1 DECEMBER 1975. - Koninklijk besluit houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg.
[BS 09.12.1975]

Titel II: Regels voor het gebruik van de openbare weg

Artikel 8. De bestuurders

8.1. Elk voertuig of elke sleep in beweging moet een bestuurder hebben.

Dit geldt ook voor de trek-, last- of rijdieren en het vee, afzonderlijk of in kudde.

8.2. Onverminderd de bij het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs voorgeschreven leeftijden voor de afgifte van de rijbewijzen is de vereiste minimumleeftijd vastgesteld op :  

21 jaar voor de bestuurders van autobussen, trolleybussen en autocars, alsook voor de bestuurders van andere auto's dienend voor bezoldigd vervoer van personen. 

Deze leeftijd wordt evenwel teruggebracht op:

a) 17 jaar voor de bestuurders die de opleiding "bestuurders van autobussen en autocars" volgen in de derde graad van het secundaire beroepsonderwijs;

b) 18 jaar voor de bestuurders van voertuigen van de categorieën D en D+E bestemd voor geregeld vervoer, bedoeld in artikel 2, 17° van het koninklijk besluit van 4 mei 2007 betreffende het rijbewijs, de vakbekwaamheid en de nascholing van bestuurders van voertuigen van de categorieën C1, C1+E, C, C+E, D1, D1+E, D, D+E, waarvan het traject ten hoogste 50 kilometer bedraagt en voor de bestuurders van voertuigen van de categorieën D1 en D1+E, die houder zijn van, en tevens bij zich hebben, een bewijs van vakbekwaamheid D, bedoeld in dit besluit;

c) 18 jaar voor de bestuurders die de scholing volgen en die het praktische examen afleggen voor het behalen van een rijbewijs geldig voor de categorie D1, D1+E, D of D+E, overeenkomstig de bepalingen van het koninklijk besluit van 23/03/1998 betreffende het rijbewijs en voor de houders van een voorlopig rijbewijs vakbekwaamheid geldig voor de categorie D of D+E of de subcategorie D1 of D1+E, bedoeld in het koninklijk besluit van 4 mei 2007 betreffende het rijbewijs, de vakbekwaamheid en de nascholing van bestuurders van voertuigen van de categorieën C, C+E, D, D+E en de subcategorieën C1, C1+E, D1, D1+E;

d) 20 jaar voor de bestuurders van voertuigen van de categorieën D en D+E voor personenvervoer, die houder zijn van, en tevens bij zich hebben, een bewijs van vakbekwaamheid D zoals bedoeld in het koninklijk besluit van 4 mei 2007 betreffende het rijbewijs, de vakbekwaamheid en de nascholing van bestuurders van voertuigen van de categorieën C, C+E, D, D+E en de subcategorieën C1, C1+E, D1, D1+E;

21 jaar voor de bestuurders van andere auto's en slepen, wanneer de maximale toegelaten massa meer dan 7,5 ton bedraagt.

Die leeftijd wordt echter teruggebracht op :

a) 17 jaar voor de bestuurders die de opleiding "bestuurders van vrachtwagens" volgen in de derde graad van het secundaire beroepsonderwijs;

b) 18 jaar voor de bestuurders van voertuigen van de categorieën C en C+E, houders en dragers van een bewijs van vakbekwaamheid C bedoeld in het koninklijk besluit van 4 mei 2007 betreffende het rijbewijs, de vakbekwaamheid en de nascholing van bestuurders van voertuigen van de categorieën C, C+E, D, D+E en de subcategorieën C1, C1+E, D1, D1+E, alsook voor de bestuurders die zich onderwerpen aan de scholing en zich aanbieden voor het praktisch examen met het oog op het behalen van een rijbewijs geldig voor de categorieën C of C+E overeenkomstig de bepalingen van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs of die houder zijn van een voorlopig rijbewijs vakbekwaamheid geldig voor de categorie C of C+E, bedoeld in voormeld koninklijk besluit van 4 mei 2007;

c) 18 jaar voor de bestuurders van de voertuigen van de categorie G, zoals omschreven in het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs, waarvan de maximaal toegelaten massa meer dan 20 ton bedraagt;

d) 16 jaar voor de bestuurders van de voertuigen van de categorie G, zoals omschreven in het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs, met een maximale toegelaten massa van ten hoogste 20 ton en voor de bestuurders van voertuigen van de categorie G die een opleiding volgen en zich aanbieden voor het praktisch examen voor het bekomen van een rijbewijs geldig voor de categorie G, overeenkomstig de bepalingen van dit besluit;

18 jaar voor de bestuurders van andere motorvoertuigen.

Deze leeftijd wordt eveneens vastgesteld op:

a) 16 jaar voor de bestuurders van bromfietsen voor zover het voertuig geen andere persoon dan de bestuurder, een instructeur van een erkende rijschool of een examinator vervoert en voor de bestuurders van voertuigen van de categorie A1 bedoeld in het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs;

b) 17 jaar voor de bestuurders die praktisch rijonderricht volgen met het oog op het behalen van een rijbewijs categorie B of die rijden met een voorlopig rijbewijs categorie B zoals voorzien in artikel 3 van het koninklijk besluit van 10 juli 2006 betreffende het rijbewijs voor voertuigen categorie B;

c) 17 jaar voor de bestuurder die de opleiding "bestuurders van vrachtwagens" of "bestuurders van autobussen en autocars" volgen in de derde graad van het secundaire beroepsonderwijs;

d) 20 jaar voor de bestuurders van motorfietsen van de categorie A bedoeld in het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs;

e) 21 jaar voor de bestuurders van driewielers van de categorie A bedoeld in het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs, behalve voor de houders van een rijbewijs geldig voor de categorie B, afgegeven vóór 1 mei 2013;

16 jaar voor de bestuurders van bespannen voertuigen.

14 jaar voor de bestuurders van niet ingespannen trekdieren, van last- of rijdieren of van vee.

Die leeftijd wordt echter teruggebracht op 12 jaar voor de bestuurders van rijdieren, op voorwaarde dat zij begeleid worden door een ruiter die ten minste 21 jaar oud is.

16 jaar voor de bestuurders van gemotoriseerde rijwielen.

8.3. Elke bestuurder moet in staat zijn te sturen, en de vereiste lichaamsgeschiktheid en de nodige kennis en rijvaardigheid bezitten.

Hij moet steeds in staat zijn alle nodige rijbewegingen uit te voeren en voortdurend zijn voertuig of zijn dieren goed in de hand hebben.

8.4. Behalve wanneer zijn voertuig stilstaat of geparkeerd is, mag de bestuurder geen gebruik maken van een draagbare telefoon die hij in de hand houdt.

8.5. De bestuurder mag het voertuig dat hij bestuurt of de dieren die hij geleidt of bewaakt niet verlaten zonder de nodige voorzorgen te hebben genomen om enig ongeval of enig misbruik door derden te voorkomen.

Als het voertuig voorzien is van een inrichting ter voorkoming van diefstal, moet deze gebruikt worden.

8.6. Het is iedere bestuurder verboden de motor in vrijloopstand herhaaldelijk te versnellen.

De bestuurders mogen daarenboven de motor niet laten draaien in vrijloopstand, behalve ingeval van noodzaak.