15 MAART 1968. - Koninklijk besluit houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de auto's, hun aanhangwagens en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen.
[BS 28.03.1968]

Hoofdstuk VI: Constructie

Artikel 45. Reminrichtingen van de auto's - Algemene bepalingen

§1. De auto's moeten voorzien zijn:

van een bedrijfsreminrichting die het mogelijk moet maken de beweging van het voertuig te controleren en het voertuig op veilige, snelle en doeltreffende wijze tot stilstand te brengen, ongeacht de snelheidsomstandigheden en de belasting en ongeacht de stijgende of dalende helling waarop het voertuig zich bevindt. De werking ervan moet regelbaar zijn . De bestuurder moet deze remming tot stand kunnen brengen vanaf zijn zitplaats, zonder de handen van het stuurorgaan te nemen;

van een noodreminrichting die het bij storing van de bedrijfsreminrichting mogelijk moet maken het voertuig binnen een redelijke afstand tot stilstand te brengen. De werking ervan moet regelbaar zijn.

De bestuurder moet deze remming vanaf zijn zitplaats kunnen bewerkstelligen en daarbij ten minste met één hand de controle over het stuurorgaan behouden. Met het oog op deze voorschriften wordt aangenomen dat er zich niet meer dan één storing in de bedrijfsreminrichting tegelijkertijd kan voordoen;

van een parkeerreminrichting die het mogelijk moet maken het voertuig onbeweeglijk te houden op een stijgende of dalende helling, zelfs bij afwezigheid van de bestuurder, waarbij dan de actieve elementen aangespannen blijven door middel van een uitsluitend mechanisch werkende inrichting. De bestuurder moet deze remming vanaf zijn zitplaats kunnen bewerkstelligen.

§2. De auto's voor traag vervoer waarvan de maximumsnelheid niet hoger is dan 30 km/h moeten evenwel niet voorzien zijn van de noodreminrichting. Wanneer een dergelijk voertuig is uitgerust met een louter mechanisch werkende reminrichting, mag deze uit eén enkele reminrichting bestaan op voorwaarde dat de verschillende delen ervan voldoende ruim zijn bemeten en aan de voorschriften met betrekking tot de bedrijfsreminrichting en de parkeerreminrichting wordt voldaan.

§3. De autobussen en autocars waarvoor de aanvraag om goedkeuring vanaf 1 juni 1987 wordt ingediend, moeten voldoen aan de bepalingen van de richtlijn 71/320/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 26 juli 1971, inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten betreffende de reminrichtingen van bepaalde categorieën motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan, zoals laatst gewijzigd door de richtlijn 85/647/ EEG van de Commissie van 23 december 1985.

§4. Voor de auto's waarvoor de aanvraag om goedkeuring ingediend werd vanaf 1 oktober 1988, mogen op verzoek van de constructeur de voorschriften van de richtlijn 71/320/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 26 juli 1971, laatstelijk gewijzigd door de richtlijn 88/194/EEG van de Commissie van 24 maart 1988 toegepast volgens de modaliteiten vastgesteld in de artikelen 3 en 3bis, de bepalingen van artikelen 46 tot 53 van dit besluit vervangen.

§5. De voorschriften van §4 zijn bindend voor de auto's waarvoor de aanvraag om goedkeuring wordt ingediend vanaf 1 januari 1991.

§6. De voorschriften van de voornoemde richtlijn 71/320/EEG gewijzigd door de richtlijnen van de Commissie 74/132/EEG van 11 februari 1974 en 75/524/EEG van 25 juli 1975 zijn bindend voor auto's in dienst gesteld vanaf 1 januari 1991.

§7. De voorschriften van punten 2.2.1.22 en 2.2.1.33 van bijlage I en bijlage X van de voornoemde richtlijn 71/320/EEG, laatstelijk gewijzigd door de voornoemde richtlijn 88/194/ EEG zijn bindend voor de auto's in dienst gesteld van 1 januari 1993.

§8. De voorschriften van de bijlagen van de richtlijn 71/320/EEG van de Raad inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lid-Staten betreffende de reminrichtingen van bepaalde categorieën motorvoertuigen en hun aanhangwagens, zoals gewijzigd door de richtlijn 91/422/EEG van de Commissie van 15 juli 1991, zijn van toepassing op voertuigen voor het eerst in gebruik genomen vóór 1 januari 2004.

§9. De voorschriften van de bijlagen van richtlijn 71/320/EEG van de Raad inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lid-Staten betreffende de reminrichting van bepaalde categorieën motorvoertuigen en hun aanhangwagens, zoals gewijzigd door de richtlijn 98/12/EG van de Commissie van 27 januari 1996, zijn van toepassing op voertuigen van categorieën M2, M3, N2, N3, O3 en O4 voor het eerst in gebruik genomen vanaf 1 januari 2004.