11 OKTOBER 1976. - Ministerieel besluit houdende de minimum afmetingen en de bijzondere plaatsingsvoorwaarden van de verkeerstekens.
[B.S. 14.10.1976]

Hoofdstuk I. Verkeerslichten

Artikel 3. Driekleurige verkeerslichten

3.1. Algemeenheden.

3.1.1. De overgang van het oranjegeel knipperlicht dat alleen brandt, naar de fasen van de driekleurige verkeerslichten gebeurt over een bijzondere fase die bestaat uit :

ofwel het aangaan van de oranjegele lichten en vervolgens van de rode lichten en al de richtingen;
ofwel het aangaan van de rode lichten in één richting en van de rode lichten in al de richtingen;

3.1.2. De driekleurige lichtinstallaties moeten voorzien zijn van veiligheidsinrichtingen die de werking van de driekleurige lichten in alle richtingen onderbreken, zodra, ingevolge een ontregeling, twee verkeersstromen elkaar kunnen snijden of zodra als gevolg van een defekt een reglementair rood licht niet meer brandt wanneer het zou moeten branden.

3.2. Driekleurig stelsel met lichten (artikel 61.1.1°, 2° en 3° van het algemeen reglement op de politie van het wegverkeer).

Het lichtdoorlatend gedeelte van de lichten heeft de vorm van een cirkel met een diameter van ten minste 0,18 m. Het lichtdoorlatend gedeelte van de herhalingslichten aangebracht zoals voorzien in artikel 61.4.3. van het algemeen reglement op de politie van het wegverkeer, heeft een diameter van maximum 0,10 m.

Het oranjegele licht dat volgt op het groene, moet gedurende ongeveer 3 tot 5 seconden blijven branden. Op elk kruispunt waar het zou kunnen dat de ontruiming niet is beëindigd wanneer het oranjegeel licht uitgaat, kan het aangaan van de groene lichten die bestemd zijn voor de bestuurders die het kruispunt wensen op te rijden, vertraagd worden met enkele seconden.

Wanneer deze lichten worden gebruikt om de toerit tot een autosnelweg te doseren, mag de tijd gedurende dewelke het oranjegele licht brandt, teruggebracht worden op een tot twee seconden.

3.2.bis. Wanneer verkeerslichten worden aangebracht conform artikel 61.3.2., tweede lid, van het algemeen reglement op de politie van het wegverkeer, mogen oversteekplaatsen voor voetgangers slechts gemarkeerd worden wanneer de intensiteit van het voetgangersverkeer dit rechtvaardigen.

In dit geval moeten de voetgangerslichten worden geplaatst om het verkeer op de oversteekplaats voor voetgangers te regelen

3.3. Driekleurig stelsel met pijlen (artikel 61.1.4° en 5° van het algemeen reglement op de politie van het wegverkeer)

De pijlen boven de rijstroken komen voor op een matte zwarte cirkelvormige oppervlakte met een diameter van tenminste 0,25 m.

De pijlen komen voor op een matte zwarte cirkelvormige oppervlakte met een diameter van ten minste 0,18 m.

De pijlen met één punt stemmen overeen met plaat 1 van bijlage 1 tot dit besluit.

De pijlen van dezelfde kleur, die gelijktijdig aan- en uitgaan, mogen in één licht gegroepeerd worden, zoals aangeduid op plaat 2 van bijlage 1 tot dit besluit, uitgezonderd indien die groepering de bestuurders kan misleiden.

De pijlen mogen derwijze gericht worden dat zij beter de richting aangeven waarop zij betrekking hebben.

3.3.1. Pijlen die de lichten van het driekleurig stelsel vervangen (artikel 61.1.4° van het algemeen reglement op de politie van het wegverkeer).

Het gebruik van dit stelsel wordt voorbehouden voor bijzondere gevallen. Hiertoe kan worden overgegaan wanneer de andere driekleurige stelsels niet toelaten het verkeer de gewenste vlotheid te verzekeren of in voldoende veilige omstandigheden te regelen.

De tijd gedurende dewelke de lichten branden, zoals beschreven onder 3.2., geldt ook voor de pijlen die de lichten vervangen.

Het is verboden, voor de regeling van het verkeer bij dezelfde toegang van een kruispunt, het stelsel met pijlen die de lichten van het driekleurig stelsel vervangen, te combineren met een ander stelsel van verkeerslichten, behalve voor de regeling van het linksafslaand verkeer.

3.3.2. Bijkomende groene pijlen bij de lichten van het driekleurig stelsel (artikel 61.1.5° van het algemeen reglement op de politie van het wegverkeer).

Op één of meer groene pijlen die tegelijk met een rood licht branden, mag alleen een groen licht volgen.

Indien meerdere pijlen met één punt op dezelfde steun worden aangebracht, worden zij, van boven naar onder, als volgt geschikt : naar boven gerichte groene pijl, naar links gerichte groene pijl, naar rechts gerichte groene pijl. De naar links gerichte groene pijl mag evenwel links van het groene licht en de naar rechts gerichte groene pijl rechts van het groene licht worden geplaatst.

Behalve wanneer de bijzondere plaatsgesteldheid het niet toelaat, mogen de bijkomende groene pijlen slechts gebruikt worden wanneer een rijstrook voorbehouden is, door voorsorteringspijlen, voor de bestuurders die de richting aangeduid door de groene pijl, willen volgen.

3.4 Lichten bestemd voor fietsers en bestuurders van tweewielige bromfietsen (artikel 61.1.6° van het algemeen reglement op de politie van het wegverkeer).

De op deze lichten afgebeelde silhouet van een fiets komt voor op een matte zwarte cirkelvormige oppervlakte met een diameter van 0,18 m tot 0,21 m overeenkomstig de plaat 3 van bijlage 1 tot dit besluit. Wanneer deze lichten worden aangebracht op ooghoogte van de bestuurder mag de cirkelvormige oppervlakte een diameter hebben van 0,10 m tot 0,12 m.

Deze lichten mogen slechts geplaatst worden waar een fietspad met het verkeersbord D7 of D9 is, of waar een weg voorbehouden is voor voetgangers, fietsers en ruiters door de verkeerstekens F99 tot F101b.

F99a     F99b       F101a    F101b

D7      D9

Het vaste oranjegele licht moet gedurende ongeveer drie seconden branden. Het erop volgend rode licht moet aangaan enkele ogenblikken voordat het groen licht voor de andere weggebruikers aangaat.

Dit verschil in tijd heeft tot doel de fietsers en bestuurders van tweewielige bromfietsen in staat te stellen het oversteken van de rijbaan te beëindigen; het wordt vastgesteld op basis van een maximumfietssnelheid van 5 m/s te berekenen vanaf het doven van het groen licht.