15 MAART 1968. - Koninklijk besluit houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de auto's, hun aanhangwagens en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen.
[BS 28.03.1968]

Hoofdstuk VII: Inrichting

Artikel 69. Waarschuwingstoestellen voor de reizigers

§1. De auto's die worden gebruikt voor het bezoldigd vervoer van personen of voor hiermede gelijkgesteld gratis vervoer moeten voorzien zijn van een bij de bestuurder aangebracht elektrisch alarmsignaal. De bedieningsorganen hiervan moeten oordeelkundig in de reizigersruimte zijn geplaatst.

Deze voorschriften gelden niet voor personenauto's, auto's voor dubbel gebruik en voertuigen waarvan de maximale toegelaten massa niet meer dan 2.500 kg bedraagt, voor zover de bestuurder niet door middel van een schot volledig van de reizigers is afgescheiden.

§2. De autobussen die worden gebezigd voor een openbare autobusdienst moeten bovendien zijn voorzien van een bij de bestuurder aangebrachte optische verklikker en van een geluidssignaal waarmede het mogelijk is de halte aan te vragen. De elektrische bedieningsorganen, alsmede één of verschillende lichtsignalen welke duidelijk aangeven dat de halte werd aangevraagd, moeten oordeelkundig in de reizigersruimte zijn geplaatst. Het geluidssignaal moet zodanig zijn, dat de werking ervan wordt onderbroken zodra de halte werd aangevraagd. De optische verklikker en de lichtsignalen moeten automatisch in werking worden gesteld en moeten uitgaan met het openen van de deuren.

§3. De in §§ 1 en 2 voorgeschreven inrichtingen moeten zodanig zijn uitgevoerd dat verwarring uitgesloten is.