1 DECEMBER 1975. - Koninklijk besluit houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg.
[BS 09.12.1975]

Titel II: Regels voor het gebruik van de openbare weg

Artikel 30. Gebruik van de lichten : voertuigen en weggebruikers die de openbare weg volgen

Tussen het vallen van de avond en het aanbreken van de dag en in alle omstandigheden wanneer het niet meer mogelijk is duidelijk te zien tot op een afstand van ongeveer 200 meter, worden de hierna vermelde lichten gebruikt :

30.1. Motorvoertuigen :

Vooraan, de dimlichten of de grootlichten, die gelijktijdig mogen gebruikt worden.

De grootlichten moeten echter gedoofd en door de dimlichten vervangen worden :

a) bij het naderen van een tegemoetkomende weggebruiker, op de nodige afstand opdat deze laatste zijn weg gemakkelijk en zonder gevaar zou kunnen voortzetten, en in ieder geval zodra een bestuurder zijn grootlichten achtereenvolgens snel ontsteekt en dooft om te kennen te geven dat hij verblind wordt;

b) bij het naderen van een spoorvoertuig of een boot waarvan de bestuurder of de stuurman door de grootlichten zou kunnen verblind worden;

c) wanneer het voertuig een ander voertuig op minder dan 50 meter afstand volgt, behalve wanneer het inhaalt;

d) wanneer de rijbaan onafgebroken en voldoende verlicht is zodat de bestuurder in staat is tot op ongeveer 100 meter duidelijk te zien.

De voormistlichten mogen slechts gebruikt worden bij mist, sneeuwval of felle regen. Zij mogen de dimlichten of de grootlichten vervangen, of gelijktijdig met deze lichten branden.

Achteraan, de rode lichten. Bovendien, wanneer het voertuig voorzien is van achtermistlichten, moeten deze lichten gebruikt worden bij mist of sneeuwval die de zichtbaarheid verminderen tot minder dan 100 m alsook bij felle regen. Deze lichten mogen in geen andere omstandigheden gebruikt worden.

30.2. [ ... ] opgeheven (art. 11.1°, KB 13-02-2007, BS 23-02-2007)

30.3. Andere voertuigen, weggebruikers en dieren hierna vermeld :

bereden rijwielen :

  • vooraan, een wit of geel licht;
  • achteraan, een rood licht.

aanhangwagens, voor zover zij met die lichten moeten uitgerust zijn :

  • vooraan, twee witte lichten;
  • achteraan, de rode lichten.

Bovendien, wanneer het voertuig voorzien is van achtermistlichten, moeten deze lichten gebruikt worden bij mist of sneeuwval die de zichtbaarheid verminderen tot minder dan ongeveer 100 m alsook bij felle regen. Deze lichten mogen in geen andere omstandigheden gebruikt worden.

gespannen, handkarren, niet-ingespannen trekdieren, last- of rijdieren en vee :

  • vooraan, een wit of geel licht;
  • achteraan, een rood licht.

Die lichten mogen in één enkel toestel verenigd zijn, dat links geplaatst of gedragen wordt, behalve in de volgende gevallen:

a) indien het gespan een ander voertuig trekt;
b) indien het vee een kudde van zes stuks of meer vormt;

alle andere voertuigen wanneer zij de rijbaan volgen : het onder 3° hierboven voorziene wit of geel licht en rood licht.

Deze bepaling geldt evenwel niet wanneer die voertuigen slechts op de rijbaan rijden om over te steken.

afdelingen van militaire kolonnes bestaande uit een op mars zijnde troep, stoeten, groepen in rijen vergezeld van een leider, wanneer zij de rijbaan volgen :

  • vooraan links, een wit of geel licht;
  • achteraan links, een rood licht.

Een licht van dezelfde kleur mag rechts gedragen worden. De flanken van die formaties moeten, indien zulks wegens hun lengte vereist is, door één of meer witte of gele lichten worden gesignaleerd, die in alle richtingen moeten zichtbaar zijn.

De gebruikers van voortbewegingstoestellen die rijden op de andere delen van de openbare weg dan degene die voorbehouden zijn voor het verkeer van voetgangers :

  • vooraan, een wit of geel licht;
  • achteraan, een rood licht.

Die lichten mogen in één enkel toestel verenigd zijn, dat links geplaatst of gedragen wordt.

Indien de gebruikers van voortbewegingstoestellen links op de rijbaan rijden moeten de positie en de plaats van de lichten omgekeerd worden.

voertuigen die uitsluitend bestemd zijn voor folkloristische manifestaties en slechts bij uitzondering op de openbare weg komen ofwel ter gelegenheid van een door de gemeente toegelaten folkloristische manifestatie, of op de weg er naartoe ofwel voor proefritten met het oog op die manifestatie, en voor zover zij niet meer dan 25 km per uur rijden :

  • vooraan, een wit of geel licht;
  • achteraan een rood licht;
  • de omtreklichten bedoeld in artikel 30.4 indien het voertuig meer dan 2,5 meter breed is.

Deze bepaling geldt evenwel niet binnen het door de gemeente afgebakende traject van de manifestatie.

30.4. Voertuigen die meer dan 2,50 meter breed zijn :

buiten de lichten voorgeschreven in artikel 30.1. of 30.3. omtreklichten.

Deze lichten worden vooraan, achteraan, aan weerszijden en, in voorkomend geval, aan de uiterste zijdelingse uitstekken van het voertuig geplaatst.

De lichten die vooraan zichtbaar zijn moeten wit zijn, die welke achteraan zichtbaar zijn, rood.

30.5. [ ... ] opgeheven (art. 11.3°, KB 13-02-2007, BS 23-02-2007)