeenstemt met de reeks die het hoogste resultaat heeft opgeleverd.

4. De gemeten waarde van de opaciteit mag een coefficiënt van absorptie per meter gelijk:

a) aan 0,975 niet overschrijden voor de voertuigen die niet goedgekeurd zijn volgens de richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 2 augustus 1972 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgeving der Lid-Staten met betrekking tot de maatregelen die moeten worden genomen tegen de verontreiniging door dieselmotoren bestemd voor het aandrijven van voertuigen;

b) aan de referentie-coefficient niet overschrijden bepaald tijdens de typekeuring van het voertuig, verhoogd met een tolerantie-coefficient van 0,500 voor de voertuigen goedgekeurd volgens de onder a) vermelde procedure, voor zover die referentiewaarde op een leesbare en onuitwisbare wijze is ingeschreven in een rechthoek waarvan de kleinste afmeting ten minste 5,6 mm moet bedragen en die moet aangebracht zijn op een goed zichtbare en gemakkelijk toegankelijke plaats van het voertuig.

5. De Minister van Verkeerswezen is belast met de homologatie van de typen van opacimeters en met de eventuele bepaling van de overeenkomstigheid tussen de conventionele meetschaal van elk van deze typen en de theoretische waarden vastgesteld in dit besluit.

Voor wat betreft het Vlaams Gewest, worden de woorden “Minister van Verkeerswezen” vervangen door de woorden “bevoegde Vlaamse instantie”.

§3.

1.      a) De Richtlijn 70/220/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 20 maart 1970 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten met betrekking tot maatregelen tegen luchtverontreining door emissies van motorvoertuigen, gewijzigd door de Richtlijnen 91/441/EEG van de Raad van 26 juni 1991 en 93/59/EEG van de Raad van 28 juni 1993, wordt verplicht op de data vermeld in artikel 2, punten 2 en 3, van de richtlijn 91/441/EEG en in de Richtlijn 93/59/EEG.

b) Het bewijs dat een type voertuig voldoet aan de hogervermelde richtlijn, moet worden geleverd door de voorlegging van de bijlage aan het EEG-goedkeuringsformulier zoals voorzien in bijlage IX bij hogervermelde richtlijn.

c) De geldigheid van de processen-verbaal van goedkeuring zal beperkt worden tot 28 februari 1995 indien de constructeur of zijn mandataris, aan de hand van het in punt b bedoelde document, voor die datum het bewijs niet heeft geleverd dat ze aan de hogervermelde richtlijn voldoen.

d) Het in punt b bedoelde document kan worden bekomen bij het Bestuur van de Verkeersreglementering en van de Infrastructuur, dienst Wegverkeer, Technische Directie, Wetstraat 155, te 1040 Brussel, op basis van beproevingen uitgevoerd door het Laboratorium voor Petroleum Produkten, Motoren en Voertuigen, Renaissancelaan 30, te 1040 Brussel.

Voor wat betreft het Vlaams Gewest, wordt de zinsnede “het Bestuur van de Verkeersreglementering en van de Infrastructuur, Dienst Wegverkeer, Technische Directie, Wetstraat 155, te 1040 Brussel” vervangen door de woorden “de goedkeuringsinstantie”.

2.      a) De Richtlijn 88/77/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappe van 3 december 1987 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten met betrekking tot de maatregelen die moeten worden genomen tegen de emissie van gasvormige verontreiniging door dieselmotoren, bestemd voor het aandrijven van voertuigen, laatstelijk gewijzigd door de Richtlijn 91/542/EEG van 1 oktober 1991, wordt verplicht op de data vermeld in artikel 2, punten 2 en 4, van de Richtlijn 91/542/EEG.

b) Het bewijs dat een type voertuig voldoet aan de hogervermelde richtlijn moet worden geleverd door de voorlegging van de bijlage bij het EEG-goedkeuringsformulier, zoals voorzien in bijlage VIII bij de hogervermelde richtlijn.

c) De geldigheid van de processen-verbaal van goedkeuring zal beperkt worden tot 28 februari 1995 en tot 30 september 1996 indien de constructeur of zijn mandataris voor die data het bewijs niet levert, aan de hand van het in punt b bedoelde documetn, dat ze voldoen aan respectievelijk regel A en regel B van punt 6.2.1. van bijlage I bij hogervermelde richtlijn.

d) Het in punt b bedoelde document kan worden bekomen bij het Bestuur van de Verkeersreglementering en van de Ingrastructuur, Dienst Wegverkeer, Technische Directie, Wetstraat 155, te 1040 Brussel, op basis van beproevingen uitgevoerd door het Laboratorium voor Petroleum Produkten, Motoren en Voertuigen, Renaissancelaan 30, te 1040 Brussel.

Voor wat betreft het Vlaams Gewest, wordt de zinsnede “het Bestuur van de Verkeersreglementering en van de Infrastructuur, Dienst Wegverkeer, Technische Directie, Wetstraat 155, te 1040 Brussel” vervangen door de woorden “de goedkeuringsinstantie”.

3. Motorvoertuigen zijn onderworpen aan de bepalingen van de bijlagen van richtlijn 70/220/EEG van de Raad van 20 maart 1970 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lid-Staten met betrekking tot de maatregelen tegen luchtverontreiniging door uitlaatgassen van motoren in motorvoertuigen, gewijzigd door de richtlijn 91/441/EEG van de Raad van 26 juni 1991, door de richtlijn 93/59/EEG van de Raad van 28 juni 1993, door de richtlijn 94/12/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 maart 1994, door richtlijn 96/44/EG van de Commissie van 1 juli 1996, door de richtlijn 96/69/EG van het Europees Parlement en de Raad van 8 oktober 1996, door de richtlijn 98/69/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 1998, door de richtlijn 98/77/EG van de Commissie van 2 oktober 1998, door de richtlijn 1999/102/EG van de Commissie van 15 december 1999 en door de richtlijn 2001/1/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 januari 2001.

Voor voertuigen die goedgekeurd worden of voor het eerst in dienst gesteld worden vóór de in volgend lid vermelde data, zijn de grenswaarden voor de emissies van de proef type I deze aangegeven in rij A van de tabel in punt 5.3.1.4 van bijlage I bij de richtlijn 70/220/EEG (3 euros).

Voor voertuigen goedgekeurd vanaf 1 januari 2005 of voor het eerst in dienst gesteld vanaf 1 januari 2006, zijn de grenswaarden voor de emissies van de proef type I deze aangegeven in rij B van de tabel in punt 5.3.1.4 van bijlage I bij de richtlijn 70/220/EEG (Euro 4).

Evenwel, voor de voertuigen van categorie M waarvan de maximaal toegelaten massa groter is dan 2500 kg en de voertuigen van categorie N1 waarvan de massa van het voertuig in rijklare toestand vermeerderd met een massa van 25 kg meer bedraagt dan 1305 kg, worden de twee bovenvermelde data vervangen door respectievelijk 1 januari 2006 en 1 januari 2007.

4. Motorvoertuigen zijn onderworpen aan de bepalingen van de bijlagen van richtlijn 88/77/EEG van de Raad van 3 december 1987 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lid-Staten met betrekking tot maatregelen tegen de emissie van verontreinigde gassen en de deeltjes door voertuigmotoren met compressieontsteking en de emissie van verontreinigde gassen door op aardgas of vloeibaar petroleumgas lopende voertuigmotoren met elektrische ontsteking, gewijzigd door de richtlijn 1999/96/EG, van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 1999 en de richtlijn 2001/27/EG van de Commissie van 10 april 2001.

Voor voertuigen goedgekeurd of voor het eerst in dienst gesteld vóór de in volgend lid vermelde data, voldoen de emissies van verontreinigende gassen en deeltjes en de opaciteit van de rook van de motor aan de grenswaarden in rij A van de tabellen in punt 6.2.1 van bijlage I bij richtlijn 88/77/EEG (3 euros).

Voor voertuigen goedgekeurd vanaf 1 oktober 2005 of voor het eerst in dienst gesteld vanaf 1 oktober 2006, voldoen de emissies van verontreinigende gassen en deeltjes en de opaciteit van de rook van de motor aan de grenswaarden in rij B1 van de tabellen in punt 6.2.1 van bijlage I bij richtlijn 88/77/EEG (4 euros).

5. De Minister of zijn gemachtigde duidt het (de) labo(s) aan dat (die) gemachtigd is (zijn) om de testen uit te voeren, voorgeschreven door deze richtlijnen. De Dienst Voertuigen van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeers-veiligheid is belast met het administratief beheer en de toepassing van deze richtlijnen en inzonderheid om ingeval van positieve testen, de goedkeuring af te leveren aan de fabrikanten die erom vragen.

Voor wat betreft het Vlaams Gewest, worden de woorden “Minister of zijn gemachtigde” vervangen door de woorden “bevoegde Vlaamse instantie” en worden de woorden “Dienst Voertuigen van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid” vervangen door het woord “goedkeuringsinstantie”.