3 APRIL 2001. - Ministeriële omzendbrief betreffende het voorbehouden van parkeerplaatsen voor personen met een handicap.
(B.S. 05.05.2001)

Artikel M. Deze omzendbrief vervangt de richtlijnen van 4 juli 1978 en 19 september 1996.
Over de jaren heen hebben de gemeenteraden er resoluut voor gezorgd dat er heel wat parkeerruimte voor mensen met een handicap is gecreëerd, vanuit humaan en sociaal oogpunt, en tevens in het belang van hun mobiliteit.

De gemeenteoverheid dient dit beleid voort te zetten. Er moet nl. een groot belang worden gehecht aan de maatregelen die de mensen met een handicap ten goede komen.

Naast de blijvende aandacht die het probleem verdient, moet ook en vooral worden gepleit voor het behoud van de geloofwaardigheid van het beleid, dat moet worden waargemaakt door veralgemeend en volgehouden verkeerstoezicht.

1) Voorbehouden van parkeerplaatsen op de openbare weg.

1.1. Algemene reservering.

1.1.1. Wanneer het gaat om parkeerterreinen waar veel parkeerplaatsen beschikbaar zijn, mag systematisch in reservering voorzien worden. De norm, 1 gereserveerde parkeerplaats op 50, zoals in de buurlanden, wordt aanbevolen.

1.1.2. Reservering aan gebouwen die toegankelijk zijn voor het publiek is eveneens mogelijk wanneer mensen met een handicap zich dagelijks of zeer geregeld naar dergelijke plaatsen begeven (bv. consultatiebureaus, verzorgingsinstellingen voor gehandicapten, gehandicaptenverenigingen, enz....) en voor zover die gebouwen niet over een privé-parkeerterrein beschikken dat toegankelijk is voor het publiek.

1.1.3. Er wordt niet in reservering voorzien aan gebouwen die wel toegankelijk zijn voor het publiek, maar die slechts occasioneel door mensen met een handicap bezocht worden (bv. postgebouw, treinstation), tenzij bijzondere schikkingen zouden genomen zijn om hen een goede toegankelijkheid te verzekeren en voor zover aan het gebouw geen privé-parking is ingericht die toegankelijk is voor het publiek.

1.1.4. Die parkeerplaatsen moeten zich liefst zo dicht mogelijk bij de toegang tot die gebouwen en instellingen bevinden en, indien dit niet het geval is, op een afstand van ten hoogste 50 m van de toegang, behalve indien het materieel onmogelijk is.

1.2. Reservering van parkeerplaatsen in de nabijheid van de woning of van de werkplaats.

Aanvragen tot het voorbehouden van een parkeerplaats in de nabijheid van de werkplaats of van de woning van een persoon met een handicap, moeten onderzocht worden, rekening houdend met de volgende aandachtspunten :

  • de werk- of woonplaats beschikt niet over een garage of privé-parking die een vlotte toegankelijkheid waarborgt.
  • de aanvrager bezit een voertuig of wordt vervoerd door iemand die bij hem inwoont.
  • het bezit van de speciale parkeerkaart is vereist.

1.3. Algemene beschouwingen in verband met de reservering.

Het spreekt vanzelf dat er niet voorbehouden kan worden op plaatsen waar het verboden is te parkeren, noch op plaatsen waar de verkeersveiligheid in het gedrang zou komen.

Het is ook zo dat het systeem van het beurtelings parkeren dergelijke reserveringen niet mogelijk maakt. De gemeente kan in dit geval echter wel de bestaande parkeerregeling herzien, meer bepaald dan de regeling betreffende het beurtelings parkeren.

De voorbehouden plaatsen mogen nooit geïndividualiseerd zijn; ze moeten dan ook te allen tijde toegankelijk zijn voor alle mensen met een handicap die houder zijn van de speciale parkeerkaart.

Tot alle nuttige doeleinden dient er aan herinnerd te worden dat de parkeerkaart recht geeft op :

  • parkeren op plaatsen uitsluitend voorbehouden aan mensen met een handicap (aangeduid door een " P "-bord, wit op blauwe achtergrond, aangevuld met het symbool in het wit, dat een gehandicapte in rolstoel voorstelt);
  • onbeperkt parkeren op plaatsen waar de parkeertijd beperkt is (blauwe zone);
  • gratis parkeren op plaatsen waar de parkeertijd door een parkeermeter of -automaat beperkt is, in gemeenten die het toestaan;
  • gratis parkeren op parkeerplaatsen van de NMBS.

1.4. Persoon met een handicap die geen auto heeft en die niet vervoerd wordt door iemand die bij hem inwoont : mogelijkheid tot het invoeren van een parkeerverbod.

Wanneer de persoon met een handicap zich frequent laat vervoeren door iemand die niet bij hem inwoont, kan gedacht worden aan een parkeerverbod ter hoogte van de woning van de persoon met een handicap, om voor hem het in- en uitstappen gemakkelijker te maken.

1.5. Praktische modaliteiten.

1.5.1. Procedure.

De besproken maatregelen moeten het voorwerp uitmaken van een aanvullend verkeersreglement dat door de gemeenteraad wordt vastgesteld en dat aan de goedkeuringsvoogdij is onderworpen, conform de artikelen 2 en 10 van de wet betreffende de politie over het wegverkeer.

1.5.2. Signalisatie, uitvoering en bijzondere gevallen.

1.5.2.1. De voorbehouden plaatsen worden gesignaleerd door middel van het verkeersbord E9a (" P ") met het blauwe pictogram dat een mens met een handicap in een rolstoel voorstelt of aangevuld met het onderbord waarop dit pictogram is afgebeeld. Het pictogram mag, in witte kleur, op het wegdek gereproduceerd worden. Op zichzelf is deze reproductie op de grond echter niet voldoende om in een voorbehouden parkeerplaats te voorzien. In voorkomend geval wordt de signalisatie aangevuld met een pijl die het begin van de reglementering aanwijst en met vermelding van de afstand waarover ze geldt. Het is daarenboven wenselijk de parkeerplaats(en) duidelijk te markeren op de grond, behalve wanneer ze tot verwarring aanleiding zou geven (afbakening van geïsoleerde plaatsen op de rijbaan).

1.5.2.2. Wanneer de voorbehouden plaats op een parking ligt of op de weg, haaks of schuins ten opzichte van de aslijn van de rijbaan, dan moet de breedte ruimer gemeten worden dan naar gewoonte, om de toegang tot en het verlaten van het voertuig door de gehandicapte, te vergemakkelijken (bv. 3,50 m in plaats van 2,20 m).

1.5.2.3. Het is ook mogelijk dat de voorbehouden parkeerplaats niet van bestendige aard moet zijn (bv. postkantoor open op vaste uren); het verkeersbord E9a met het pictogram wordt dan aangevuld met de vermelding van de periode tijdens dewelke de reservering van toepassing is (bv. van maandag tot vrijdag van 8 tot 17 uur).

Het kan daarenboven nuttig zijn de parkeerplaats voor te behouden in combinatie met een tijdsbeperking (30 min. max.), in zones waar de parkeerdruk hoog is en op plaatsen waar de persoon met een handicap slechts voor korte tijd aanwezig moet zijn.

Hierbij moet de nadruk worden gelegd op het belang van een aangepaste signalisatie en ook op de goede zichtbaarheid ervan.

2) Voorbehouden van parkeerplaatsen op openbare plaatsen.

Inzake stedenbouw bepalen de wet van 17 juli 1975 en zijn uitvoeringsbesluit van 9 mei 1977 een aantal voorschriften met betrekking tot de toegankelijkheid van mensen met een handicap tot gebouwen die toegankelijk zijn voor het publiek. (1) ((1) Wet van 17 juli 1975 betreffende de toegang van gehandicapten tot gebouwen, toegankelijk voor het publiek (Belgisch Staatsblad van 19 augustus 1975). - Koninklijk besluit van 9 mei 1977 (Belgisch Staatsblad van 8 juni 1977) genomen in uitvoering van de wet van 17 juli 1975 betreffende de toegang van gehandicapten tot openbare gebouwen (artikelen 2 en 4, § 1)).

Hierna volgt een kort overzicht van de specifieke normen die door elk van de Gewesten zijn bepaald in verband met het aanbod van parkeerplaatsen die voor mensen met een handicap voorbehouden zijn.

2.1. Toepassingsgebied.

Het voornoemde koninklijk besluit stelt een lijst vast van gebouwen en voorzieningen, zowel openbaar als privé, waarvoor onder bepaalde voorwaarden parkeerruimte voorbehouden moet worden ten behoeve van mensen met een handicap, wanneer er een parking voorhanden is.

Binnen hun bevoegdheidssfeer hebben de Gewesten ofwel de lijst bij dit koninklijk besluit overgenomen (Vlaams Gewest), ofwel licht gewijzigd of aangevuld (Brussels Hoofdstedelijk en het Waalse Gewest). Er moet dus op dit stuk verwezen worden naar de geldende gewestelijke reglementering.

2.2. Van kracht zijnde normen.

2.2.1. In het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (2) moeten ten minste twee parkeerplaatsen voorbehouden zijn voor voertuigen die gebruikt worden door mensen met een handicap en ten minste één extra plaats per schijf van 50 plaatsen. ((2) Besluit van de Regering van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest van 3 juni 1999 tot vaststelling van de titels I tot VII van het gewestelijk reglement op de Stedenbouw, van toepassing op gans het gebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (Belgisch Staatsblad van 9 juli 1999)).

2.2.2. In het Vlaams Gewest (3) moet één plaats op 25 plaatsen voorbehouden zijn voor mensen met een handicap. ((3) Toepassing van het koninklijk besluit van 9 mei 1977.)

2.2.3. In het Waals Gewest (4) moet één plaats voorbehouden zijn voor mensen met een handicap en een extra plaats per schijf van 50 plaatsen. ((4) Besluit van de Waalse Regering tot vaststelling van de technische en architecturale kenmerken waaraan de gebouwen en ruimtes, bepaald bij artikel 414 van de " Code Wallon de l'Aménagement et du Territoire de l'Urbanisme et du Patrimoine ", moeten voldoen. (Belgisch Staatsblad van 3 juli 1999)).

2.3. Procedure en praktische modaliteiten.

Het is passend die maatregelen te bekrachtigen door middel van een politieverordening of in het algemeen politiereglement van de gemeente (5). ((5) Bijgevolg zijn hier de politiestraffen van toepassing.).

Wat het gebruik van de signalisatie betreft, is het logisch dat te werk wordt gegaan net zoals op de openbare weg en dat de specifieke regels die door de Gewesten zijn vastgesteld, strikt in acht worden genomen.

3) Betalend Parkeren - Vrijstelling van betaling van parkeergeld.

Inzake betalend parkeren zijn het de gemeenteraden die de nadere regels bepalen.

In de meeste gemeenten zijn de personen met een handicap vrijgesteld van het betalen van parkeergeld.

Men kan zich slechts verheugen over een dergelijke gang van zaken en een verdere veralgemening is wenselijk. Wat er ook van zij, het is beslist aangewezen dat op het toestel uitdrukkelijk vermeld is of mensen met een handicap al dan niet vrijgesteld zijn van betaling van het parkeergeld, om elk misverstand te voorkomen.

4) Toezicht op de naleving van de vastgestelde maatregelen.

Er moet allereerst worden aangestipt dat de bepalingen die hierna besproken worden, in geen enkel opzicht afbreuk doen aan de bevoegdheid van de overheid die bevoegd is voor het handhavingsbeleid.

Maar de aandacht dient er op gevestigd te worden dat gehandicaptenverenigingen er geregeld over klagen dat de andere bestuurders parkeerplaatsen voor mensen met een handicap gaan bezetten, zowel op de openbare weg als op openbare plaatsen.

Binnen het kader van het Federaal Verkeersveiligheidsplan (aangenomen op de ministerraad van 20 juli 2000) is het wederrechtelijk gebruik van voorbehouden parkeerplaatsen voor mensen met een handicap, in de lijst van " prioritaire " overtredingen opgenomen.

Het is inderdaad van belang dat een maatregel die zo nauw verbonden is met de mobiliteit van de mensen met een handicap op een behoorlijke manier en systematisch gecontroleerd wordt op zijn werking.

Eigenlijk is het toezicht op de goede werking van de maatregel, voor de gemeente- die overigens aan de oorsprong van de maatregel ligt - een " bewijs van geloof in eigen beleid ".

De controles behoren niet alleen te gebeuren op de openbare weg, maar evenzeer op de openbare plaatsen, zodra ze zonder onderscheid toegankelijk zijn voor alle weggebruikers (bv. parking van grootwarenhuizen) (6). ((6) Het is slechts in de mate waarin die parkings afgesloten zijn of bewaakt worden dat het principe van de voorafgaande vordering van de politiediensten vereist blijft.).

In toepassing van artikel 4.4. van het algemeen reglement op de politie van het wegverkeer, kunnen de bevoegde personen overgaan tot de verplaatsing van voertuigen in overtreding, onverminderd de plaatselijke richtlijnen van de parketten terzake.

De Minister van Mobiliteit en Vervoer,
Mevr. I. Durant.

Zie ook de omzendbrief van 25 april 2003 betreffende het voorbehouden van parkeerplaatsen voor personen met een handicap.