15 MAART 1968. - Koninklijk besluit houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de auto's, hun aanhangwagens en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen.
[BS 28.03.1968]

Hoofdstuk VII: Inrichting

Artikel 57. Bestuurdersruimte, bestuurderszitplaats, binnen- en buiteninrichting

§1. De bestuurder moet een vrij uitzicht hebben, zonder belemmering door enigerlei overtollig of niet-reglementair voorwerp of opschrift.

Alle voorzieningen dienen getroffen om te voorkomen dat de bestuurder zou gehinderd worden door de binnenverlichting van het voertuig.

§2. De personenruimte moet voldoende geventileerd kunnen worden.

Indien de motor zich geheel of gedeeltelijk in de personenruimte bevindt, moet deze van de binnenruimte hermetisch zijn afgesloten door niet-brandbare, isolerende wanden van deugdelijke constructie.

§3. Het vloer- of schutbordgedeelte, waar de pedalen en hefbomen doorheensteken of waaraan deze zijn bevestigd, moet zodanig zijn uitgevoerd, dat de goede werking of bediendbaarheid van deze pedalen en hefbomen niet kan worden belemmerd. De openingen voor het doorlaten der pedalen en hefbomen mogen niet groter zijn dan voor een goede werking noodzakelijk is en moeten zijn afgedicht wanneer deze pedalen of hefbomen zich in ruststand bevinden.

Vloer en schutbord moeten stevig zijn bevestigd en mogen geen onnodige openingen vertonen.

§4. Wanneer de bestuurdersruimte door een beschot van het overige koetswerk gescheiden wordt, dient de bestuurder zowel links als rechts over een toegankelijke nooduitgaug van ten minste 40 x 40 cm te beschikken. Eén hiervan mag door een gelijkwaardige nooduitgang hetzij in het dak, hetzij in de achterwand vervangen worden.

Het besturen van het voertuig moet zonder belangrijke lichaamsverplaatsing kunnen geschieden. De zitplaats van de bestuurder moet stevig zijn bevestigd en zo zijn aangebracht dat zij slechts kan verschuiven door middel van een hiervoor bestemde inrichting. De zitplaats moet, van aan het voorvlak van de rugleuning tot aan de voorkant van de zitting ten minste 35 cm diep zijn.

De plaatsruimte voor de bestuurder moet ten minste 55 cm breed zijn, waarbij ten minste 27,5 cm aan weerszijden van het middenpunt van het stuurwiel moet gelegen zijn.

Voor ten minste een van de standen van de bestuurderszitplaats moet de kleinste afstand tussen het meest naar achteren gelegen punt van het stuurwiel en de rugleuning van die zitplaats, horizontaal gemeten, ten minste 35 cm bedragen. De bestuurderszetel met een gewicht van 75 kg belast zijnde moet de verticale afstand tussen het laagst gelegen punt van het stuurwiel en de zitting van die zetel ten minste 16 cm bedragen.

§5. De plaatsruimte voor elke naast de bestuurder gezeten persoon moet ten minste 43 cm breed zijn bij autobussen en autocars, en ten minste 40 cm in al de andere voertuigen. Deze ruimte wordt gemeten vanaf de begrenzing van minimumplaatsruimte van de bestuurder of vanaf de ongunstigste stand van de versnellingshefboom of van de handremhefboom, met dien verstande dat de ongunstigste waarde maatgevend is.

De hierboven bedoelde plaatsruimten worden gemeten op de zitting ter plaatse van de rugleuning. Voor andere voertuigen dan personenauto's, auto's voor dubbel gebruik en minibussen moeten die afmetingen tot een hoogte van ten minste 65 cm vertikaal daarboven aanwezig zijn.

De eisen waaraan de sterkte van de zitplaatsen en van hun bevestiging moeten voldoen, worden door Ons bepaald.

§6. Bij autobussen en autocars mogen naast de bestuurder zitplaatsen zijn voorzien voor zover de rugleuning ervan zich niet voor die van de bestuurder bevindt.

Wanneer de hoogste toegelaten massa van die voertuigen meer dan 5.000 kg bedraagt, moeten zij van een afzonderlijke, in hoogte en langsrichting afstelbare bestuurderszitplaats zijn voorzien.

§7. Binneninrichting.

Inzake binneninrichting dienen de voertuigen aan de volgende eisen te voldoen:

De voertuigonderdelen waaraan de inzittenden zich kunnen stoten als zij bij het onvoorziene vertragen of stoppen vooruit vliegen, mogen geen gevaarlijke uitstekende delen noch scherpe punten vertonen, die het gevaar of de graad voor verwondingen van de inzittenden kunnen vergroten.

De inrichting voor het openen van het dak moet zodanig opgevat en uitgevoerd zijn dat verhinderd wordt dat een onvoorziene werking zich voordoet, zoals onder meer bij een ongeval.

De deuren van de kasten en van de huishoudapparaten mogen niet onverwachts opengaan door de beweging van het rijdend voertuig, zelfs niet brutaal remmen.

De voorschriften van de Richtlijn 78/932/EEG van de Raad van de Europese gemeenschappen van 16 oktober 1978 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lidstaten betreffende hoofdsteunen van zitplaatsen van motorvoertuigen, of van het Reglement 25 van de Economische Commissie voor Europa van Genève en de op 11 augustus 1981 van kracht geworden reeks amendementen 01 op gezegd Reglement inzake de goedkeuring van de al of niet in de zetels ingebouwde hoofdsteunen, zijn bindend voor alle voertuigen waarvoor de aanvraag om goedkeuring vanaf 1 januari 1986 wordt ingediend.

De bijlagen van richtlijn 74/408/EEG van de Raad van de Europees Gemeenschappen van 29 juli 1974 betreffende de binneninrichting van motorvoertuigen (weerstand van zetels en hun bevestiging) omgezet in Belgisch recht door het koninklijk besluit van 3 december 1976 betreffende de goedkeuring per type motorvoertuig aangaande de zetels en hun bevestiging, gewijzigd door richtlijn 96/37/EG van de Commissie van 17 juni 1996 omgezet in Belgisch recht door voornoemd koninklijk besluit van 26 februari 1981, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 7 oktober 1996, zijn van toepassing op voertuigen die voor het eerst ingeschreven of in verkeer gesteld worden vanaf 31 maart 2003.

§8. Buiteninrichting.

Inzake buiteninrichtingen moeten de voertuigen aan de volgende eisen beantwoorden:

Het carrosseriegedeelte voor de voorruit mag naar voren gericht geen uit technische oogpunt niet onmisbaar noodzakelijke of bijkomstige elementen, noch sierstukken dragen:

a) die puntig of snijdend zijn;

b) die een scherpe hoek of een gevaarlijke snede vormen en die bij een ongeval het gevaar voor lichamelijke verwondingen voor de andere weggebruikers merkelijk vergroten.

De zij- en achterkanten mogen geen van technisch standpunt niet onmisbare onderdelen noch puntige of snijdende sierstukken dragen.

§9. De bepalingen van de §§ 7 en 8 zijn slechts van toepassing op de voertuigen tot het verkeer toegelaten met ingang van 1 oktober 1971.

§10. Kantelbeveiligingsinrichtingen op landbouwtrekkers.

De voorschriften van de richtlijn 79/622/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 25 juni 1979 en deze van de richtlijn 82/953/EEG van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 15 december 1982 houdende aanpassing aan de vooruitgang van de techniek van richtlijn 79/622/EEG van de Raad inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten betreffende kantelbeveiligingsinrichtingen op landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen (statistische proeven), toegepast volgens de modaliteiten vastgelegd in de artikelen 3 en 3bis, kunnen toepasselijk worden verklaard op verzoek van de constructeur.

Het in artikel 3bis, § 3 gevraagde bewijs zal bestaan uit een proefnemingsverslag afgeleverd hetzij door de Vereniging van Belgische Industrielen v.z.w., A. Drouartlaan 27-29, 1160 Brussel, hetzij door het Bestuur van de Verkeersreglementering en van de Infrastructuur, Wegverkeer - Technische Directie, Wetstraat 155, 1040 Brussel.

Voor wat betreft het Vlaams Gewest, wordt de zinsnede “het Bestuur van de Verkeersreglementering en van de Infrastructuur, Wegverkeer – Technische Directie, Wetstraat 155, te 1040 Brussel” vervangen door de woorden “de goedkeuringsinstantie”.

Vanaf 1 juli 1988 zijn de voorschriften van 1° bindend voor al de voertuigen waarvoor de aanvraag om goedkeuring vanaf die datum wordt ingediend.

Vanaf 1 juli 1989 zijn de voorschriften van 1° bindend voor al de voertuigen die vanaf die datum voor de eerste maal in nieuwe staat in dienst gesteld worden.