11 OKTOBER 1976. - Ministerieel besluit houdende de minimum afmetingen en de bijzondere plaatsingsvoorwaarden van de verkeerstekens.
[B.S. 14.10.1976]

Hoofdstuk III. Wegmarkeringen

Artikel 19. Andere markeringen

19.1. Voorsorteringspijlen.

De lengte van deze pijlen is ongeveer :

  • 5,00 m op de wegen waar de hoogste toegelaten snelheid lager is dan of gelijk aan 70 km/u; deze pijlen worden aangebracht overeenkomstig plaat 7 van bijlage 4 tot dit besluit.
  • 7,50 m op de wegen waar een hogere snelheid dan 70 km/u. wordt toegelaten; deze pijlen worden aangebracht overeenkomstig plaat 8 van bijlage 4 tot dit besluit.

Telkens wanneer de plaatsgesteldheid het toelaat moeten vóór het kruispunt ten minste drie opeenvolgende voorsorteringspijlen worden aangebracht. De tussenafstand tussen de overeenstemmende punten bedraagt in beginsel ongeveer 20 m. De laatste pijl bevindt zich op ten hoogste 10 m van het kruispunt.

Op het kruispunt mag de afstand tussen de opeenvolgende pijlen worden verminderd en aangepast aan de plaatsgesteldheid. Deze pijlen zijn ongeveer 5 m lang.

19.2. Rijstrookverminderingspijlen.

De naderingsmarkering bedoeld in artikel 14.3.2° van dit besluit mag aangevuld worden met rijstrookverminderingspijlen; het aantal ervan bedraagt ten minste vier.

In dit geval worden ze aangebracht op de rijstroken die ophouden ten gevolge van een vermindering van het aantal stroken of die om een of andere reden niet meer mogen gevolgd worden.

Op de rijbanen met twee rijstroken en verkeer in beide richtingen worden de rijstrookverminderingspijlen evenwel ongeveer in de as van de rijbaan aangebracht.

De rijstrookverminderingspijlen zijn ongeveer 5,00 m lang.

De overeenstemmende punten van de opeenvolgende rijstrookverminderingspijlen bevinden zich op een afstand van ten minste 10 m van elkaar; ze worden aangebracht overeenkomstig plaat 9 van bijlage 4 tot dit besluit.

19.3. Markeringen van verkeersgeleiders en verdrijvingsvlakken op de grond.

Deze geleiders en verdrijvingsvlakken worden afgebakend met een doorlopende witte streep met een breedte van ongeveer :

  • 0,30 m op de autosnelwegen;
  • 0,15 m op de andere wegen.

De evenwijdige strepen in de geleiders en verdrijvingsvlakken zijn ongeveer 0,40 m breed, hebben een tussenafstand van ongeveer 0,60 m en vormen een hoek van ongeveer 45° met de as van de rijbaan overeenkomstig plaat 10 van bijlage 4 tot dit besluit. In het geval van een uitgestrekte verkeersgeleider ten minste 50 m mogen de evenwijdige strepen ongeveer 1 m breed zijn en een tussenafstand van ongeveer 2,00 m hebben.

19.4. Markeringen van parkeerplaatsen.

In een parkeerzone of in een parking zijn de strepen die de plaatsen afbakenen waar de voertuigen moeten staan, ongeveer 0,10 m breed.

De strepen mogen worden beperkt tot de hoeken van deze plaatsen.

De markering van parkeerplaatsen gedeeltelijk of volledig op de verhoogde berm of het trottoir, is slechts toegestaan voorzover aan de buitenkant van de openbare weg een begaanbare strook voor de voetgangers blijft van ten minste 1,50 meter.

19.5. Markeringen van opstelvakken voor fietsers en bestuurders van tweewielige bromfietsen.

De lengte van het opstelvak moet minimum 4,00 m bedragen.

Naast de rijstrook voor het autoverkeer wordt een toeleidend fietspad gemarkeerd van ongeveer 1.00 m breed, behalve wanneer de rijstrookbreedte daardoor minder dan 2,50 m zou bedragen.

Het toeleidend fietspad moet minimum 15 m lang zijn.

19.6. Markeringen van voorsorteringsstroken voor fietsers en bestuurders van tweewielige bromfietsen.

  • De voorsorteringsstrook moet minstens 1,00 m breed zijn.
  • De afmetingen van de pijlen en hun tussenafstand worden aangepast aan de plaatsgesteldheid.

19.7. Dambordmarkeringen.

Deze markeringen bestaan uit witte vierkanten met een zijde van ongeveer 0,50 m.

Zij mogen slechts gebruikt worden om de plaats af te bakenen voorbehouden aan voertuigen voor geregelde diensten voor gemeenschappelijk vervoer op een bijzondere overrijdbare bedding of om eigen beddingen en bijzondere overrijdbare beddingen met elkaar te verbinden.

Zij mogen niet gebruikt worden wanneer de markeringen bepaald in artikel 14.6. aangebracht zijn.