11 OKTOBER 1976. - Ministerieel besluit houdende de minimum afmetingen en de bijzondere plaatsingsvoorwaarden van de verkeerstekens.
[B.S. 14.10.1976]

Hoofdstuk II. Verkeersborden

Artikel 10. Gebodsborden

Geen enkel bijkomend opschrift mag de betekenis van de gebodsborden beperken.

Uitzonderlijk, en indien de plaatsgesteldheid het toelaat, mag evenwel van deze regel worden afgeweken ten gunste van de voertuigen van geregelde openbare diensten voor gemeenschappelijk vervoer. Deze afwijking is slechts toegelaten voor het verkeersbord D1.

  • Indien de plaatsgesteldheid het toelaat, mag eveneens van deze regel worden afgeweken ten gunste van de fietsers en eventueel de bestuurders van tweewielige bromfietsen klasse A.
    Deze afwijking is slechts toegelaten voor het verkeersbord D1.
    In dit geval wordt dit verkeersbord aangevuld met een onderbord van het model M.2. of M.3. bedoeld in artikel 65.2 van het algemeen reglement op de politie van het wegverkeer.

M.2.     M.3.

  • De betekenis van de gebodsborden kan worden aangevuld wanneer het fietspad moet of niet mag gevolgd worden door de bestuurders van tweewielige bromfietsen klasse B.
    In dit geval wordt het verkeersbord D7 aangevuld met een onderbord van het model M.6. of M.7. bedoeld in artikel 65.2 van het algemeen reglement op de politie van het wegverkeer.)

M.6.     M.7.

  • Indien het verkeersbord D1 of D3 ertoe strekt de toegang tot een busstrook of een bijzondere overrijdbare bedding te regelen, mag eveneens van deze regel worden afgeweken ten gunste van de categorieën van voertuigen die er respectievelijk zijn toegelaten.
    In dit geval wordt het verkeersbord D1 of D3 aangevuld met een onderbord van het model M2 of M3 bedoeld in artikel 65.2 van het algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg voor wat de fietsers en de bestuurders van bromfietsen klasse A betreft, en van het onderbord van het type IV van bijlage II van dit besluit voor wat de andere categorieën van voertuigen betreft.

10.1. Verkeersbord D1. Verplichting de door de pijl aangeduide richting te volgen.

De plaatsgesteldheid bepaalt de stand van de pijl.

Wanneer een verkeersbord D1 met een niet-gebogen pijl wordt geplaatst op een hindernis of op een inrichting bestemd om het verkeer te leiden, dan moet deze pijl onder een hoek van ongeveer 45° naar de grond worden gericht.

Het is verboden tegelijk verkeersborden D1 en C31 te plaatsen om eenzelfde reglementering op te leggen.

10.2. Verkeersbord D3. Verplichting één van de door de pijlen aangeduide richtingen te volgen.

De plaatsgesteldheid bepaalt de stand van de pijlen.

Het is verboden tegelijk verkeersborden D3 en C31 te plaatsen om eenzelfde reglementering op te leggen.

Wanneer alleen ten gunste van de fietsers en eventueel de bestuurders van tweewielige bromfietsen klasse A wordt afgeweken van de verplichting één van de door de pijlen aangeduide richtingen te volgen, moet het verkeersbord C31 gebruikt worden in plaats van het verkeersbord D3.

10.2/1 Verkeersbord D4. Verplichting voor de voertuigen die gevaarlijke goederen vervoeren om de door de pijl aangeduide richting te volgen.

Dit gebodsteken verplicht de voertuigen die gevaarlijke goederen vervoeren een reisweg te volgen, die aan hun bijzondere aard is aangepast.

De minimale afmetingen voor deze verkeersborden zijn 0,60 m × 0,90 m.

Een onderbord, zoals omschreven in bijlage 9 van onderhavig besluit met de vermelding van de letter B, C, D of E, wordt aangebracht onder het verkeersbord D4, wanneer de toegang tot tunnels van respectievelijk de categorie B, C, D of E verboden is.

10.3. Verkeersbord D5. Verplicht rondgaand verkeer.

Dit verkeersbord mag slechts geplaatst worden indien alle bestuurders die zich op het kruispunt begeven, de inrichting bestemd om het verkeer te leiden, aan hun linkerhand moeten laten. en voor zover de bestuurders van alle voertuigen er kunnen om heen rijden.

Het is verboden tegelijk verkeersborden D5 en C31, D1 of D3 te plaatsen om eenzelfde reglementering op te leggen.

C31

10.4. Verkeersbord D7. Verplicht fietspad.

Dit verkeersbord moet na elk kruispunt herhaald worden. Indien de plaatsgesteldheid het rechtvaardigt mag het evenwijdig met het fietspad geplaatst worden.

Het onderbord dat aan de bestuurders van tweewielige bromfietsen klasse B de verplichting of het verbod oplegt om het fietspad te volgen moet geplaatst worden in functie van de breedte van het fietspad en van het verkeer op dit fietspad en op de rijbaan.

10.5. Verkeersbord D9. Deel van de openbare weg voorbehouden voor het verkeer van voetgangers, fietsen en tweewielige bromfietsen klasse A.

De scheiding tussen het voetgangersgedeelte, enerzijds, en het gedeelte van de fietsers en bestuurders van tweewielige bromfietsen klasse A, anderzijds, wordt gerealiseerd door, hetzij een witte doorlopende streep, hetzij een andere wegbedekking, hetzij om het even welke fysische scheiding of door een combinatie van één of meer van deze middelen.

Desgevallend worden op dit verkeersbord de symbolen van de weggebruikers omgewisseld.

10.6. Verkeersbord D10. Deel van de openbare weg voorbehouden voor het verkeer van voetgangers en fietsers.

Dit verkeersbord wordt gebruikt wanneer geen gebruikt kan worden gemaakt van het verkeersbord D9 :

  • wanneer de ruimte te gering is om het verkeer van fietsers en voetgangers te scheiden en de veiligheid van de fietsers aldus beter gewaarborgd is over korte wegvakken of openbare wegen, wanneer er veel verkeer op de rijbaan is en de toegestane maximumsnelheid ten minste 50 km per uur is;
  • wanneer het nodig is de voetgangers en de fietsers te verplichten wegen of weggedeelten te volgen die veiliger zijn, zonder dat het mogelijk of nodig is het deel van de weg dat voor hen is voorbehouden, te onderscheiden.