15 MAART 1968. - Koninklijk besluit houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de auto's, hun aanhangwagens en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen.
[BS 28.03.1968]

Hoofdstuk VI: Constructie

Artikel 54. Verbindingen van het trekkend voertuig met de aanhangwagens

§1. Koppeling.

De onderlinge verbinding tussen trekkende en getrokken voertuigen mag slechts geschieden door één enkele, voldoend stijve en sterke koppeling.

De koppeling moet behoren tot een door de Minister van Verkeerswezen of zijn afgevaardigde goedgekeurd type.

Voor wat betreft het Vlaams Gewest, worden de woorden “Minister van Verkeerswezen of zijn afgevaardigde” vervangen door de woorden “bevoegde Vlaamse instantie”.

De koppeling moet zijn voorzien van een sluitinrichting met een borging. Deze inrichting dient zodanig te zijn uitgevoerd dat de koppeling tijdens het rijden gesloten en geborgd blijft en niet kan losraken. De borging mag slechts kunnen worden aangebracht indien de koppeling is gesloten. Bovendien dient de sluitinrichting zodanig te zijn uitgevoerd dat wanneer de koppeling niet geborgd is, deze tijdens het rijden deugdelijk gesloten blijft.

Indien de maximale toegelaten massa van de aanhangwagen meer dan 3 500 kg bedraagt moet bij het aankoppelen de onder 3° bedoelde sluitinrichting automatisch werken.

De bevestiging van de koppeling aan het trekkend voertuig dient te geschieden aan de langsliggers, dan wel aan hetgeen deze vervangt, of aan dwarsbalken of andere chassisdelen mits deze daartoe bestemd of geschikt gemaakt en deugdelijk met de langsliggers verbonden zijn.

Het hart van de opleggerkoppeling mag zich niet achter de hartlijn van de achteras(sen) van de trekker bevinden.

Koppelingen mogen niet meer dan 15 cm buiten de omtrek van het trekkende voertuig uitsteken.

Bij ontkoppelen mogen geen delen van de koppeling de grond kunnen raken.

§2. Hulpkoppeling.

Aanhangwagens met een losbreekrem mogen niet voorzien zijn van een hulpkoppeling.

Aanhangwagens die niet voorzien zijn van een losbreekrem moeten bestendig benevens van een koppeling, voorzien zijn van een hulpkoppeling en van een toestel dat bij koppelingbreuk verhindert dat de dissel de grond raakt.

De hulpkoppeling mag bestaan uit één of twee kabels of kettingen en dient zo dicht mogelijk bij het middelste lengtevlak van het voertuig aangebracht te worden. De hulpkoppeling moet het mogelijk maken dat de aanhangwagen geladen tot zijn maximale toegelaten massa gesleept wordt door het trekkend voertuig.

Voor aanhangwagens met een bedrijfsrem mag de hulpkoppeling de werking van de reminrichting niet belemmeren.

De hulpkoppeling mag slechts in werking treden na het losraken van de koppeling.

§3. Dissel.

De dissel moet zo gebouwd en bevestigd zijn dat hij in alle omstandigheden zonder breuk of blijvende vervorming bestand is tegen de optredende krachten.

Elke aanhangwagen waarvan de vooras met een draaikrans is uitgerust moet van een trekdriehoek zijn voorzien.

De trekdriehoek mag niet van buis of ander gesloten profiel zijn vervaardigd.

§4. Verticale kracht op het koppelingspunt.

Bij éénassige aanhangwagens dient deze kracht naar beneden te werken bij stilstand van de aanhangwagen op een horizontaal vlak.

Deze kracht mag niet lager liggen dan 2 pct. noch hoger dan 10 pct. van de maximale toegelaten massa van de aanhangwagen. De gebruikte koppeling en de bevestigingsinrichting van de voertuigen moeten hiertoe opgevat en gebouwd zijn. Deze bepaling geldt niet voor opleggers en voertuigen voor traag vervoer.

§5. Draaikrans.

De draaikrans moet behoren tot een voorafgaandelijk door de Minister van Verkeerswezen of zijn gemachtigde goedgekeurd type.

Voor wat betreft het Vlaams Gewest, worden de woorden “Minister van Verkeerswezen of zijn gemachtigde” vervangen door de woorden “bevoegde Vlaamse instantie”.

§6. Goedkeuring.

De aanvraag om goedkeuring van een koppeling of van een draaikrans dient door de constructeur van die verbindingen schriftelijk ingediend te worden bij het Bestuur van de Verkeersreglementering en van de Infrastructuur, onderscheiden van de in artikel 3 voorgeschreven aanvraag om goedkeuring van het type van chassis of zelfdragend voertuig.

Voor wat betreft het Vlaams Gewest, worden de woorden “het Bestuur van de Verkeersreglementering en van de Infrastructuur” vervangen door de woorden “de goedkeuringsinstantie”.

De aanvraag moet vergezeld gaan van een getuigschrift van de constructeur alsmede van de door de Minister van Verkeerswezen of zijn gemachtigde met het oog op de goedkeuring gevorderde bescheiden.

In dit getuigschrift moeten vermeld zijn:

a) voor alle koppelingen, de maximale toegelaten massa van de aanhangwagen(s);

b) bovendien, voor de opleggerkoppelingen en de kogeldraaikransen van de aanhangwagens, de maximale toegelaten massa onder die organen.

Voor wat betreft het Vlaams Gewest, worden de woorden “Minister van Verkeerswezen of zijn gemachtigde” telkens vervangen door de woorden “bevoegde Vlaamse instantie”.

De goedkeuring wordt verleend met inachtneming van de door de constructeur verstrekte aanwijzingen en van de door de Minister van Verkeerswezen of zijn gemachtigde bepaalde veiligheids- en stevigheidscriteria.

De goedkeuring wordt door de Minister van Verkeerswezen of zijn gemachtigde schriftelijk betekend. Die goedkeuring bindt de verantwoordelijkheid van de Minister van Verkeerswezen of zijn gemachtigde niet en vermindert in genendele die van de aanvrager.

Voor wat betreft het Vlaams Gewest, worden de woorden “Minister van Verkeerswezen of zijn gemachtigde” telkens vervangen door de woorden “bevoegde Vlaamse instantie”.

De aanvrager draagt de kosten van goedkeuring, waarvoor door de Minister van Verkeerswezen een prijstabel wordt opgemaakt.

Voor wat betreft het Vlaams Gewest, worden de woorden “Minister van Verkeerswezen” vervangen door de woorden “Vlaamse minister”.

§7. Identificatie.

Op een metalen plaat die, op de koppeling of draaikrans gelast of geklonken moet worden. moet de constructeur van de koppeling of van de draaikrans met onuitwisbare tekens het merk en het type van de koppeling of van de draaikrans vermelden.

Dit plaatje is evenwel niet vereist voor de bolkoppeling wanneer het merk en het type in onuitwisbare letters en cijfers in de kop van de bolkoppeling is ingestampt of gegoten. Een markering in de handgreep is ook toegestaan, op voorwaarde dat de handgreep niet demonteerbaar is van het huis van de bolkoppeling.

§8. Sleepinrichtingen.

Elke auto met een maximale toegelaten massa van meer dan 2 500 kg moet aan de voorzijde voorzien zijn van een inrichting waarmede de kracht van het trekkend voertuig rechtstreeks op de langsliggers van het chassis of op hetgeen deze vervangt kan worden overgebracht.

De voertuigen die voor 1 oktober 1971 in dienst werden gesteld en die niet kunnen voldoen aan de voorschriften van § 1 tot 8, moeten voldoen aan de bepalingen van § 1, 1°, 3°, 4°. 5°, 7°, 8°, § 2, 2°, 4°, 5°, § 3, 1°, § 8.

De voertuigen voor traag vervoer en het materieel van speciale constructie, die niet aan alle voorschriften van de § 1 tot 8 kunnen voldoen, moeten voldoen aan de bepalingen van § 1, 1°, 3°, 4°, 5°, 7°, 8°, § 2, § 3, § 4, § 8.