11 OKTOBER 1976. - Ministerieel besluit houdende de minimum afmetingen en de bijzondere plaatsingsvoorwaarden van de verkeerstekens.
[B.S. 14.10.1976]

Hoofdstuk II. Verkeersborden

Artikel 7. Gevaarsborden

Wanneer een gevaarsbord met uitzondering van de verkeersborden A45 en A47 niet geplaatst is op een afstand van ongeveer 150 m van de gevaarlijke plaats, moet een onderbord van het type Ia van bijlage 2 tot dit besluit onder dit bord aangebracht worden.

A45    A47     Type Ia

7.1. Verkeersbord A1. Gevaarlijke bocht.

A1a     A1b     A1c     A1d

Het symbool wordt gekozen volgens de plaatsgesteldheid.

Mogen slechts gesignaleerd worden de bochten die onverwacht opduiken of de bochten die met een gevoelige snelheidsvermindering moeten genomen worden.

De plaatsingsafstand van dit verkeersbord wordt gemeten vanaf het begin van de bocht.

In geval van opeenvolgende bochten, wordt dit verkeersbord slechts voor de eerste bocht geplaatst; een onderbord van het type II van bijlage 2 tot dit besluit vermeldt dan de lengte van het bochtig vak.

7.2. Verkeersborden A3 en A5. Gevaarlijke daling en steile helling.

 A3     A5

Mogen slechts gesignaleerd worden de rijbanen met een helling of daling van ten minste 7 pct.

7.3. Verkeersbord A7. Rijbaanversmalling.

 A7a    A7b    A7c

Het symbool wordt gekozen volgens de plaatsgesteldheid.

Mogen slechts gesignaleerd worden de rijbaanversmallingen van ten minste 1,00 m, die gevaarlijk zijn voor het verkeer.

Indien deze versmallingen de omvang van een rijstrook hebben, moeten zij gesignaleerd worden, behalve in de woonerven en de zones 30; een onderbord van het type IX van bijlage 2 bij dit besluit moet onder het verkeersbord aangebracht worden.

Er mag eveneens gebruik worden gemaakt van een verkeersbord F97 alleen geplaatst.

F97

7.4. Verkeersbord A13. Uitholling overdwars of ezelsrug.

Mogen slechts gesignaleerd worden de uithollingen overdwars of de ezelsruggen die met een gevoelige snelheidsvermindering moeten genomen worden.

7.4bis. Verkeersbord A14. Verhoogde inrichting op de openbare weg

Gesignaleerd moeten worden de verhoogde inrichtingen op de openbare weg, aangelegd overeenkomstig het koninklijk besluit van 9 oktober 1998 tot bepaling van de vereisten voor de aanleg van verhoogde inrichtingen op de openbare weg en van de technische voorschriften waaraan deze moeten voldoen.

Ingeval van opeenvolgende verhoogde inrichtingen op de openbare weg wordt dit verkeersbord slechts vóór de eerste verhoogde inrichting op de openbare weg geplaatst; een onderbord van het type II van bijlage 2 tot dit besluit vermeldt dan de lengte van de sectie waarop verhoogde inrichtingen op de openbare weg aangelegd zijn.

Type II

De verhoogde inrichtingen op de openbare weg, aangelegd binnen de zones afgebakend door de verkeersborden F4a en F4b, moeten evenwel niet gesignaleerd worden.

F4a     F4b

7.5. Verkeersbord A15. Glibberige rijbaan.

Door dit verkeersbord mogen alleen de plaatsen worden aangekondigd, waar de rijbaan in haar normale staat als glibberig bekend staat.

De plaatsen van een rijbaan die ingevolge bijzondere omstandigheden dikwijls glibberig worden in de loop van het jaar, mogen slechts worden aangekondigd door dit verkeersbord met een onderbord van het type III van bijlage 2 tot dit besluit bijvoorbeeld door " Bij nat wegdek ".

Type III

De plaatsen van een rijbaan waarop het enkel glad is door seizoengebonden omstandigheden, mogen slechts aangekondigd worden door wegneembare of plooibare borden, of door borden die alleen zichtbaar worden gemaakt wanneer gladheid zich daar dreigt voor te doen.

Het onderbord voorzien bij artikel 66.4. voor het verkeersbord A15 van het algemeen reglement op de politie van het wegverkeer, gebruikt voor sneeuwval of ijzel of een onderbord van het type III van bijlage 2 bij dit besluit, vult het verkeersbord aan (b.v. bladerval, bieten...).

7.6. Verkeersbord A21. Oversteekplaats voor voetgangers.

Moeten gesignaleerd worden de oversteekplaatsen voor voetgangers op rijbanen waar de maximum toegelaten snelheid hoger ligt dan 70 km/u.

Dit verkeersbord wordt niet geplaatst wanneer er een verkeersbord A23 is of een oversteekplaats voor voetgangers die beschermd wordt door driekleurige verkeerslichten.

7.7. Verkeersbord A23. Plaats waar speciaal veel kinderen komen.

Moet gesignaleerd worden de nadering van de scholen en van de speelpleinen waar speciaal veel kinderen komen.

7.8. Verkeersbord A25. Oversteekplaats voor fietsers en bestuurders van tweewielige bromfietsen of plaats waar die bestuurders van een fietspad op de rijbaan komen.

Moeten gesignaleerd worden :

  • de plaatsen buiten de kruispunten, waar de fietsers en de bestuurders van tweewielige bromfietsen verplicht zijn het fietspad te verlaten om de rijbaan op te rijden;
  • de oversteekplaatsen voor fietsers en bestuurders van tweewielige bromfietsen gelegen buiten de bebouwde kom en die niet bestemd zijn voor het oversteken van een kruispunt.

7.9. Verkeersbord A27. Doortocht van groot wild.

Mogen slechts gesignaleerd worden de rijbaanvakken waar regelmatig groot wild (herten, reebokken, everzwijnen) oversteekt.

7.10. Verkeersbord A33. Verkeerslichten.

Buiten de bebouwde kommen moeten gesignaleerd worden de driekleurige verkeerslichten die, wegens de plaatsgesteldheid, door de weggebruikers niet kunnen gezien worden vanop een afstand van ongeveer 150 m.

Wanneer die verkeerslichten kunnen gezien worden vanop een grotere afstand dan 150 m, mag het verkeersbord A33 slechts uitzonderlijk worden gebruikt.

7.11. Verkeersbord A37. Zijwind.

Moeten gesignaleerd worden de rijbaanvakken waarop dikwijls een sterke zijwind waait en waar een windzak voorzien is.

7.12. Verkeersbord A39. Verkeer toegelaten in beide richtingen na een gedeelte van de rijbaan met éénrichtingsverkeer.

Moet gesignaleerd worden elk rijbaanvak dat normaal bestemd is voor éénrichtingsverkeer wanneer die rijbaan er tijdelijk opengesteld is voor het verkeer in de twee richtingen; een onderbord van het type II van bijlage 2 tot dit besluit duidt de lengte van het vak aan.

7.13. Verkeersbord A51. Gevaar dat niet door een speciaal symbool wordt aangeduid.

Een onderbord van het type III van bijlage 2 tot dit besluit duidt de aard van het gevaar aan.

Dit verkeersbord wordt slechts geplaatst wanneer geen ander gevaarsbord kan gebruikt worden.