15 MAART 1968. - Koninklijk besluit houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de auto's, hun aanhangwagens en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen.
[BS 28.03.1968]

Hoofdstuk VI: Constructie

Artikel 53. Aanvullende constructievoorschriften met betrekking tot de reminrichtingen

§1. Capaciteit der reservoirs bij luchtdrukremmen.

1° Algemene voorschriften.

a) Voertuigen waarvan de reminrichtingen worden bediend door middel van luchtdruk moeten zijn voorzien van reservoirs die qua capaciteit voldoen aan de punten 2° en 3°.

b) Ten aanzien van de capaciteit van de reservoirs geldt evenwel geen enkele eis, indien het remsvsteem zodanig is uitgevoerd dat zonder enigerlei energiereserve een remeffect kan worden verkregen dat gelijk is aan het remeffect dat voor de noodreminrichting is voorgeschreven .

c) Bij het controleren van de voorschriften van de punten 2° en 3° moeten de remmen zo nauwkeurig mogelijk zijn afgesteld.

2° Auto's.

a) De remreservoirs van auto's moeten zodanig zijn uitgevoerd dat na achtmaal remmen, waarbij het bedieningsorgaan van de bedrijfsrem volledig wordt ingedrukt, het voor de noodreminrichting voorgeschreven remeffect nog kan worden verkregen.

b) Bij de proef dienen de hierna volgende voorwaarden in acht te worden genomen:

  1. het oorspronkelijk energieniveau in de reservoirs dient gelijk te zijn aan de door de constructeur opgegeven waarde. Bij deze waarde moet het voor de bedrijfsrem voorgeschreven remeffect kunnen worden verkregen;
  2. er dient geen toevoer naar het (de) reservoir(s) plaats te vinden; bovendien worden de hulpreservoirs afgesloten;
  3. bij auto's waaraan een aanhangwagen of een oplegger mag worden gekoppeld, moet de toevoerleiding worden afgesloten en moet een capaciteit van O,5 l op de bedieningsleiding worden aangesloten. Voor elke remming moet de druk in deze capaciteit worden afgelaten. Na de proef bedoeld in a) mag het niveau van de aan de bedieningsleiding afgegeven energie niet minder bedragen dan de helft van de bij de eerste remming verkregen waarde.

3° Aanhangwagens (met inbegrip van opleggers).

a) De reservoirs van aanhangwagens moeten zodanig zijn uitgevoerd dat na achtmaal volledig indrukken van het bedieningsorgaan van de bedrijfsreminrichting van de trekker, het niveau van de aan de bedrijfsorganen afgegeven energie niet onder de helft van de bij de eerste remming verkregen waarde daalt.

b) Tijdens deze proef moeten de hierna volgende voorwaarden in acht worden genomen:

  1. aan het begin van de proef dient de druk in de reservoirs gelijk te zijn aan de door de constructeur aangegeven maximumwaarde;
  2. de toevoerleiding moet zijn afgesloten: bovendien moeten de hulpreservoirs zijn afgesloten;
  3. tijdens de proef mag geen noemenswaardige nieuwe toevoer in de reservoirs plaatsvinden;
  4. bij iedere remming moet de druk in de bedieningsleiding overeenkomen met de door de constructeur aangegeven maximumwaarde.

§2. Capaciteit der reservoirs bij vacuumremmen.

1° Auto's.

Bij vacuumreminrichtingen moeten de voorraadketels ten minste zodanige afmetingen hebben, dat na X volledige remmingen de druk in de ketels ten maximale vermindert met de helft van de oorspronkelijke waarde.

Deze beproeving moet worden uitgevoerd met stilstaande motor.

De factor X bedraagt:

7 bij een éénleiding vacuumsysteem;

5 bij een tweeleiding vacuumsysteem.

Het bovenstaande geldt niet voor auto's met een vacuum servoinrichting die niet hestemd zijn om een aanhangwagen of oplegger te trekken.

2° Aanhangwagens.

a) De totale inhoud van de voorraadketels van reminrichtingen met vacuum moet zo opgevat zijn dat bij één enkele remming de drukwijziging in de voorraadketels gelegen is tussen de volgende limieten, uitgedrukt in kg/cm²:

0,03 en 0,05 bij éénleiding vacuumsystemen (werkdruk 0,3 kg/cm²)
0,04 en 0,08 bij tweeleiding vacuumsystemen (werkdruk 0,3 kg/cm²)

De voorraadketel moet zijn voorzien van een inrichting tot het aansluiten van een drukmeter.

b) Remkrachtregelaar.

Bij aanhangwagens waarvan de maximale toegelaten massa meer bedraagt dan 3 500 kg moet de bedrijfsreminrichting zijn voorzien van een apparaat waarmede de remkrachten kunnen worden aangepast aan de belastingstoestand van het voertuig.

Dit apparaat mag op het trekkend voertuig aangebracht worden, alleen indien de bedrijfsreminrichting van de aanhangwagens hiermede niet kan uitgerust worden.

Deze bepaling geldt niet voor aanhangwagens waarvan de maximale toegelaten massa niet meer bedraagt dan 10.000 kg en die gesleept worden uitsluitend door auto's voor traag vervoer.

§3. De voertuigen echter, waarvoor voor 1 januari 1976 een typekeuringsaanvraag werd ingediend, en ingeval zij niet kunnen voldoen aan de bepalingen van § 1 en § 2 van dit artikel. dienen te voldoen aan volgende bepalingen:

1° Voor de auto's.

a) Bij hydraulische reminrichtingen:

  1. moeten de vulopeningen van de vloeistofreservoirs gemakkelijk toegankelijk zijn;
  2. moeten de voorraadreservoirs zodanig zijn ingericht en op het voertuig zijn aangebracht, dat het peil van de vloeistof gemakkelijk en zonder het reservoir te openen kan worden gecontroleerd: als aan deze voorwaarde niet is voldaan moet een verklikker zijn aangebracht, die de bestuurder waarschuwt wanneer het peil van de vloeistof in het voorraadreservoir zover is gedaald, dat de goede werking van de reminrichting in gevaar komt. De goede werking van dit signaal moet gemakkelijk door de hestuurder kunnen worden gecontroleerd;
  3. kan van het onder 2 bepaalde worden afgeweken indien:

- het voertuig is voorzien van een bedrijfsrem met gescheiden circuits met twee vloeistofreservoirs, waarbij het falen van elk circuit door middel van een verklikker aan de bestuurder kenbaar wordt gemaakt; deze verklikker moet zodanig zijn dat de goede werking daarvan voor het in bedrijf stellen van de auto door de bestuurder kan worden gecontroleerd;

- het voertuig is voorzien van een inrichting die ten minste gelijke waarborgen biedt.

b) Bij pneumatische reminrichtingen moeten de voorraadketels ten minste zodanige afmetingen hebben. dat na X volledige remmingen de druk in de ketels ten maximale vermindert met de helft van de oorspronkelijke waarde.

Deze beproeving moet worden uitgevoerd met stilstaande motor.

De factor X bedraagt:

12 bij een éénleiding luchtdruksysteem,
8
bij een tweeleiding luchtdruksysteem,
7
bij een éénleiding vacuümsysteem,
5
bij een tweeleiding vacuümsysteem.

Het bovenstaande geldt niet voor auto's met een pneumatische servo-inrichting die niet bestemd zijn om een aanhangwagen of oplegger te trekken.

c) Elke auto die is uitgerust met een rem, die werkt door middel van een voorraadreservoir, moetindien een voldoende remwerkmg onmogelijk is zonder hulp van energievoorraadzijn voorzien van een waarschuwingssignaal dat de bestuurder zichthaar of hoorbaar waarschuwt, dat de voorraad in enig deel van de reminrichting voor de regelklep is gedaald tot 65 pct. van de normale werkingswaarde. Dit waarschuwingssignaal moet rechtstreeks en vast met de leiding zijn verbonden. Een manometer wordt niet als een waarschuwingsapparaat beschouwd.

d) Indien voor de werking van een reminrichting een hulpkrachtbron noodzakelijk is, moet deze hulpkrachtbron voldoende energiereserve bevatten om het voertuig bij stilstaande motor op de voorgeschreven wijze tot stilstand te kunnen brengen.

e) Indien de spierkracht van de bestuurder op de parkeerreminrichting wordt versterkt door een hulpkrachtbron, moet deze reminrichting zodanig zijn ontworpen en uitgevoerd dat zij in de aangezette stand blijft vergrendeld ook bij bet uitvallen van de hulpkracht.

2° Voor de aanhangwagens.

De bepalingen van de punten a), b), c), zijn van toepassing voor voertuigen die vanaf 1 oktober 1971 in dienst werden gesteld.

a) Bij hydraulische reminrichtingen:

moeten de vulopeningen van de vloeistofreservoirs gemakkelijk toegankelijk zijn;

moeten de voorraadreservoirs zodanig zijn ingericht en op het voertuig zijn aangebracht, dat het peil van de vloeistof gemakkelijk kan worden gecontroleerd zonder het reservoir te openen.

b) De totale inhoud van de voorraadketels van reminrichtingen met pneumatische bediening moet zo opgevat zijn dat bij één enkele remming de drukwijziging in de voorraadketels gelegen is tussen de volgende limieten, uitgedrukt in kg/cm² :

  1. 0,38 en 0,55 bij éénleiding luchtdruksysteem (werkdruk 4,5 kg/cm²),
  2. 0,60 en 1,20 bij tweeleiding luchtdruksysteem (werkdruk 6 kg/cm²),
  3. 0,03 en 0,05 bij éénleiding vacuumsystemen (werkdruk 0,3 kg/cm²),
  4. 0,04 en 0,08 bij tweeleiding vacuumsystemen (werkdruk 0,3 kg/cm²).

De voorraadketel moet zijn voorzien van een inrichting tot het aansluiten van een drukmeter.

c) Remkrachtregelaar.

Bij aanhangwagens waarvan de maximale toegelaten massa meer bedraagt dan 3 500 kg moet de bedrijfsremmrlchtlng zlJn voorzien van een apparaat waarmede de remkrachten kunnen worden aangepast aan de beladingstoestand van het voertuig.

Dit apparaat mag op het trekkend voertuig aangebracht worden, alleen indien de bedrijfsreminrichting van de aanhangwagen hiermede niet kan uitgerust worden.

Deze bepaling geldt niet voor aanhangwagens waarvan de maximale toegelaten massa niet meer bedraagt dan 10 000 kg en dle gesleept worden uitsluitend door auto's voor traag vervoer.