7 MEI 1999. - Ministerieel besluit betreffende de parkeerkaart voor mensen met een handicap.
[B.S. 21.05.1999]

    Artikel 1

    De kaart bedoeld in artikel 27.4.3. van het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer, kan uitgereikt worden aan :

    a. de personen die door een blijvende invaliditeit van ten minste 80 % getroffen zijn;

    b. de personen die getroffen zijn door een blijvende invaliditeit die rechtstreeks toe te schrijven is aan de onderste ledematen en ten minste 50 % bedraagt;

    c. de personen die volledig verlamd zijn aan de bovenste ledematen of bij wie deze geamputeerd zijn;

    d. de personen wier gezondheidstoestand aanleiding geeft tot een vermindering van de graad van zelfredzaamheid met ten minste 12 punten, bepaald overeenkomstig de handleiding en de schaal die van toepassing zijn in het kader van de wetgeving betreffende de tegemoetkomingen aan Personen met een handicap;

    e. de personen wier gezondheidstoestand aanleiding geeft tot een vermindering van zijn verplaatsingsmogelijkheden met ten minste twee punten, bepaald overeenkomstig de handleiding en de schaal die van toepassing zijn in het kader van de wetgeving betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap;

    f. de kinderen die beantwoorden aan het criterium van ten minste twee punten voor de categorie « Mobiliteit en verplaatsing », pijler 2.3 van de medico-sociale schaal in bijlage 1 van het koninklijk besluit van 28 maart 2003 tot uitvoering van de artikelen 47, 56septies en 63 van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders en van artikel 88 van de progammawet(I) van 24 december 2002;

    g. de kinderen die beantwoorden aan het criterium van ten minste 2 punten in de categorie « Verplaatsing » overeenkomstig de handleiding voor de evaluatie van de zelfredzaamheid gevoegd als bijlage bij het koninklijk besluit van 3 mei 1991 tot uitvoering van de artikelen 47, 56septies, 62, § 3 en 63 van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders en van artikel 96 van de wet van 29 december 1990 houdende sociale bepalingen;

    h. de burgerlijke en oorlogsinvaliden met minstens 50 % oorlogsinvaliditeit.

    De kaart stemt overeen met het model van bijlage I.

    Artikel 2

    De kaart wordt aangevraagd bij de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid, Directie-generaal Personen met een Handicap.

    Het aanvraagformulier wordt bepaald door de Directie-generaal Personen met een Handicap. Het omvat minstens de naam, de voornaam, de geboortedatum, het rijksregisternummer en de handtekening van belanghebbende en moet vergezeld zijn van een recente foto van belanghebbende, tenzij deze foto beschikbaar is in het Register van de identiteitskaarten of in het Register van de Vreemdelingenkaarten, bedoeld in de wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters, de identiteitskaarten, de vreemdelingenkaarten en de verblijfsdocumenten en tot wijziging van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen. In dat laatste geval wordt de foto door de Directie-generaal opgevraagd bij het betreffende Register.

    Artikel 3

    Bij de aan de Bestuursdirectie van de Uitkeringen aan Personen met een Handicap gerichte aanvraag moet een attest gevoegd worden uitgaande van een gerechtelijke of administratieve overheid waarop vermeld staat dat de aanvrager behoort tot één van de in artikel 1, 1°, vermelde groepen van personen.

    Indien de aanvrager niet beschikt over een in het eerste lid bedoeld attest of indien uit zijn medisch dossier bij de Bestuursdirectie van de Uitkeringen aan Personen met een Handicap niet blijkt dat hij behoort tot één van de groepen van personen bedoeld in artikel 1, 1°, dan kan hij enkel een parkeerkaart krijgen indien uit een medisch onderzoek, uitgevoerd door een geneesheer van de Bestuursdirectie van de Uitkeringen aan Personen met een Handicap, blijkt dat hij behoort tot één van de in artikel 1, 1°, b) tot g) bedoelde groepen van personen.

    Artikel 4

    De aanvrager moet, op verzoek van de Bestuursdirectie van de Uitkeringen aan Personen met een Handicap dat bevoegd is om de kaart toe te kennen, alle inlichtingen verschaffen die nodig zijn voor de toekenning van de kaart.

    Artikel 5

    De kaart is strikt persoonlijk; zij mag enkel gebruikt worden wanneer de titularis vervoerd wordt in het voertuig dat geparkeerd wordt of wanneer hij zelf dat voertuig bestuurt.

    In geval van misbruik kan de kaart door een bevoegde agent ingehouden worden, die de kaart terugstuurt naar het Bestuursdirectie van de Uitkeringen aan Personen met een Handicap. In dat geval kan deze Bestuursdirectie beslissen om geen nieuwe kaart aan de betrokkene af te leveren tijdens de 6 maanden die volgen op de datum waarop de kaart werd ingetrokken.

    Indien het motief dat het gebruik ervan rechtvaardigt, wegvalt, moet de kaart, desgevallend op vraag van de Bestuursdirectie van de Uitkeringen aan Personen met een Handicap, door de titularis teruggezonden worden aan deze Bestuursdirectie.

    In geval van overlijden van de titularis moet de kaart binnen een termijn van dertig dagen volgend op het overlijden, door de nabestaanden van de titularis terugbezorgd worden via het gemeentebestuur van de woonplaats van de overledene. Gebeurt dit niet, dan kan de kaart door een bevoegd agent ingehouden worden.

    Artikel 6

    De titularis van de kaart kan een duplicaat ervan bekomen wanneer zij verloren, gestolen, vernietigd, beschadigd of onleesbaar is.

    Dit duplicaat moet aangevraagd worden bij het Bestuursdirectie van de Uitkeringen aan Personen met een Handicap. De beschadigde of onleesbare kaart moet ten laatste bij de aflevering van de nieuwe kaart teruggestuurd worden. Indien de kaart gestolen is, moet een verklaring opgesteld door een bevoegde overheid hierover bij de aanvraag om hernieuwing gevoegd worden.

    Artikel 7

    De kaart die na 30 september 2005 wordt afgeleverd, is van onbepaalde duur, behalve indien de medische erkenning, waarop de aflevering steunt, beperkt is in de tijd. In dit geval stemt de geldigheidsduur van de kaart overeen met de periode gedekt door de medische erkenning.

    Artikel 8

    §1. Het ministerieel besluit van 29 juli 1991 waarbij de personen worden aangewezen die de speciale parkeerkaart voor personen met een handicap kunnen bekomen alsook de ministeries die bevoegd zijn om deze kaart uit te reiken en waarbij het model ervan alsmede de modaliteiten van afgifte, intrekking en gebruik worden bepaald, gewijzigd bij het ministerieel besluit van 5 april 1996, wordt opgeheven.

    §2. Nochtans blijven de speciale parkeerkaarten die overeenkomstig het ministerieel besluit van 29 juli 1991 uitgereikt werden, geldig tot hun vervaldatum.

    §3. De speciale parkeerkaarten die uitgereikt werden overeenkomstig het ministerieel besluit van 12 juli 1973 waarbij de personen die de speciale kaart kunnen bekomen die toelaat voor onbeperkte duur te parkeren, en de ministeries en het organisme die bevoegd zijn om deze kaart af te leveren worden aangeduid en waarbij het model ervan alsmede de modaliteiten van afgifte, van intrekking en van gebruik worden bepaald, gewijzigd bij het ministerieel besluit van 1 december 1975, blijven geldig tot 31 juli 2001. Zij kunnen weliswaar niet in aanmerking komen voor de afgifte van een duplicaat.

    Artikel 9

    Dit besluit treedt in werking op 1 januari 2000.

     


    Bijlage 1

    Voorzijde

    Keerzijde

    De kleur van de kaart is lichtblauw, met uitzondering van het symbool van de rolstoel dat op een brede donkerblauwe achtergrond is aangebracht.