15 MAART 1968. - Koninklijk besluit houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de auto's, hun aanhangwagens en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen.
[BS 28.03.1968]

Hoofdstuk VII: Inrichting

Artikel 65. Staanplaatsen voor reizigers

§1. Staanplaatsen voor reizigers mogen slechts worden voorzien in voor autobusdiensten of hiermede gelijkgestelde kosteloze vervoerdiensten gebezigde auto's, met dien verstande dat ten minste één reiziger op drie over een zitplaats moet beschikken.

§2. Een maximum van 7 personen per m² nuttige oppervlakte wordt toegestaan. In de staanplaatsruimte moet de vrije hoogte overal ten minste 190 cm bedragen.

Voor het bepalen van de staanplaatsruimte moet voor de banken die eventueel die ruimte begrenzen een breedte van 30 cm, en voor de wanden tegen dewelke klapstoelen zijn aangebracht een breedte van 10 cm worden afgerekend. Op de treden en in de gangen waarvan de breedte minder dan 40 cm bedraagt mogen geen staanplaatsen zijn voorzien. Voldoende handgrepen, standen of andere steunen moeten binnen het bereik van de reizigers op de staanplaatsen aanwezig zijn.

§3. Wanneer in het toegelaten maximumaantal plaatsen staanplaatsen in de onmiddellijke omgeving van de bestuurder zijn begrepen, moet deze laatste door een stevige inrichting doelmatig zijn beschut tegen ieder dringen of stoten van de reizigers op de staanplaatsen.

De staanplaatsruimte mag zich niet uitstrekken tot voor de voorzijde van de rugleuning van de bestuurderszitplaats in haar meest achteruitgeschoven stand. Deze begrenzing moet op de vloer duidelijk zijn aangeduid door een streep van afstekende, contrasterende kleur met een breedte van ten minste 6 cm. Vooraan in de autobus, boven de voorruit, naast de bestuurderszitplaats, moet het opschrift "Voor de streep geen staanplaatsen" zijn aangebracht.