15 MAART 1968. - Koninklijk besluit houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de auto's, hun aanhangwagens en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen.
[BS 28.03.1968]

Hoofdstuk VII: Inrichting

Artikel 68bis. Constructiekenmerken van de reizigersruimte van autobussen en autocars met het oog op de voorkoming van brandgevaar

In de autobussen en autocars voor het eerst in dienst gesteld vanaf juni 1987 dient de reizigersruimte aan de volgende voorwaarden te voldoen:

1. De reizigersruimte moet van de motorruimte, van de ruimte waarin zich de brandstoftank bevindt en van de zones waarvan een groot brandgevaar kan uitgaan, gescheiden zijn door wanden en vloeren die geen brandstof kunnen doorlaten en die zodanig uitgevoerd zijn dat voldoende weerstand tegen branddoorslag wordt geboden. Leidingen, verwarmings- en luchtkanalen die in deze ruimte uitmonden, moeten zodanig zijn opgevat en uitgevoerd dat vlammen niet rechtstreeks in deze ruimte kunnen binnendringen. Doorvoeringen door wanden en vloeren, die brandwerend moeten zijn, moeten dienovereenkomstig zijn geconstrueerd.

2. Alle gebruikte materialen in deze ruimte moeten aan de volgende voorwaarden voldoen:

2.1. De vlamuitbreidingssnelheid van bedoelde materialen getest overeenkomstig de methode genoemd in de normen ISO 3795 of DIN 75200 of FMVSS 302 of FMVSS 302 of UTAC ST 18-502 of NEN 3883, mag niet meer bedragen dan 11 cm/min.

2.2. De volgende delen zijn niet aan bovenvermelde vereisten onderworpen:

2.2.1. de onderdelen van zitbanken die niet uit metaal zijn vervaardigd en waarvan de massa minder dan 201 g is. De totale massa van deze onderdelen mag in dit geval niet meer dan 400 g per zitplaats bedragen.

2.2.2. de delen waarvan respectievelijk de oppervlakte of het volume de hieronder vermelde waarden niet overschrijden:

  • 100 cm² of 40 cm³ voor de delen die als toebehoren bij elke zetel zijn aangebracht;
  • 300 cm² of 120 cm³ voor de delen. die verdeeld in de autobus en de autocar per rij zetels ten hoogste per strekkende meter van de binnenruimte zijn aangebracht en die niet een toebehoren zijn van een individuele zetel.

3. Het Nationaal Instituut voor de Extractie Bedrijven, rue du Chera 200, 4000 Liège wordt belast met de controle van de voorschriften opgenomen in punt 2.