11 OKTOBER 1976. - Ministerieel besluit houdende de minimum afmetingen en de bijzondere plaatsingsvoorwaarden van de verkeerstekens.
[B.S. 14.10.1976]

Hoofdstuk III. Wegmarkeringen

Artikel 18. Dwarsmarkeringen

18.1. Stopstreep.

Deze streep is ongeveer 0,50 m breed.

Deze streep wordt aangebracht overeenkomstig plaat 3 van bijlage 4 tot dit besluit en enkel over die breedte van de rijbaan die normaal gebruikt wordt door de bestuurders die moeten stoppen. Wanneer deze streep wordt getrokken op een plaats waar een verkeersbord B5 staat, moet zij zodanig aangebracht worden dat de bestuurder die ervoor stopt, een zo ruim mogelijk zicht heeft op de weg waar de andere bestuurders voorrang hebben, zonder dat hij daarom geïmmobiliseerd wordt op een oversteekplaats voor voetgangers of op een fietspad.

B5

Indien evenwel op die plaats overlangse markeringen een fietspad aanduiden, moet zij aangebracht worden vóór deze overlangse markeringen en zo nodig voorbij deze markeringen herhaald worden rekening houdend met hetgeen in vorig lid bepaald is.

Wanneer verkeerslichten zijn aangebracht boven de rijstroken conform artikel 61.4.2, van het algemeen verkeersreglement, dan wordt de stopstreep gemarkeerd op tenminste 5 meter voor de lichten.

18.2. Streep gevormd door witte driehoeken.

Deze streep wordt aangebracht op de plaatsen waar de bestuurders, indien nodig, moeten stoppen om voorrang te verlenen. Zij wordt enkel aangebracht over de breedte van de rijbaan die deze bestuurders normaal gebruiken.

Zij wordt gevormd door driehoeken waarvan de basissen naast elkaar gelegen zijn en waarvan de top gericht is naar de bestuurders die voorrang moeten verlenen.

Deze driehoeken zijn ongeveer 0,70 m hoog en hebben een basis van ongeveer 0,50 m. Tussen de zwaartelijnen vanuit voornoemde top moet er een tussenafstand zijn van ongeveer 0,70 m, en deze tussenafstand wordt parallel met de basislijn gemeten overeenkomstig plaat 4 van bijlage 4 tot dit besluit.

Die streep moet zodanig aangebracht worden dat de bestuurder die ervoor stopt, een zo ruim mogelijk zicht heeft op de weg waar de andere bestuurders voorrang hebben, zonder dat hij daarom geïmmobiliseerd wordt op een oversteekplaats voor voetgangers of op een fietspad.

Indien evenwel op die plaats overlangse markeringen een fietspad aanduiden, moet zij aangebracht worden vóór deze overlangse markeringen en zo nodig voorbij deze markeringen herhaald worden rekening houdend met hetgeen in vorig lid bepaald is.

18.3. Markeringen van oversteekplaatsen voor voetgangers.

De breedte van de stroken en van hun tussenafstand is ongeveer 0,50 m overeenkomstig plaat 5 van bijlage 4 tot dit besluit.

Zij hebben een lengte van ten minste :

  • 3,00 m op de wegen waar de hoogste toegelaten snelheid lager is dan of gelijk aan 70 km/u;
  • 4,00 m op de wegen waar een snelheid van meer dan 70 km/u is toegelaten.

18.4. Markeringen van oversteekplaatsen voor fietsers en bestuurders van tweewielige bromfietsen.

De afstand tussen de twee onderbroken strepen is ten minste 1,00 m overeenkomstig plaat 6 van bijlage 4 tot dit besluit.

Deze tussenruimte kan evenwel teruggebracht worden tot ten minste 0,80 m indien het fietspad met éénrichtingsverkeer is.

Deze onderbroken strepen worden gevormd door vierkanten of parallellogrammen met als zijde ongeveer 0,50 m en met een tussenafstand van ongeveer 0,50 m.

De dwarsmarkering moet aangebracht worden wanneer fietsers en bestuurders van tweewielige bromfietsen de rijbaan moeten oversteken buiten het kruispunt of de rotonde.

Zij mag niet aangebracht worden op het kruispunt of de rotonde wanneer de fietsers en bestuurders van tweewielige bromfietsen dezelfde voorrangsregels moeten naleven als de andere bestuurders.

De ondergeschiktheid aan het verkeer op de openbare weg die wordt overgestoken mag verduidelijkt worden door de verkeersborden B1 of B5.

B1    B5