15 MAART 1968. - Koninklijk besluit houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de auto's, hun aanhangwagens en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen.
[BS 28.03.1968]

Hoofdstuk VII: Inrichting

Artikel 60. Voorschriften toepasselijk op in- en uitgangen van autobussen en autocars in nieuwe staat in het verkeer gebracht vanaf 1 juni 1987 en waarvan het aantal plaatsen meer bedraagt dan 16, bestuurder niet inbegrepen

1. Algemene voorschriften
2. Deuren
3. Noodramen
4. Nooduitgangen in het dak
5. Toegang tot de nooddeuren
6. Uitgang slaapcabine chauffeur

1. Algemene voorschriften.

1.1. Wanneer de deuren in de zijwanden eendelige draaideuren zijn die om een verticale of nagenoeg verticale as draaien, moeten het deuren met scharnieren naar voren zijn.

1.2. Een autobus of autocar of een compartiment moet ten minste met het hierna genoemde aantal uitgangen uitgerust zijn:

Aantal plaatsen bestuurder niet inbegrepen Aantal uitgangen
minder dan 9 2
9 tot en met 22 3
23 tot en met 38 4
meer dan 38 5

Onder uitgangen wordt verstaan een bedrijfsdeur, een nooddeur, een noodraam en de eventuele verbindingsweg tussen twee compartimenten. Van het aantal uitgangen moet zich tenminste een in de rechter zijwand ten opzichte van de rijrichting en een in de linkerzijwand of acherwand bevinden. De uitgangen moeten zo gelijk mogelijk over de lengte van de autobus, de autocar of van het compartiment worden verdeeld.

2. Deuren.

2.1. Aantal.

2.1.1. De autocars moeten uitgerust zijn met ten minste twee deuren, hetzij een bedrijfsdeur en een nooddeur, hetzij twee bedrijfsdeuren indien het aantal plaatsen minder bedraagt dan 63. Vanaf 63 plaatsen moeten de autocars uitgerust zijn met ten minste drie deuren, hetzij twee bedrijfsdeuren en een nooddeur, hetzij drie bedrijfsdeuren. Een dubbele bedrijfsdeur wordt aanzien als twee bedrijfsdeuren. Deze deuren moeten in de buitenwand van het voertuig worden aangebracht.

2.1.2. De autobussen moeten uitgerust zijn met ten minste twee deuren, hetzij een bedrijfsdeur en een nooddeur, hetzij twee bedrijfsdeuren indien het aantal plaatsen minder bedraagt dan 38. Vanaf 38 plaatsen moeten de autobussen uitgerust zijn met ten minste twee bedrijfsdeuren.

Vanaf 63 plaatsen moeten de autobussen uitgerust zijn met ten minste drie deuren, hetzij twee bedrijfsdeuren en een nooddeur, hetzij drie bedrijfsdeuren. Een dubbele bedrijfsdeur wordt aanzien als twee bedrijfsdeuren. Deze deuren moeten in de buitenwand van het voertuig worden aangebracht.

2.1.3. Een compartiment van negen plaatsen of meer moet uitgerust zijn met twee deuren, hetzij een bedrijfsdeur en een nooddeur, hetzij twee bedrijfsdeuren.

2.1.4. Een verbinding tussen twee compartimenten die voldoet aan de voorschriften over de gangen en de trappen wordt beschouwd als een bedrijfsdeur voor beide compartimenten.

2.2. Plaats.

2.2.1. Alle bedrijfsdeuren moeten steeds in de rechterwand van het voertuig worden aangebracht en een ervan moet zich volledig in de voorste helft van het voertuig bevinden.

Nochtans mag bij voertuigen met ten hoogste 22 plaatsen een bedrijfsdeur in de achterwand worden aangebracht voor zover aan punt 2.2.3. voldaan is.

2.2.2. Bij enkeldeksvoertuigen moet ten minste een deur in de voorste helft en ten minste een deur in de achterste helft van het voertuig zijn aangebracht zodanig dat de afstand tussen de verticale hartlijn van beide deuren, gemeten evenwijdig aan het mediaanlangsvlak van het voertuig, ten minste 40 cm bedraagt van de afstand tussen de voorzijde van de eerste zitplaats tot de achterzijde van de laatste zitplaats.

Deze afstand wordt op 25 cm gebracht voor dubbeldeksvoertuigen en voor het achterste compartiment van een geleed voertuig.

2.2.3. Voor gebruik door de bestuurder bestemde deuren.

Indien de bestuurder moeilijk zijn zitplaats kan bereiken vanuit het reizigerscompartiment, moet hij beschikken over een deur voor toegang tot de bestuurdersruimte. De deur voor de bestuurder moet met handbediening zijn en een gemakkelijke toegang tot zijn zitplaats verlenen.

Indien de deur van de bestuurder beantwoordt aan de voorschriften betreffende de nooddeuren, mag ze als dusdanig beschouwd worden.

2.2.4. De deur van een autocar die alleen toegang verleent tot de zitplaatsen naast de bestuurder wordt niet als een bedrijfsdeur beschouwd. Zij dient evenwel te beantwoorden aan de voorwaarden die gelden voor de zijdeuren van de auto's.

2.3. Afmetingen.

2.3.1. Een bedrijfsdeur moet ten minste een opening vrijgeven met een hoogte van 1.650 mm en een breedte van 600 mm.

Voor de bepaling van voormelde breedte van 600 mm wordt geen rekening gehouden met de deurkrukken, handgrepen of andere inrichtingen om het in- en uitstappen van de reizigers te vergemakkelijken, voor zover de vrije toegang niet kleiner is dan 550 mm.

2.3.2. Nooddeuren moeten ten minste een opening vrijgeven met een hoogte van 1.250 mm en een breedte van 550 mm.

2.4. Overige eisen.

2.4.1. De bedrijfsdeuren en de nooddeuren moeten tijdens het vervoer van personen bij stilstand of nagenoeg stilstand op snelle en eenvoudige wijze zowel van binnenin als van buitenuit kunnen worden geopend door middel van bij of aan deze deuren aangebrachte inrichtingen.

De nooddeuren moeten steeds bij een voertuig in beweging vergrendeld zijn. Deze vergrendeling dient automatisch te gebeuren wanneer het voertuig zich in beweging zet en dient eveneens automatisch uitgeschakeld te worden bij stilstand of nagenoeg stilstand van het voertuig.

Tevens dient het uitvallen van deze vergrendeling tijdens het rijden door een verklikkerlicht aan de bestuurder gesignaleerd te worden.

Dit voorschrift is niet van toepassing op de deur voorbehouden aan de bestuurder indien ze als nooddeur beschouwd wordt.

2.4.2. Bedrijfsdeuren en nooddeuren die door middel van over- of onderdruk worden bediend of vergrendeld moeten, ook bij afwezigheid van over- of onderdruk, geopend kunnen worden door middel van de in punt 2.4.1. voorgeschreven inrichtingen. Dit geldt ook voor de elektrisch bediende of gestuurde deuren bij het wegvallen van de spanning.

Na bediening van deze inrichting mag de deur niet weer vanzelf sluiten. Bij deze inrichting moet het opschrift "Bij nood, deur open" worden aangebracht alsmede, bij gebruik van een kraan, een pijl die de bedieningsrichting voor het openen van de deur aangeeft.

Bij de inrichting moet worden aangegeven hoe deze moet worden bediend voor het openen van de deur.

Alle opschriften moeten duidelijk leesbaar zijn voor de personen die zich zowel buiten als in het voertuig voor de deur bevinden.

2.4.3. De inrichtingen voor het openen van de bedrijfsdeuren en de nooddeuren aan de buitenzijde mogen zich bij onbeladen voertuig niet hoger dan 1.800 mm boven het wegdek bevinden.

2.4.4. De open stand van de nooddeur moet aan de bestuurder worden gesignaleerd door middel van een afzonderlijk verklikkerlicht, zelfs bij uitgeschakelde motor.

2.4.5. De bestuurder moet vanaf zijn zitplaats eventueel met behulp van optische middelen het in- en uitstappen van de reizigers kunnen waarnemen.

Indien door de plaats van de bedrijfsdeuren of de constructie van het voertuig niet aan dit voorschrift kan worden voldaan, moeten deze deuren door de bestuurder vanaf zijn zitplaats worden bediend of vrijgegeven en moet de open of gesloten stand ten minste op globale wijze door een optische inrichting aan de bestuurder kenbaar worden gemaakt.

2.4.6. De deuren moeten zo opengaan dat de buitenkant niet naar de doorgang voor de reizigers gekeerd is.

2.4.7. De nooddeuren moeten, ook wanneer zij zijn afgesloten, door middel van de normale bedieningsinrichting van binnenuit kunnen worden geopend.

2.4.8. De nooddeuren mogen niet als schuifdeuren zijn uitgevoerd.

2.4.9. Aan de binnenzijde van de bedrijfsdeuren mogen geen delen zijn bevestigd die bestemd zijn om de treden af te dekken wanneer de deur gesloten is.

2.4.10. De bedrijfsdeuren en de nooddeuren die niet rechtstreeks door de bestuurder kunnen worden gezien moeten van een inrichting zijn voorzien die de bestuurder waarschuwt wanneer de deur niet geheel gesloten is.

2.4.11. De automatische bedrijfsdeuren die niet rechtstreeks door de bestuurder kunnen worden gezien, moeten van een inrichting zijn voorzien die voorkomt dat reizigers, de tijdens het sluiten van deze bedrijfsdeuren in- of uitstappen, aan gevaar of verwondingen worden blootgesteld.

2.4.12. Bij of op de nooddeur moet zowel van binnen als van buiten duidelijk zichtbaar, hetzij het opschrift "Nooduitgang" zijn aangebracht in letters van ten minste 15 x 10 x 3 mm (hoogte x breedte x dikte), hetzij een van de pictogrammen waarvan het model in bijlage 11 van het algemeen reglement voor de arbeidsbescherming is vastgelegd.

3. Noodramen.

3.1. Afmetingen.

3.1.1. Elk noodraam, moet een opening vrijgeven met een oppervlakte van ten minste 4.000 cm waarin een rechthoek kan worden beschreven met zijden van 500 mm en 700 mm.

3.1.2. De hoogte van de onderzijde van een noodraam gemeten vanaf de vloer rechtstreeks onder het raam mag niet meer dan 1.000 mm en niet minder dan 500 mm bedragen.

Deze hoogte mag worden verminderd indien de opening van het noodraam uitgerust is met een bescherming tot een hoogte van ten minste 500 mm teneinde te voorkomen dat een reiziger uit het voertuig zou vallen.

De opening van het noodraam boven de bescherming mag hierbij niet minder bedragen dan de voorgeschreven opening.

3.2. Overige eisen.

3.2.1. De noodramen moeten hetzij uitgerust zijn met een inrichting voor het uitwerpen van de ruit, hetzij van binnenin en van buitenuit gemakkelijk en ogenblikkelijk te openen zijn, hetzij voorzien zijn van een inrichting om de ruit uit te slaan. In dit laatste geval mag de betrokken inrichting bestaan uit een in het voertuig, in de onmiddellijke nabijheid van elk noodraam aangebrachte hamer en moeten de ruiten gemakkelijk breekbaar zijn. Te dien einde mogen gelaagd glas of plastiekstoffen niet in noodramen gebruikt worden.

3.2.2. Een noodraam mag niet binnenwaarts openen.

3.2.3. De nooduitgangen verwezenlijkt door middel van uitwerpbare ruiten of luiken moeten door de Minister van Verkeerswezen of zijn gevolmachtigde zijn goedgekeurd.

Voor wat betreft het Vlaams Gewest, worden de woorden “Minister van Verkeerswezen of zijn gevolmachtigde” vervangen door de woorden “bevoegde Vlaamse instantie”.

3.2.4. Noodramen die van buitenuit kunnen worden afgesloten, moeten zodanig zijn uitgevoerd, dat ze altijd van binnenin met behulp van het bedieningsorgaan kunnen worden geopend.

Alle noodramen, die als klapraam zijn uitgevoerd moeten, indien ze moeilijk vanaf de bestuurderszitplaats waarneembaar zijn, van een inrichting voorzien zijn die de bestuurder waarschuwt wanneer het klapraam niet volledig gesloten is.

3.2.5. Bij elk noodraam moet aan de binnenzijde duidelijk zichtbaar vanuit de hoofddoorgang, hetzij het opschrift "Nooduitgang" zijn aangebracht in letters van ten minste 15 x 10 x 3 mm (hoogte x breedte x dikte), hetzij een van de pictogrammen waarvan het model in bijlage 11 van het algemeen reglement voor de arbeidsbescherming is vastgelegd. Bij de bedieningsinrichting moet op beknopte maar duidelijke wijze zijn aangegeven hoe het noodraam moet worden gebruikt. Dit opschrift moet zijn aangebracht in letters van ten minste 10 x 8 x 2 mm (hoogte x breedte x dikte).

3.2.6. Toegang.

Voor elk noodraam moet een vrije ruimte aanwezig zijn met een oppervlakte van ten minste 2.300 cm², een diepte van 500 mm en een breedte van 600 mm. Afrondingen in de hoeken met een straal van ten hoogste 250 mm zijn toegestaan.

4. Nooduitgangen in het dak.

4.1. Plaats en aantal.

4.1.1. Een autobus of een autocar of een compartiment moet ten minste zijn voorzien van het hiernagenoemde aantal nooduitgangen in het dak.

Aantal plaatsen bestuurder niet inbegrepen Aantal nooduitgangen in het dak
9 tot en met 50 1
51 tot en met 90 2
meer dan 90 3

4.1.2. De nooduitgangen in het dak moeten op de volgende plaatsen zijn aangebracht.

Wanneer er een nooduitgang is, moet deze in het middelste deel van het dak gelegen zijn.

Wanneer er twee nooduitgangen zijn, moeten deze ten minste 2 m van elkaar zijn verwijderd.

Wanneer er drie nooduitgangen zijn, moeten de eerste en de derde opening ten minste 4 m van elkaar zijn verwijderd terwij de onderlinge afstand tussen de nooduitgangen ten minste 750 mm moet bedragen.

4.2. Afmetingen.

Een nooduitgang in het dak moet een opening vrijgeven met een oppervlakte van ten minste 4.000 cm² waarin een rechthoek met zijden van 500 mm x 700 mm kan worden beschreven.

4.3. Overige eisen.

4.3.1. Ieder gebruikt merk en type nooduitgang moet door de Minister van Verkeerswezen of zijn gevolmachtigde worden goedgekeurd.

Voor wat betreft het Vlaams Gewest, worden de woorden “Minister van Verkeerswezen of zijn gevolmachtigde” vervangen door de woorden “bevoegde Vlaamse instantie”.

4.3.2. De nooduitgang in het dak moet worden vrijgegeven door een luik dat naar buiten, wordt uitgeworpen of evenwijdig met het dak verschuift.

4.3.3. Onder elke nooduitgang moet zich ten minste een deel van de rugleuning van een zitplaats of een gelijkwaardige ondersteuning bevinden ten behoeve van de reizigers om het voertuig via de nooduitgang te kunnen verlaten. Rondom de nooduitgangen in het dak moet voldoende ruimte aanwezig zijn om staande op het dak het luik te kunnen openen.

4.3.4. De nooduitgangen in het dak moeten op een snelle en eenvoudige manier te openen zijn zowel van binnenin als van buitenuit. Ze moeten ook wanneer ze zijn afgesloten van binnenin te openen zijn met de normale daarvoor bestemde organen. De krachten die hiertoe moeten uitgeoefend worden, mogen niet groter zijn dan 200 N.

4.3.5. Op of bij de nooduitgangen in het dak moeten zowel aan de binnen- als aan de buitenzijde van het voertuig duidelijk afstekend op de achtergrond de volgende opschriften zijn aangebracht:

4.3.5.1. hetzij "nooduitgang" in letters van ten minste 15 x 10 x 3 mm (hoogte x breedte x dikte), hetzij een van de pictogrammen waarvan het model in bijlage 11 van het algemeen reglement voor de arbeidsbescherming is vastgesteld;

4.3.5.2. een beknopte doch duidelijke aawijzing hoe het luik moet worden bediend. Dit opschrift moet zijn aangebracht in letters van ten minste 10 x 8 x 2 mm (hoogte x breedte x dikte).

5. Toegang tot de nooddeuren.

Vanaf de gang moet er een vrije doorgang naar de nooddeur zijn waarvan de doorsnede loodrecht op de richting van de doorgang ten minste de vorm en de afmetingen heeft van één van de twee figuren van bijlage 12. Doorsneden die tussen deze figuren liggen, zijn eveneens toe gestaan.

In het denkbeeldig verticaal vlak van de deuropening mag de hoogte van de doorsnede verminderd worden met 15 mm. De doorgang moet dan met de deuropening samenvallen.

De richting van de doorgang moet overeenstemmen met de normale richting die een persoon die zich naar deeuropening begeeft, neemt.

Zitbanken of delen van zitbanken die deze vrije doorgang belemmeren, moeten van een inrichting voorzien zijn die toelaat op een eenvoudige en gemakkelijke wijze, deze doorgang vrij te maken. Na bediening ervan moeten deze delen automatisch de minimum doorgang vrijgeven.

Klapbare, draaibare of verschuifbare deien zoals deuren. Iuiken of andere delen, die in gebruiksstand de vrije doorgang belemmeren zijn niet toegestaan, tenzij deze delen van een, inrichting zijn voorzien die de doorgang automatisch vrijgeeft.

6. Uitgang slaapcabine chauffeur.

De chauffeur moet zonder hulp van buitenuit in staat zijn zijn slaapcabine te verlaten langs twee uitgangen waarvan ten minste één rechtstreeks naar buiten uitgeeft.

Een eventuele uitgang naar het reizigerscompartiment mag zich niet in de vloer van dit laatste bevinden; de vereiste uitgang naar buiten moet ten minste de afmetingen 400 mm x 550 mm hebben. De overige uitgangen hebben de minimum afmetingen van 400 mm x 500 mm.