Wet van 15 juli 2013 betreffende het goederenvervoer over de weg

en houdende uitvoering van de Verordening (EG) nr. 1071/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels betreffende de voorwaarden waaraan moet zijn voldaan om het beroep van wegvervoerondernemer uit te oefenen en tot intrekking van richtlijn 96/26/EG van de Raad en houdende uitvoering van de Verordening (EG) nr. 1072/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels voor toegang tot de markt voor internationaal goederenvervoer over de weg

B.S. 18.02.2014

Contents[Hide]

TITEL 1. — Algemeenheden

HOOFDSTUK 1. — Inleidende bepalingen

Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

Afdeling 1. — Toepassingsgebied

Art. 2. Deze wet is van toepassing op :

1° het vervoer van goederen over de weg tegen vergoeding verricht door middel van een voertuig of een sleep;

2° de lege ritten over de weg die verband houden met een in 1° bedoeld vervoer, verricht door middel van een voertuig of een sleep;

3° het vervoer van goederen over de weg voor eigen rekening in de gevallen bepaald in artikel 28, 1°, b), verricht door middel van een voertuig of een sleep.

Het in het eerste lid bepaalde toepassingsgebied geldt voor alle voertuigen of slepen ongeacht hun maximaal toegelaten massa of hun toegestane maximumsnelheid, onverminderd hetgeen is bepaald in de communautaire regelgeving en in de door de Europese Unie of door de Koning gesloten bilaterale of multilaterale akkoorden.

Art. 3. Onverminderd het bepaalde in artikel 4, is deze wet niet van toepassing op :

a) het goederenvervoer verricht buiten de openbare weg;

b) het vervoer van bagage verricht met een motorvoertuig dat uitsluitend voor personenvervoer is gebouwd of met een aanhangwagen die aan dit motorvoertuig is gekoppeld.

Onder "bagage" wordt verstaan, het geheel van voorwerpen die een persoon voor eigen gebruik meeneemt op reis;

c) het vervoer van beschadigde of onklare voertuigen;

d) het vervoer van voertuigen die worden verplaatst op vordering van de hiertoe bevoegde ambtenaren;

e) het vervoer verricht met het oog op het uitstrooien op de openbare weg van stoffen om het verkeer te beveiligen bij gevaarlijke weersomstandigheden of andere;

f) het postvervoer in het kader van een universele dienst;

g) het vervoer van waarden verricht met speciaal daartoe ontworpen voertuigen;

h) het begrafenisvervoer;

i) het vervoer van geneesmiddelen, medische apparaten en uitrusting, alsmede van andere artikelen die nodig zijn voor eerstehulpverlening, met name in geval van natuurrampen.

De Koning kan de lijst van de in het eerste lid opgesomde transporten aanvullen voor zover het vervoer betreft door middel van een motorvoertuig of van een sleep met een nuttig laadvermogen van niet meer dan vijfhonderd kg.

Art. 4. In afwijking van de bepalingen van artikel 3, eerste lid, blijven de transporten opgesomd in dat lid :

1° in a), d), e), g) en h) onderworpen aan de bepalingen van de artikelen 16, 18, 19 en 21 en aan de gedeelten van haar uitvoeringsbesluiten die deze materie betreffen, wanneer de betrokken voertuigen de Belgische grens overschrijden;

2° in c), d), e), g) en i) onderworpen aan de bepalingen van artikel 29 en aan de gedeelten van haar uitvoeringsbesluiten die deze materie betreffen, wanneer de betrokken voertuigen de Belgische grens overschrijden;

3° in c), d), e), g) en i) onderworpen aan de bepalingen van artikel 43, § 2, wanneer de betrokken voertuigen de Belgische grens overschrijden;

4° in c) tot i) onderworpen aan de bepalingen van artikel 43, § 3, 1° en 2° ;

5° in d), e), g) en h) onderworpen aan de bepalingen van artikel 43, § 3, 3° ;

6° in c) tot i) onderworpen aan de bepalingen van artikel 43, § 3, 4° ;

7° in c) tot g) onderworpen aan de bepalingen van artikel 43, § 4;

8° in c) tot i) onderworpen aan de bepalingen van artikel 51.

Afdeling 2. — Definities

Art. 5. Voor de toepassing van deze wet en van haar uitvoeringsbesluiten wordt verstaan onder :

1° "minister" : de minister bevoegd voor het vervoer van goederen over de weg;

2° "goederenvervoer over de weg verricht voor eigen rekening" : het vervoer van goederen over de weg voor zover aan de volgende eisen wordt voldaan :

a) de vervoerde goederen zijn eigendom van de onderneming of zijn door haar verkocht of gekocht, verhuurd of gehuurd, voortgebracht, gedolven, bewerkt of hersteld;
b) het doel van het vervoer is de goederen naar de onderneming te brengen of deze vanuit de onderneming te verzenden, ofwel deze te verplaatsen binnen of buiten de onderneming voor haar eigen behoeften;
c) de voor dit vervoer gebruikte motorvoertuigen worden bestuurd door personeel dat in dienst is of ter beschikking gesteld is van de onderneming krachtens een contractuele verplichting;
d) de voertuigen die de goederen vervoeren zijn eigendom van de onderneming, zijn door haar op krediet gekocht of zijn door haar gehuurd; in het laatst vermelde geval moeten zij ook voldoen aan de voorwaarden van richtlijn 2006/1/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 januari 2006 betreffende het gebruik van gehuurde voertuigen zonder bestuurder voor het vervoer van goederen over de weg;
e) de vervoersactiviteit is slechts een secundaire bedrijvigheid in het kader van de algemene werkzaamheden van de onderneming;

3° "goederenvervoer over de weg verricht voor rekening van derden" : elk niet in 2° bedoeld vervoer van goederen over de weg;

4° "goederenvervoer over de weg tegen vergoeding" : het vervoer van goederen over de weg verricht voor rekening van derden met een tegenprestatie in de vorm van elk rechtstreeks of onrechtstreeks voordeel, in speciën of in natura;de verhuring van een motorvoertuig met bestuurder wordt gelijkgesteld met vervoer van goederen over de weg tegen vergoeding;

5° "motorvoertuig" : elk landvoertuig uitgerust met een motor, bestemd om op eigen kracht te rijden, met uitzondering van spoorvoertuigen, brom- en motorfietsen alsook drie- en vierwielers met motor, zoals bepaald bij het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg;

6° "aanhangwagen" : elk voertuig dat bestemd is om door een motorvoertuig te worden voortbewogen;

7° "voertuig" : elk in 5° en 6° bedoeld vervoermiddel;

8° "sleep" : elke groep voertuigen die aan elkaar gekoppeld zijn met het doel door één en dezelfde kracht te worden voortbewogen;

9° "onderneming" : elke natuurlijke persoon, elke rechtspersoon met of zonder winstoogmerk, elke vereniging of groepering van personen zonder rechtspersoonlijkheid, met of zonder winstoogmerk, alsmede elke overheidsinstantie, ongeacht of zij zelf rechtspersoonlijkheid bezit of afhankelijk is van een autoriteit met rechtspersoonlijkheid, die goederenvervoer over de weg verricht in de zin van deze wet;

10° "zending" : één of meer goederen die op één of meer plaatsen voor één opdrachtgever worden geladen, teneinde in één rit, met één motorvoertuig of sleep, vervoerd te worden naar één of meer losplaatsen, voor één geadresseerde;

11° "vervoerscommissionair" : elke natuurlijke of rechtspersoon die, tegen vergoeding, de verbintenis aangaat een transport van goederen te verrichten en dit transport in eigen naam door derden doet uitvoeren;

12° "commissionair-expediteur" : elke natuurlijke of rechtspersoon die, tegen vergoeding, de verbintenis aangaat goederen te doen vervoeren in eigen naam maar voor rekening van zijn committent, en één of meer met dat vervoer samenhangende verrichtingen, zoals het in ontvangst nemen, het bezorgen aan derden-vervoerders, het opslaan, de verzekering en het in- of uitklaren, uit te voeren of te doen uitvoeren;

13° "openbare plaats" : de openbare weg, de terreinen toegankelijk voor het publiek en de niet openbare terreinen die voor een zeker aantal personen toegankelijk zijn;

14° "Verordening (EG) nr.1071/2009" : de Verordening (EG) nr. 1071/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels betreffende de voorwaarden waaraan moet zijn voldaan om het beroep van wegvervoerondernemer uit te oefenen en tot intrekking van Richtlijn 96/26/EG van de Raad;

15° "Verordening (EG) nr.1072/2009" : de Verordening (EG) nr. 1072/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels voor toegang tot de markt voor internationaal goederenvervoer over de weg;

16° "communautaire regelgeving" : de communautaire regelgeving betreffende het goederenvervoer over de weg.

TITEL 2. — Toegang tot en uitoefening van het beroep

HOOFDSTUK 1. — Voorwaarden

Art. 6. Elke onderneming die het beroep van vervoerder van goederen over de weg wenst uit te oefenen, of dat beroep uitoefent, moet voldoen aan de in artikel 3 van de Verordening (EG) nr. 1071/2009 en de in deze titel gestelde voorwaarden inzake vestiging, betrouwbaarheid, vakbekwaamheid en financiële draagkracht.

De Koning kan de in het eerste lid gestelde voorwaarden aanpassen wanneer het beroep van vervoerder van goederen over de weg wordt uitgeoefend door middel van motorvoertuigen of van slepen waarvan het nuttig laadvermogen niet meer dan vijfhonderd kg bedraagt.

In geval de Koning gebruik maakt van de in het tweede lid geboden mogelijkheid, stelt Hij tevens, in afwijking van de bepalingen van de artikelen 16 en 18, een vergunningenstelsel vast voor de vervoerders die de in artikel 2, eerste lid, 1° en 2°, bedoelde werkzaamheden verrichten met motorvoertuigen of slepen waarvan het nuttig laadvermogen niet meer dan vijfhonderd kg bedraagt.

HOOFDSTUK 2. — Vestiging

Art. 7. Behalve de documenten bepaald in artikel 5, a), van de Verordening (EG) nr. 1071/2009, moeten ook de vrachtbrieven te allen tijde beschikbaar zijn in de Belgische vestiging van de onderneming.

HOOFDSTUK 3. — Betrouwbaarheid

Art. 8. § 1. De onderneming voldoet aan de voorwaarde van betrouwbaarheid wanneer noch zijzelf, noch de door haar aangewezen vervoersmanager, noch de personen belast met het dagelijks bestuur van de onderneming, in België of in het buitenland :

1° gedurende de laatste tien jaar, behoudens herstel in eer en rechten, een in kracht van gewijsde gegane ernstige strafrechtelijke veroordeling heeft opgelopen wegens :

a) in-, uit-, of doorvoer van wapens, munitie en speciaal voor militair gebruik dienstig materieel en daaraan verbonden technologie;
b) namaking of vervalsing van zegels en stempels;
c) valsheid in geschriften en gebruik van valse stukken;
d) omkoping van openbare ambtenaren;
e) diefstal, afpersing, verduistering, misbruik van vertrouwen, oplichting, heling of andere verrichtingen met betrekking tot zaken die uit een misdrijf voortkomen;
f) misdrijf betreffende de staat van faillissement en het fictief in omloop brengen van handelseffecten of overtreding van de bepalingen betreffende fondsbezorging van cheques of andere titels tot een contante betaling of betaling op zicht op beschikbare gelden;
g) inbreuk op de regelgevingen inzake de belasting over de toegevoegde waarde, de douane en accijnzen;
h) inbreuk op de regelgeving betreffende de jaarrekening en de boekhouding van ondernemingen;
i) lidmaatschap van een criminele organisatie;
j) mensenhandel;
k) inbreuk op de regelgevingen betreffende de gifstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen, antiseptica en stoffen met hormonale, antihormonale, anabole, beta-adrenergische, productiestimulerende, anti-infectieuze, antiparasitaire en anti-inflammatoire werking;
l) inbreuk op de regelgeving betreffende de politie op het wegverkeer;
m) inbreuk op de regelgeving betreffende de arbeidsvoorwaarden, het niet aangeven van arbeid, de sociale documenten, de collectieve arbeidsbetrekkingen en de sociale zekerheid;
n) illegale arbeid;

2° gedurende de laatste tien jaar, behoudens herstel in eer en rechten, twee of meer in kracht van gewijsde gegane ernstige strafrechtelijke veroordelingen heeft opgelopen wegens inbreuken op de regelgeving betreffende de politie op het wegverkeer;

3° bezwaard is met een beroepsuitoefeningsverbod dat is opgelegd ten aanzien van één van de misdrijven bepaald in 1°, b), c), d), e), f), g) en i) of in artikel 42, § 4.

4° gedurende de laatste tien jaar, behoudens herstel in eer en rechten of behoudens rehabilitatie als bedoeld in paragraaf 7, een in kracht van gewijsde gegane strafrechtelijke veroordeling of sanctie heeft opgelopen wegens een ernstige inbreuk op de regelgevingen inzake :

a) de rij- en rusttijden van de bestuurders, de arbeidstijd en de installatie of het gebruik van het controleapparaat;
b) de maximaal toegelaten massa en de maximaal toegelaten afmetingen van de bedrijfsvoertuigen;
c) de vakbekwaamheid, de opleiding en de nascholing van bestuurders;
d) de technische staat van de bedrijfsvoertuigen en de technische keuring van motorvoertuigen;
e) de toegang tot het beroep van wegvervoerondernemer en tot de markt van het wegvervoer;
f) de veiligheid van het vervoer van gevaarlijke goederen over de weg;
g) de installatie en het gebruik van snelheidsbegrenzers;
h) het rijbewijs;
i) het vervoer van dieren.

Wanneer een rechtspersoon belast is met het dagelijks bestuur van de onderneming, is de in het eerste lid vermelde voorwaarde eveneens van toepassing op die rechtspersoon en op de vaste vertegenwoordiger van die rechtspersoon.

§ 2. Voor de toepassing van de bepalingen van paragraaf 1, eerste lid, 1°, wordt als een ernstige strafrechtelijke veroordeling beschouwd, elke strafrechtelijke veroordeling die aanleiding heeft gegeven tot een hoofdgevangenisstraf van meer dan zes maanden of tot een geldboete van meer dan 4.000 euro.

§ 3. Voor de toepassing van de bepalingen van paragraaf 1, eerste lid, 2°, worden als twee of meer ernstige strafrechtelijke veroordelingen beschouwd, het geheel van strafrechtelijke veroordelingen die samen aanleiding hebben gegeven tot een totale hoofdgevangenisstraf van meer dan vier maanden of tot een totale geldboete van meer dan 2.000 euro.

§ 4. Voor de toepassing van de bepalingen van paragraaf 1, eerste lid, 1° en 2°, wordt geen rekening gehouden met de opdeciemen op de strafrechtelijke geldboeten.

Voor de toepassing van de bepalingen van paragraaf 1, eerste lid, 2° wordt geen rekening gehouden met :

1° veroordelingen tot een geldboete die niet hoger is dan 75 euro of tot een hoofdgevangenisstraf die niet hoger is dan vijftien dagen;

2° straffen of gedeelten van straffen met uitstel indien de geldboete minder dan 1.000 euro of de hoofdgevangenisstraf minder dan drie maanden bedraagt.

Bij veroordelingen wegens inbreuken waarop de wetgeving betreffende de opdeciemen op de strafrechtelijke geldboeten geen toepassing vindt, is het in aanmerking te nemen bedrag gelijk aan het quotiënt van de deling van het bedrag van de opgelegde boete door een deler die door de Koning wordt bepaald.

§ 5. Voor de toepassing van de bepalingen van paragraaf 1, eerste lid, 4°, worden als ernstige inbreuken beschouwd :

1° de inbreuken die zijn opgenomen in de lijst van zwaarste inbreuken in bijlage IV van de Verordening (EG) nr.1071/2009;

2° het nationaal vervoer van goederen zonder nationale of communautaire vergunning.

De Koning vult de lijst van de in het eerste lid bedoelde inbreuken aan met de door de Europese Commissie op te stellen lijst van ernstige inbreuken op de communautaire wetgeving als bedoeld in artikel 6, lid 1, alinea 3, b), van de Verordening (EG) nr. 1071/2009.

§ 6. Voor de toepassing van de bepalingen van paragraaf 1, eerste lid, 4°, wordt onder "sanctie" verstaan : elke betaling van een geldsom die de strafvordering doet vervallen, elke administratieve geldboete, alsook elke gelijkwaardige straf die is opgelegd in het buitenland.

§ 7. Eenieder die een strafrechtelijke veroordeling of een sanctie heeft opgelopen voor een inbreuk op de in paragraaf 1, eerste lid, 4°, bepaalde regelgevingen wordt, voor de toepassing van dit artikel, voor die inbreuk als gerehabiliteerd beschouwd na verloop van twee jaar of, in geval van wettelijke herhaling, na verloop van vier jaar.

De betrokken persoon of onderneming moet de geldstraf hebben betaald. Indien de straf is verjaard, dan kan hij voor die inbreuk enkel als gerehabiliteerd worden beschouwd wanneer de niet-uitvoering ervan niet aan hem is te wijten. De minister of zijn gemachtigde kan aan de betrokkene een bewijs van betaling vragen.

§ 8. Wanneer een onderneming, haar vervoersmanager of één van de personen belast met het dagelijks bestuur van de onderneming, een strafrechtelijke veroordeling of een sanctie heeft opgelopen wegens een in paragraaf 1, eerste lid, 4°, bepaalde ernstige inbreuk, beoordeelt de minister of zijn gemachtigde de betrouwbaarheid en bepaalt of het weigeren of het ontnemen van de betrouwbaarheidsstatus een onevenredige sanctie uitmaakt. Elke beslissing in die zin moet met redenen worden omkleed.

§ 9. Wanneer de vervoersmanager niet voldoet aan de voorwaarde van betrouwbaarheid, verklaart de minister of zijn gemachtigde hem ongeschikt om de vervoerswerkzaamheden te leiden van een onderneming waarop de Verordening (EG) nr. 1071/2009 rechtstreeks van toepassing is of waarop de toepassing van deze verordening werd uitgebreid.

Art. 9. De Koning bepaalt :

1° de bewijsmiddelen waarmee de betrouwbaarheid wordt aangetoond;

2° de termijn die wordt toegekend aan de onderneming om de in 1° bedoelde bewijsmiddelen over te leggen;

3° de periodiciteit van de controle van de betrouwbaarheidsstatus;

4° de regels betreffende de in artikel 8, § 8, bedoelde beoordeling van de betrouwbaarheid.

HOOFDSTUK 4. — Vakbekwaamheid

Art. 10. Een onderneming die niet voldoet aan de vereisten vermeld in artikel 3, lid 1, d), van de Verordening (EG) nr. 1071/2009, kan een vervoersmanager aanwijzen onder de voorwaarden bepaald bij artikel 4, lid 2, van deze verordening.

In dit geval mag de vervoersmanager voor niet meer dan vier ondernemingen worden aangewezen met een totaal wagenpark van maximaal vijftig voertuigen.

Het aantal ondernemingen waarin hij vervoersmanager is in de omstandigheden als bedoeld in artikel 4, lid 1, van de Verordening (EG) nr. 1071/2009 en het aantal op die ondernemingen betrekking hebbende voertuigen, moeten in mindering worden gebracht van de in het tweede lid voorziene maxima.

Voor de toepassing van het tweede en het derde lid dienen onder "ondernemingen" en "voertuigen" alle wegvervoersondernemingen en alle motorvoertuigen te worden verstaan waarop de Verordening (EG) nr. 1071/2009 rechtstreeks van toepassing is of waarop de toepassing van deze verordening werd uitgebreid.

Art. 11. Elke aanwijzing van een vervoersmanager, alsook elke wijziging in of beëindiging van de status van de aangewezen vervoersmanager, moet worden gemeld aan de minister of zijn gemachtigde.

Art. 12. Het getuigschrift van vakbekwaamheid wordt afgegeven door de minister of zijn gemachtigde aan elke natuurlijke persoon die geslaagd is voor het desbetreffende examen. Dit examen wordt georganiseerd door een examencommissie die door de minister wordt samengesteld.

Ter voorbereiding van het examen van vakbekwaamheid worden cursussen georganiseerd door de minister of zijn gemachtigde of door een of meer daartoe door de minister erkende opleidingsinstellingen. Onverminderd de bepalingen van het derde lid, is het volgen van deze cursussen niet verplicht.

De kandidaten die niet slagen bij hun eerste deelneming aan het examen van vakbekwaamheid en de in het tweede lid bedoelde cursussen niet gevolgd hebben, zijn verplicht deze cursussen te volgen vooraleer zich opnieuw voor het examen in te schrijven.

Art. 13. De Koning bepaalt :

1° de bewijsmiddelen waarmee de vakbekwaamheid wordt aangetoond, de termijn die eventueel aan de onderneming wordt toegekend om de bewijzen over te leggen en de periodiciteit van de controle van de vakbekwaamheidsstatus;

2° de selectiecriteria en de gewogen erkenningcriteria op basis waarvan de opleidingsinstellingen worden erkend door de minister;

3° de wijze waarop de erkenning wordt aangevraagd door de kandidaat-instellingen evenals de geldigheidsduur van de toegekende erkenning;

4° de eventuele bijkomende onderwerpen die, naast deze die zijn opgenomen in bijlage 1 van de Verordening (EG) nr.1071/2009, het voorwerp uitmaken van de cursussen en het examen;

5° de wijze waarop de cursussen en het examen worden georganiseerd;

6° de termijn die wordt toegestaan :

a) aan de vervoersmanager om aan de minister of zijn gemachtigde mee te delen dat zijn status in de onderneming is gewijzigd of geëindigd;
b) aan de onderneming om aan de minister of zijn gemachtigde mee te delen dat haar vervoersmanager overleden is of lichamelijk ongeschikt is geworden;
c) aan de onderneming om haar toestand te regulariseren nadat een van de gebeurtenissen bedoeld onder a) of b) heeft plaatsgevonden;

7° de eventuele vrijstellingen van de in artikel 12 bedoelde verplichtingen.

HOOFDSTUK 5. — Financiële draagkracht

Art. 14. Een onderneming voldoet aan de voorwaarde van financiële draagkracht wanneer zij aantoont, in functie van het aantal motorvoertuigen waarvoor gewaarmerkte afschriften van een nationale of communautaire vergunning werden aangevraagd of afgegeven, een hoofdelijke borgtocht te hebben gesteld zoals voorzien in artikel 7 van de Verordening (EG) nr. 1071/2009.

Art. 15. De Koning bepaalt :

1° de aard van de borgen die de borgtocht mogen stellen;

2° het model van de bewijzen van de borgtocht;

3° de bestemming van de borgtocht;

4° de regels inzake de aanspraak op de borgtocht;

5° de verplichtingen van de betrokken partijen in geval van afneming op de borgtocht en in geval van vermindering of opzegging van de borgtocht;

6° de regels inzake de bevrijding van de borg.

TITEL 3. — Vergunningen en bestuurdersattest

HOOFDSTUK 1. — Ondernemingen gevestigd in België

Art. 16. Onverminderd de eventuele krachtens artikel 6, derde lid, door de Koning vastgestelde bepalingen, moeten de in België gevestigde ondernemingen houdster zijn van een nationale of van een communautaire vergunning om met een motorvoertuig of een sleep de in artikel 2, eerste lid, 1° en 2°, bedoelde werkzaamheden te mogen verrichten.

Art. 17. § 1. Een nationale of communautaire vergunning is niet vereist voor een in een lidstaat van de Europese Unie, van de Europese Economische Ruimte of in Zwitserland ingeschreven motorvoertuig dat door een in België gevestigde onderneming wordt gebruikt in het kader van een gecombineerd vervoer tussen de lidstaten van de Europese Unie, van de Europese Economische Ruimte of Zwitserland waarvan het begin- of eindtraject over de weg geheel of gedeeltelijk op Belgisch grondgebied wordt afgelegd, voor zover de betrokken onderneming voldoet aan de door deze regelgeving gestelde voorwaarden om goederenvervoer over de weg tegen vergoeding te verrichten en voor zover de hierna vermelde bepalingen worden nageleefd :

1° bij het vervoer per spoor moet de verzending geschieden vanaf het geschikte station van inlading dat het dichtst bij de laadplaats van de goederen is gelegen tot aan het geschikte station van uitlading, dat het dichtst bij de losplaats is gelegen.Bij het vervoer over de waterwegen of over zee mag het begin- of eindtraject over de weg een afstand van ten hoogste honderdvijftig km, hemelsbreed gemeten, vanaf de rivier- of zeehaven van inlading of van uitlading, niet overschrijden; de lengte van het zeetraject moet meer dan honderd km, hemelsbreed gemeten, bedragen;

2° de in artikel 29 bedoelde vrachtbrief, moet worden aangevuld met opgave van de inschrijving van de gebruikte voertuigen alsook met opgave van de stations van in- en uitlading voor wat betreft het traject per spoor of met opgave van de rivierhavens van in- en uitlading voor wat betreft het traject over de waterwegen of met opgave van de zeehavens van in- en uitlading voor wat betreft het traject over zee.Deze vermeldingen worden aangebracht voordat het vervoer plaatsvindt en worden bevestigd door aanbrenging van de stempel van de spoor- of havenadministratie in het betrokken station of de betrokken rivier- of zeehaven, wanneer het gedeelte van het vervoer dat per spoor, over de waterwegen of over zee wordt afgelegd, is beëindigd.

Wanneer een aanhangwagen of oplegger toebehorend aan een onderneming die gecombineerd vervoer van goederen verricht voor eigen rekening, op het begin- of eindtraject wordt gesleept door een motorvoertuig toebehorend aan een onderneming die goederenvervoer tegen vergoeding verricht, wordt dit vervoer vrijgesteld van de in dit punt 2° bedoelde verplichtingen; het moet echter vergezeld gaan van een ander document waaruit het spoortraject of het over de waterwegen of over zee afgelegde traject blijkt.

§ 2. Op verzoek van de bevoegde ambtenaren moet de bestuurder die zich beroept op de in paragraaf 1 bedoelde vrijstelling van vergunning, het bewijs leveren dat het vervoer voldoet aan de specifieke voorwaarden die aan de ingeroepen vrijstelling zijn verbonden.

Art. 18. De ondernemingen die beschikken over een in artikel 4 van de Verordening (EG) nr. 1072/2009 bedoelde communautaire vergunning mogen zowel binnen als buiten de grenzen van het Belgische grondgebied de in artikel 2, eerste lid, 1° en 2°, bedoelde werkzaamheden verrichten.

De ondernemingen met een nationale vergunning mogen de in artikel 2, eerste lid, 1° en 2°, bedoelde werkzaamheden enkel op het Belgische grondgebied verrichten.

Art. 19. De in artikel 18 bedoelde nationale of communautaire vergunning wordt door de minister of zijn gemachtigde op aanvraag verleend aan de onderneming die voldoet aan de voorwaarden bepaald in de Verordeningen (EG) nrs. 1071/2009 en 1072/2009 en aan de in titel 2 van deze wet gestelde voorwaarden voor de toegang tot het beroep en de uitoefening ervan; deze vergunningen worden door de minister of zijn gemachtigde geweigerd of ingetrokken indien de onderneming niet of niet meer voldoet aan deze voorwaarden.

Art. 20. § 1. De nationale vergunning wordt afgegeven in de volgende vorm :

1° een origineel dat permanent in de Belgische vestiging van de onderneming moet worden bewaard;

2° een aantal door de minister of zijn gemachtigde gewaarmerkte afschriften dat overeenstemt met het aantal motorvoertuigen waarover de onderneming beschikt met inachtneming van de limieten van haar financiële draagkracht als bedoeld in artikel 14; een afschrift moet zich aan boord van elk motorvoertuig bevinden.

§ 2. De communautaire vergunning wordt afgegeven in de vorm bepaald overeenkomstig artikel 4 van de Verordening (EG) nr. 1072/2009.

§ 3. De Koning kan beslissen om elektronische nationale en communautaire vergunningen af te geven vanaf een datum die Hij vaststelt.

Art. 21. De in België gevestigde onderneming die een bestuurder op wettige wijze in dienst heeft dan wel op wettige wijze inzet die noch een onderdaan is van een lidstaat van de Europese Unie, van de Europese Economische Ruimte of van Zwitserland, noch een langdurig ingezetene is in de zin van richtlijn 2003/109/EG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen, mag de in artikel 2, eerste lid, 1° en 2°, bedoelde werkzaamheden met een motorvoertuig of een sleep enkel verrichten indien zij houdster is van de in artikel 4 van de Verordening (EG) nr. 1072/2009 bedoelde communautaire vergunning en van het in artikel 5 van diezelfde verordening bedoelde bestuurdersattest.

De Koning kan beslissen om elektronische bestuurdersattesten af te geven vanaf een datum die Hij vaststelt.

Art. 22. De Koning kan een termijn bepalen gedurende welke de nationale en communautaire vergunningen die het voorwerp van een intrekking zijn geweest, niet opnieuw kunnen worden afgegeven.

Art. 23. De houder van een nationale of communautaire vergunning of, in voorkomend geval, van een vergunning afgegeven krachtens artikel 6, derde lid, is ertoe gehouden, per gewaarmerkt afschrift van dergelijke vergunning, een jaarlijkse retributie te betalen ten bate van de vzw Instituut wegTransport en Logistiek België.

Deze retributie dekt de volgende tegenprestaties die door dit Instituut worden uitgevoerd :

1° het verrichten van studies en enquêtes die worden uitgevoerd enerzijds voor de bevordering van de concurrentiepositie van elke onderneming afzonderlijk en anderzijds voor de ontwikkeling van hun kwaliteitsniveau en de vrijwaring van de eerlijke concurrentie in de sector van het goederenvervoer over de weg;

2° de maandelijkse berekening van de evolutie van de kostprijs van de verschillende categorieën van vervoer (nationaal stukgoedvervoer, algemeen nationaal vervoer en algemeen internationaal vervoer), bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad, die het voor elke onderneming mogelijk maakt om haar vrachtprijzen permanent aan te passen;

3° een gedeeltelijke logistieke bijstand die aan de overheid wordt verleend in het kader van de aanmaak en de uitgifte van de vervoersvergunningen.

Voormelde retributie kan noch gedeeltelijk, noch volledig worden teruggevorderd.

HOOFDSTUK 2. — Ondernemingen gevestigd in een andere lidstaat van de Europese Unie, van de Europese Economische Ruimte of in Zwitserland

Art. 24. § 1. Geen gewaarmerkt afschrift van een communautaire vergunning of van een hiermee gelijkgestelde vergunning is vereist voor een in een lidstaat van de Europese Unie, van de Europese Economische Ruimte of in Zwitserland ingeschreven motorvoertuig dat door een in één van die Staten buiten België gevestigde onderneming wordt gebruikt in het kader van een gecombineerd vervoer tussen de lidstaten van de Europese Unie, van de Europese Economische Ruimte of Zwitserland waarvan het begin- of eindtraject over de weg geheel of gedeeltelijk op Belgisch grondgebied wordt afgelegd, voor zover de betrokken onderneming voldoet aan de door de regelgeving van het land van vestiging gestelde voorwaarden om vervoer van goederen tegen vergoeding over de weg te verrichten en voor zover de in artikel 17, § 1, vermelde bepalingen worden nageleefd.

§ 2. Op verzoek van de bevoegde ambtenaren moet de bestuurder die zich beroept op de in paragraaf 1 bedoelde vrijstelling van vergunning het bewijs leveren dat :

1° het vervoer voldoet aan de specifieke voorwaarden die aan de ingeroepen vrijstelling zijn verbonden;

2° de onderneming voldoet aan de door de regelgeving van het land van vestiging gestelde voorwaarden om vervoer van goederen over de weg tegen vergoeding te verrichten.

HOOFDSTUK 3. — Ondernemingen gevestigd buiten de Europese Unie, de Europese Economische Ruimte of Zwitserland

Art. 25. De ondernemingen die geen vestiging hebben in een lidstaat van de Europese Unie, van de Europese Economische Ruimte of in Zwitserland, mogen de Belgische grenzen overschrijden om er de in artikel 2, eerste lid, 1° en 2°, bedoelde werkzaamheden te verrichten, met uitzondering van cabotage, wanneer zij houdster zijn van een vergunning internationaal vervoer of een ermee gelijkgesteld document.

De in het eerste lid bedoelde vergunningen worden afgegeven op aanvraag, onder de volgende voorwaarden :

1° indien er een regeling van de Europese Unie bestaat of wanneer er bilaterale of multilaterale akkoorden werden gesloten door de Europese Unie of door de Koning, worden de vergunningen internationaal vervoer afgegeven overeenkomstig die regeling of die akkoorden;

2° bij afwezigheid van de in 1° bedoelde regeling of akkoorden, worden de vergunningen internationaal vervoer afgegeven voor zover :

a) de wederkerigheid wordt verleend door het land van vestiging van de betrokken vervoersonderneming;
b) de Koning de afgifte van de bedoelde vergunningen internationaal vervoer niet heeft opgeschort;
c) de afgifte ervan wordt gedaan binnen de perken en onder de voorwaarden vastgesteld door de Koning ter uitvoering van de wettelijke en reglementaire bepalingen betreffende de in-, uit- en doorvoer van goederen.

Art. 26. De ondernemingen die geen vestiging hebben in een lidstaat van de Europese Unie, van de Europese Economische Ruimte of in Zwitserland, mogen de Belgische grenzen overschrijden om er cabotage over de weg te verrichten wanneer zij houdster zijn van een cabotagevergunning of een ermee gelijkgesteld document.

De in het eerste lid bedoelde vergunningen worden afgegeven op aanvraag, overeenkomstig de communautaire regeling, of de bilaterale of multilaterale akkoorden betreffende het vervoer van goederen over de weg gesloten door de Europese Unie of door de Koning.

Art. 27. De in dit hoofdstuk bedoelde ondernemingen mogen geen in artikel 2, eerste lid, 1° en 2°, bedoelde werkzaamheden met een motorvoertuig uitoefenen op het Belgische grondgebied indien in het daartoe gebruikte motorvoertuig, geen origineel van een van de in artikelen 25 en 26 bedoelde vergunningen voorhanden is.

HOOFDSTUK 4. — Uitvoeringsbepalingen

Art. 28. De Koning bepaalt :

1° de gevallen waarvoor, bij gebrek aan wederkerigheid ten gunste van de in België gevestigde ondernemingen, ook een vergunning internationaal vervoer of een cabotagevergunning vereist is :

a) voor de aanhangwagens ingeschreven buiten de Europese Unie, de Europese Economische Ruimte of Zwitserland en die worden gebruikt om de Belgische grenzen te overschrijden, inbegrepen om er cabotage over de weg te verrichten;
b) voor de voertuigen ingeschreven buiten de Europese Unie, de Europese Economische Ruimte of Zwitserland en die worden gebruikt om de Belgische grenzen te overschrijden, inbegrepen om er cabotage over de weg te verrichten, ter gelegenheid van een vervoer van goederen over de weg verricht voor eigen rekening;

2° de documenten die kunnen worden gelijkgesteld met de vergunningen, alsook de voorwaarden van die gelijkstelling;

3° de eventuele vrijstellingen van de vergunning internationaal vervoer of van de cabotagevergunning onder een bepaald laadvermogen of maximaal toegestane massa van het motorvoertuig of de sleep;

4° de regels betreffende de afgifte, vervanging, vernieuwing en schrapping van de vergunningen en van het bestuurdersattest, rekening houdend met de bepalingen van de Verordeningen (EG) nrs.1071/2009 en 1072/2009;

5° de regels betreffende de weigering en intrekking van de vergunningen en van het bestuurdersattest rekening houdend met de bepalingen van de verordeningen (EG) nrs.1071/2009 en 1072/2009;

6° de geldigheidsvoorwaarden van de vergunningen en van het bestuurdersattest rekening houdend met de bepalingen van de Verordening (EG) nr.1072/2009;

7° het bedrag en de wijze van inning van de retributies;

8° het model van de in de artikelen 25 en 26 bedoelde vergunningen;

9° de eventuele statistische gegevens die door de ondernemingen moeten worden verstrekt.

TITEL 4. — Vrachtbrieven

Art. 29. § 1. Voor elke zending dient een vrachtbrief te worden opgemaakt overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 5 en 6 van het Verdrag betreffende de overeenkomst tot internationaal vervoer van goederen over de weg, afgekort C.M.R.-Verdrag, ondertekend te Genève op 19 mei 1956, en goedgekeurd bij wet van 4 september 1962, overeenkomstig de door België met het land van inschrijving van het voertuig gesloten akkoorden, alsook overeenkomstig de voorschriften van de verordening nr. 11 van 27 juni 1960 van de Raad van de Europese Economische Gemeenschap ter uitvoering van artikel 79, lid 3, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap betreffende de opheffing van discriminaties inzake vrachtprijzen en vervoervoorwaarden.

§ 2. Onverminderd de bepalingen van paragraaf 1, kan de Koning voor de in artikel 2, eerste lid, 1° en 2°, bedoelde werkzaamheden die worden verricht door in België gevestigde ondernemingen en voor het cabotagevervoer op het Belgische grondgebied :

1° bijkomende vermeldingen voorzien die op de vrachtbrieven moeten voorkomen;

2° het minimumaantal exemplaren bepalen waarin de vrachtbrieven moeten worden opgemaakt, alsook de bestemming van die exemplaren;

3° verplichte modellen van vrachtbrieven voorzien;

4° voorwaarden voor de afgifte van vrachtbrieven en de controle op die afgifte bepalen, alsook de afgifte van vrachtbrieven onderwerpen aan een machtiging.

TITEL 5. — Informatieplichten

Art. 30. § 1. Elke onderneming die een vergunning of een bestuurdersattest aanvraagt of die houdster is van een vergunning of van een bestuurdersattest, alsook haar aangestelden en lasthebbers, moeten aan de minister of zijn gemachtigde alle informatie en elk document verstrekken overeenkomstig de communautaire regelgeving, deze wet en haar uitvoeringsbesluiten.

De minister of zijn gemachtigde bepaalt binnen welke termijn de informatie of het document moet worden verstrekt.

§ 2. De minister of zijn gemachtigde mag aan de onderneming, haar aangestelden en lasthebbers geen inlichtingen vragen die reeds in het bezit zijn van een Belgische overheid en die hij rechtstreeks en kosteloos langs elektronische weg bij haar kan verkrijgen. Hij kan het niet rechtstreeks meedelen ervan niet meer ten laste leggen van de betrokkene.

Art. 31. Elke natuurlijke persoon en elke privaatrechtelijke of openbare rechtspersoon moet aan de minister of zijn gemachtigde elke inlichting en elk document verstrekken onder de voorwaarden bepaald in deze wet en haar uitvoeringsbesluiten, alsook elke andere inlichting en elk ander document die de minister of zijn gemachtigde noodzakelijk acht met het oog op de afgifte of het behoud van de vergunning of van het bestuurdersattest en dit binnen de termijn die hij bepaalt.

TITEL 6. — Controle

HOOFDSTUK 1. — Bevoegde ambtenaren

Art. 32. § 1. Het toezicht op de naleving van de communautaire regelgeving, deze wet en haar uitvoeringsbesluiten, alsook de opsporing en de vaststelling van de inbreuken op de communautaire regelgeving, deze wet en haar uitvoeringsbesluiten worden toevertrouwd aan :

1° de politieambtenaren van de federale en van de lokale politie;

2° de ambtenaren van de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer die behoren tot de dienst bevoegd voor het vervoer over de weg of tot de dienst bevoegd voor het vervoer van gevaarlijke goederen;

3° de ambtenaren van de Administratie van Douane en Accijnzen van de Federale Overheidsdienst Financiën.

§ 2. Het toezicht op de naleving van de voorschriften inzake het bestuurdersattest en de opsporing en de vaststelling van de inbreuken op deze voorschriften worden, behalve aan de in paragraaf 1 bedoelde ambtenaren, opgedragen aan :

1° de sociaal inspecteurs en de sociaal controleurs van de Sociale Inspectie van de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid;

2° de sociaal inspecteurs en de sociaal controleurs van de Inspectie van de sociale wetten van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg;

3° de sociaal inspecteurs en de sociaal controleurs van de Inspectie van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid;

4° de sociaal inspecteurs en de sociaal controleurs van de Inspectie van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening.

§ 3. De in de paragrafen 1 en 2 bedoelde ambtenaren die belast zijn met de opsporing en de vaststelling van de inbreuken op de communautaire regelgeving, deze wet en haar uitvoeringsbesluiten, worden bekleed met de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie.

Zij worden aangeduid door de Koning.

§ 4. De in paragraaf 3 bedoelde ambtenaren zijn belast met de uitvoering van de artikelen 38 en 39 voor zover zij daartoe individueel zijn gemachtigd door de procureur-generaal bij het hof van beroep van het rechtsgebied waar die ambtenaren hun standplaats hebben.

HOOFDSTUK 2. — Toezicht, opsporing en vaststelling van de inbreuken

Art. 33. § 1. De in artikel 32 bedoelde ambtenaren mogen zich toegang verschaffen tot alle voertuigen, zowel in het verkeer als geparkeerd, op de openbare weg of op voor het publiek toegankelijke plaatsen, indien zij op grond van de gedragingen van de bestuurder of passagier, op grond van materiële aanwijzingen of van omstandigheden van tijd of plaats, redelijke gronden hebben om te denken dat het voertuig wordt gebruikt om inbreuken te plegen op de bepalingen van de communautaire regelgeving, deze wet en haar uitvoeringsbesluiten.

In de in het eerste lid bedoelde omstandigheden mogen zij ook overgaan tot het doorzoeken van het voertuig voor zover het doorzoeken niet langer duurt dan de tijd vereist door de omstandigheden die het rechtvaardigen.

Het doorzoeken van een voertuig dat permanent als woning is ingericht en dat op het ogenblik van het doorzoeken daadwerkelijk als woning wordt gebruikt, wordt gelijkgesteld met huiszoeking.

§ 2. Met het oog op de controle op de naleving van de communautaire regelgeving, deze wet en haar uitvoeringsbesluiten, moet aan de in artikel 32 bedoelde ambtenaren toegang worden verleend tot de onroerende goederen die bestemd zijn voor de beroepswerkzaamheden van de vervoerders, hun opdrachtgevers en ieder die tussenkomt in de uitvoering van een vervoer van goederen.

Dit toegangsrecht kan slechts worden uitgeoefend tussen acht en achttien uur, tenzij de onroerende goederen uitsluitend voor beroepsdoeleinden bestemd zijn of tenzij kan worden vastgesteld dat er beroepswerkzaamheden aan de gang zijn. Het toegangsrecht moet steeds worden uitgeoefend in aanwezigheid van minstens één persoon die het feitelijk genot heeft over het onroerend goed of een door hem aangestelde persoon.

§ 3. De in artikel 32 bedoelde ambtenaren mogen een huiszoeking verrichten indien er aanwijzingen bestaan dat die maatregel de mogelijkheid biedt het bewijs van schuld vast te stellen van de persoon die ervan wordt verdacht een strafbaar feit te hebben gepleegd als bepaald in de communautaire regelgeving, deze wet en haar uitvoeringsbesluiten en mits, op straffe van nietigheid, voorafgaande toelating van de onderzoeksrechter. De toelating vermeldt de aard van het strafbare feit en de op te sporen zaken. De huiszoeking moet worden verricht tussen vijf uur en eenentwintig uur.

De bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek inzake het eenzijdig verzoekschrift zijn niet van toepassing op het verzoek om toelating tot huiszoeking.

De in het eerste lid vermelde toelating is niet vereist indien de persoon die het werkelijke genot heeft van de plaats schriftelijk en voorafgaandelijk zijn toestemming geeft.

De huiszoeking kan plaatsvinden in de woonplaats of in de verblijfplaats van de inverdenkinggestelde of van de persoon die ervan wordt verdacht een strafbaar feit te hebben gepleegd als bepaald in deze wet om er elk gegeven te zoeken dat kan dienen om de waarheid aan de dag te brengen of met het oog op inbeslagneming.

In voorkomend geval kan beroep worden gedaan op de federale en lokale politiediensten in geval van langdurige afwezigheid of tegen de weigering van de bewoner.

De verdachte wordt verzocht de huiszoeking bij te wonen. Indien de persoon afwezig is of geen vertegenwoordiger aanduidt, vindt de huiszoeking plaats in aanwezigheid van twee getuigen.

Van de huiszoeking wordt steeds een proces-verbaal opgesteld dat het precieze verloop van de werkzaamheden en het resultaat vermeldt.

§ 4. Op verzoek van een ambtenaar als bedoeld in artikel 32 :

1° moet het origineel van de nationale of de communautaire vergunning en, in voorkomend geval, de gewaarmerkte afschriften van de bestuurdersattesten, alsook de vrachtbrieven hem worden getoond in de vestiging van elke onderneming die een in artikel 2, eerste lid, 1° en 2°, bedoelde werkzaamheid uitoefent;

2° moet elke bestuurder van een voertuig dat wordt gebruikt om de in artikel 2, eerste lid, 1° en 2°, bedoelde werkzaamheden te verrichten, hem onmiddellijk tonen :

a.1. naargelang het geval, een gewaarmerkt afschrift van de nationale vergunning, een gewaarmerkt afschrift van de communautaire vergunning of het origineel van een vergunning internationaal vervoer of van een cabotagevergunning;

a.2. het origineel van het bestuurdersattest als bedoeld in artikel 5, lid 6, van de Verordening (EG) nr. 1072/2009;

b) in geval van huur of financieringshuur van het motorvoertuig :

b.1. het origineel of een afschrift van de overeenkomst inzake huur of financieringshuur van dit motorvoertuig;

b.2. indien de bestuurder niet zelf de huurder is :

— voor de loontrekkenden : ofwel het origineel of een afschrift van de arbeidsovereenkomst van de bestuurder, ofwel een recent loonstrookje, ofwel een uittreksel uit de "Dimona"-databank inzake de onmiddellijke aangifte van tewerkstelling;
— voor de zelfstandige bedrijfsleiders : ofwel het bewijs van hun aansluiting bij een sociale verzekeringskas, ofwel een uittreksel uit de Kruispuntbank van Ondernemingen of een uittreksel uit de bijlagen tot het Belgisch Staatsblad waaruit de bekendmaking van hun mandaat blijkt, ofwel een uittreksel uit het eRegister van wegvervoersondernemingen waaruit hun registratie als vervoersmanager blijkt;
— voor de zelfstandige helpers : het bewijs van hun aansluiting bij een sociale verzekeringskas;

c) indien het voertuig wordt gebruikt om de in artikel 2, eerste lid, 1°, bedoelde werkzaamheid te verrichten : de in artikel 29 bedoelde vrachtbrief;

d) indien het voertuig wordt gebruikt om de in artikel 8 van de Verordening (EG) nr.1072/2009 bedoelde cabotage te verrichten : de vrachtbrieven of andere begeleidende documenten :

i) van het laatst uitgevoerde grensoverschrijdende vervoer, waarvan de laatste losplaats op Belgisch grondgebied of op het grondgebied van een andere lidstaat van de Europese Unie of de Europese Economische Ruimte was gelegen;
ii) van alle eventuele cabotageritten, zowel op Belgisch grondgebied als op het grondgebied van andere lidstaten van de Europese Unie of van de Europese Economische Ruimte, die na dit grensoverschrijdend vervoer werden uitgevoerd;
iii) van de cabotagerit die desgevallend aan de gang is.

De bepalingen van het eerste lid, 2°, d), i) en ii) zijn niet van toepassing wanneer de cabotage wordt verricht door een in Nederland of in Luxemburg gevestigde onderneming.

De Koning kan de lijst van de in het eerste lid opgesomde documenten uitbreiden in geval Hij een vergunningenstelsel heeft vastgesteld als bedoeld in artikel 6, derde lid.

§ 5. De in artikel 32 bedoelde ambtenaren mogen voor de uitvoering van hun opdracht :

1° elke persoon identificeren, verhoren en oproepen voor verhoor.

De identiteitscontrole en het verhoor zijn alleen toegestaan bij personen van wie de ambtenaren redelijkerwijze kunnen vermoeden dat zij de in paragraaf 2, eerste lid, bedoelde werkzaamheden uitoefenen of wier verhoor zij nodig achten voor de uitvoering van hun opdracht; de ondervraging mag alleen betrekking hebben op feiten waarvan de kennisname dienstig is voor de uitvoering van hun opdracht;

2° alle informatiedragers onderzoeken die zich bevinden op de plaatsen die aan hun toezicht zijn onderworpen en die gegevens bevatten die ingevolge een wet dienen te worden opgemaakt, bijgehouden of bewaard, zelfs wanneer die ambtenaren niet zijn belast met het toezicht op die wetgeving, alsook kopieën nemen, onder welke vorm ook, van deze informatiedragers of van de informatie die zij bevatten, of zich deze kosteloos laten verstrekken door de onderneming, haar aangestelden of lasthebbers.Onder "informatiedragers" worden alle dragers van informatie verstaan zoals boeken, registers, documenten, digitale informatiedragers, schijven en banden. Het doorzoeken of kopiëren van digitale informatiedragers die door een paswoord zijn vergrendeld, is enkel mogelijk mits voorafgaande machtiging van de onderzoeksrechter.

§ 6. Alle diensten van de Staat, met inbegrip van de parketten en de griffies van de Hoven en van alle rechtscolleges, de diensten van de provincies, de gemeenten, de verenigingen van gemeenten en alle diensten van de openbare instellingen die ervan afhangen, alsook alle private personen, moeten aan de in artikel 32 bedoelde ambtenaren, op hun verzoek, alle inlichtingen verstrekken en hen alle akten, boeken, registers, documenten, schijven, banden en andere informatiedragers ter inzage voorleggen, met uitzondering van de inlichtingen en documenten die beschermd worden door een wettelijk beroepsgeheim alsook met uitzondering van de inlichtingen en documenten betreffende niet afgesloten gerechtelijke procedures, welke alleen mogen gegeven worden met toestemming van de procureur-generaal. Alle voornoemde diensten zijn ertoe gehouden de inlichtingen, uittreksels, afschriften, afdrukken en uitdraaien kosteloos te verstrekken.

§ 7. De in artikel 32 bedoelde ambtenaren mogen alleen beslag leggen op hetgeen noodzakelijk is om een inbreuk te bewijzen, om de zaken te bewaren die zijn verkregen uit de schending van de verplichting houder te zijn van een geldige vergunning of om de mededaders of medeplichtigen van de overtreders op te sporen.

Inbeslagneming kan gebeuren op de plaats waar zij hun ambt uitoefenen of waar zij een huiszoeking verrichten als bepaald in paragraaf 3.

Zij zijn, op straffe van nietigheid, gehouden hetgeen in beslag werd genomen of hetgeen hen vrijwillig wordt overhandigd door de personen die het in hun bezit hebben, te inventariseren. Proces-verbaal wordt opgemaakt van deze handelingen.

De in beslag genomen zaken worden neergelegd bij de griffie van de politierechtbank of, ingeval van misdrijf als bedoeld in de artikelen 41, § 4, en 42, bij de griffie van de correctionele rechtbank.

In geval van beslag op vorderingen, met uitzondering van rechten aan order of aan toonder, gebeurt het beslag door schriftelijke kennisgeving aan de schuldenaar. Zij wordt aan de schuldenaar verzonden bij ter post aangetekende brief, alsook per gewone brief. Deze brief bevat, behalve de referenties eigen aan de zaak, de tekst van het zevende lid van deze paragraaf, van artikel 1452 van het Gerechtelijk Wetboek en van artikel 28sexies of 61quater van het Wetboek van Strafvordering.

Het proces-verbaal wordt ter ondertekening aan de beslagene aangeboden, die kosteloos kopie van dit proces-verbaal kan ontvangen. In geval van beslag onder derden, hebben zowel de derde-beslagene als de beslagene recht op een kosteloze kopie. Aan de derde-beslagene wordt een document overhandigd dat de vermeldingen bepaald in het vijfde lid bevat.

Vanaf de ontvangst van de kennisgeving mag de derde-beslagene de sommen of zaken die het voorwerp zijn van het beslag, niet meer uit handen geven. Binnen de vijftien dagen na het beslag is de derde-beslagene verplicht om bij ter post aangetekende brief verklaring te doen van de sommen of zaken die het voorwerp zijn van het beslag, overeenkomstig artikel 1452 van het Gerechtelijk Wetboek. De derde-beslagene heeft recht op vergoeding van de kosten van de verklaring die als gerechtskosten worden beschouwd.

§ 8. De in dit artikel bedoelde onderzoeksdaden die worden gesteld in het kader van een gerechtelijk onderzoek zijn onderworpen aan de bepalingen van de artikelen 61 tot 61quinquies van het Wetboek van Strafvordering.

§ 9. De in artikel 32, § 3, bedoelde ambtenaren hebben steeds en uitsluitend in het kader van hun opdrachten, door middel van een geautomatiseerde verbinding, toegang tot de in het Strafregister opgenomen gegevens zoals bepaald in artikel 593 van het Wetboek van Strafvordering.

De Koning stelt de voorwaarden vast waaronder de in artikel 32, § 3, bedoelde ambtenaren toegang hebben tot de andere gegevensbanken die Hij bepaalt.

§ 10. De in artikel 32 bedoelde ambtenaren kunnen in de uitoefening van hun ambt de bijstand van de federale en lokale politie vorderen.

§ 11. Onverminderd het geheim van het strafonderzoek, kunnen de in artikel 32 bedoelde ambtenaren de inlichtingen die zij hebben ingewonnen bij hun onderzoek, meedelen aan alle ambtenaren die belast zijn met het toezicht op andere wetgevingen in zoverre die inlichtingen hen kunnen aanbelangen bij de uitoefening van hun opdrachten.

Art. 34. § 1. Uitgezonderd bij toepassing van artikel 38, sporen de ambtenaren bedoeld in artikel 32 de inbreuken op de communautaire regelgeving, deze wet en haar uitvoeringsbesluiten op; zij stellen die inbreuken vast door middel van processen-verbaal die bewijskracht hebben zolang het tegendeel niet is bewezen.

§ 2. Deze processen-verbaal worden toegezonden aan de procureur des Konings en, wanneer de vaststellingen niet zijn gebeurd op een openbare plaats, aan de ambtenaren bedoeld in artikel 48, § 1.

In laatstgenoemd geval beschikt de procureur des Konings over een termijn van drie maanden, te rekenen van de datum van ontvangst van het proces-verbaal, om aan de in artikel 48, § 1, bedoelde ambtenaren mee te delen dat :

1° er een opsporingsonderzoek of een gerechtelijk onderzoek werd geopend, of

2° de strafvervolging werd ingesteld, of

3° er toepassing is gemaakt van de artikelen 216bis of 216ter van het Wetboek van Strafvordering, of

4° de zaak werd geseponeerd om redenen die verband houden met de constitutieve bestanddelen van de inbreuk, of

5° de zaak werd geseponeerd om redenen die geen verband houden met de constitutieve bestanddelen van de inbreuk.

Een afschrift van de processen-verbaal wordt aan de overtreders gezonden binnen de vijftien dagen na vaststelling van de inbreuken.

§ 3. Paragraaf 2 is niet van toepassing op de processen-verbaal die worden opgesteld in het kader van een gerechtelijk onderzoek.

HOOFDSTUK 3. — Vervoer van goederen over de weg met een voertuig zonder geldige vergunning

Art. 35. § 1. Eenieder die vervoer van goederen over de weg verricht met een voertuig of een sleep zonder een geldige vergunning of een gelijkgesteld document, moet op verzoek van een ambtenaar als bedoeld in artikel 32, het bewijs kunnen leveren dat het gaat om :

1° ofwel een vervoer van goederen over de weg waarop deze wet en haar uitvoeringsbesluiten niet van toepassing zijn;

2° ofwel een vervoer van goederen over de weg tegen vergoeding met een voertuig of een sleep waarvoor, overeenkomstig deze wet en haar uitvoeringsbesluiten, geen vergunning vereist is.

§ 2. Elk vervoer van goederen over de weg tegen vergoeding verricht met een voertuig of een sleep waarvan de totale massa in beladen toestand of de afmetingen, met of zonder lading, hoger zijn dan de toegelaten normen, wordt beschouwd als zijnde verricht zonder geldige vergunning.

TITEL 7. — Sancties

HOOFDSTUK 1. — Administratieve maatregelen van ambtswege

Art. 36. § 1. Indien het in artikel 35 bedoelde bewijs niet kan worden geleverd, mag de ambtenaar bedoeld in artikel 32 die vaststelt dat een vervoer van goederen over de weg wordt verricht met een voertuig zonder geldige vergunning of gewaarmerkt afschrift van de vergunning of zonder een ermee gelijkgesteld document, of, in voorkomend geval, zonder geldig bestuurdersattest, zonder afbreuk te doen aan de bepalingen van artikel 34 :

1° de bestuurder verplichten om ofwel naar de plaats van lading terug te keren om het voertuig te lossen, ofwel om de lading ter plaatse over te laden op een voertuig waarvoor een vergunning werd afgegeven;in dat geval geschieden de terugkeer naar de plaats van lading, het lossen of het overladen, alsook de verrichtingen die ze vereisen, op kosten en risico van de overtreder; deze laatste blijft aansprakelijk voor de schade aan en het verlies van de geloste of overgeladen goederen, alsook voor de vertraging van hun levering;

2° overgaan, op kosten en risico van de overtreder, tot het ophouden van het voertuig totdat het lossen of overladen als bedoeld in 1° heeft plaatsgehad, of, in geval van afwezigheid van een geldig bestuurdersattest, totdat de bestuurder werd vervangen door een wettig tewerkgestelde of ter beschikking gestelde bestuurder.

§ 2. In geval van een behoorlijk vastgestelde inbreuk op artikel 8, leden 1 tot 3, van de Verordening (EG) nr. 1072/2009, mag de ambtenaar bedoeld in artikel 32, zonder afbreuk te doen aan de bepalingen van artikel 34, overgaan tot de maatregelen bepaald in paragraaf 1, 1° en 2°.

Art. 37. § 1. Vergunningen, gewaarmerkte afschriften van vergunningen of ermee gelijkgestelde documenten en bestuurdersattesten die het voorwerp zijn geweest van een beslissing tot intrekking en die in het bezit van de houder of zijn aangestelden worden gevonden, worden, tegen ontvangstbewijs, onmiddellijk in beslag genomen door de ambtenaren bedoeld in artikel 32 en overgezonden aan de minister of zijn gemachtigde.

§ 2. Vergunningen, gewaarmerkte afschriften van vergunningen of elk ermee gelijkgesteld document en bestuurdersattesten die in het bezit van een andere persoon dan de houder of zijn aangestelden worden gevonden, of die ongeldig zijn overeenkomstig de bepalingen van de communautaire regelgeving, deze wet of haar uitvoeringsbesluiten, alsook nagemaakte vergunningen en nagemaakte bestuurders-attesten, worden, tegen ontvangstbewijs, door de ambtenaren bedoeld in artikel 32 onmiddellijk in beslag genomen en, naargelang het geval, overgezonden aan de minister of zijn gemachtigde of neergelegd ter griffie van de correctionele rechtbank.

Voor de ondernemingen die een vestiging in België hebben, kunnen de in het eerste lid bedoelde documenten pas zestig dagen na de inbeslagneming worden teruggegeven, en dit op verzoek van de houder, behalve indien blijkt dat hem geen schuld kan worden verweten. In laatst vermeld geval worden de documenten teruggegeven zodra de minister of zijn gemachtigde tot de bevinding komt dat hem geen schuld treft.

De bepalingen van deze paragraaf zijn niet van toepassing wanneer de ongeldigheid van de vergunning te wijten is aan de overschrijding van de toegelaten massa's en afmetingen van de voertuigen of slepen.

HOOFDSTUK 2. — Inning en consignatie van een som bij de vaststelling van sommige inbreuken

Art. 38. § 1. Bij de vaststelling, op een openbare plaats, van een van de in artikel 41 bedoelde inbreuken, kan, indien het feit geen schade aan derden heeft veroorzaakt en met instemming van de overtreder, hetzij onmiddellijk, hetzij binnen een door de Koning bepaalde termijn, een som geïnd worden die niet hoger mag zijn dan het maximum van de geldboete die op deze inbreuk staat, vermeerderd met de opdeciemen.

§ 2. Door de betaling van de in paragraaf 1 vermelde som vervalt de strafvordering, tenzij het openbaar ministerie binnen de twee maanden, te rekenen vanaf de dag van de betaling, de betrokkene kennis geeft van zijn voornemen de strafvordering in te stellen.

De kennisgeving geschiedt bij een ter post aangetekende brief; zij wordt geacht te zijn gedaan de derde werkdag die volgt op die waarop de brief werd overhandigd aan de postdiensten, tenzij de geadresseerde het tegendeel bewijst.

§ 3. De bepalingen van dit artikel zijn niet van toepassing wanneer de inbreuk is begaan door één van de personen bedoeld in de artikelen 479 en 483 van het Wetboek van Strafvordering.

Art. 39. § 1. Indien de dader van de op een openbare plaats vastgestelde inbreuk geen woonplaats of vaste verblijfplaats in België heeft en de voorgestelde som niet onmiddellijk betaalt, moet hij aan de ambtenaren bedoeld in artikel 32 een som in consignatie geven, bestemd om de eventuele geldboete en de gerechtskosten te dekken.

§ 2. Het door de overtreder bestuurde voertuig wordt op zijn kosten en risico ingehouden tot de in paragraaf 1 vermelde som betaald is en het bewijs geleverd wordt dat de eventuele bewaringskosten van het voertuig betaald zijn.

§ 3. Indien de verschuldigde som niet betaald wordt binnen de zesennegentig uren, te rekenen vanaf de vaststelling van de inbreuk, mag de inbeslagneming van het voertuig door het openbaar ministerie bevolen worden.

Een bericht van inbeslagneming wordt binnen twee werkdagen aan de eigenaar van het voertuig gezonden.

De kosten en het risico voor het voertuig blijven tijdens de duur van de inbeslagneming ten laste van de overtreder.

De inbeslagneming wordt opgeheven nadat het bewijs is geleverd dat de som die in consignatie moet worden gegeven en de eventuele bewaringskosten van het voertuig zijn betaald.

§ 4. Indien de strafvordering tot veroordeling van de betrokkene leidt, zijn de volgende bepalingen van toepassing :

1° indien de aan de Staat verschuldigde gerechtskosten en de uitgesproken geldboete lager zijn dan de geïnde of in consignatie gegeven som, wordt het overschot aan de betrokkene terugbetaald;

2° indien het voertuig in beslag genomen is, gaat de administratie bevoegd voor het beheer van de Domeinen over tot de verkoop van het voertuig bij niet-betaling van de geldboete en de gerechtskosten binnen een termijn van veertig dagen vanaf de uitspraak van het vonnis;deze beslissing is uitvoerbaar niettegenstaande elk rechtsmiddel.

Indien de aan de Staat verschuldigde gerechtskosten, de uitgesproken geldboete en de eventuele bewaringskosten van het voertuig lager zijn dan de opbrengst van de verkoop, wordt het overschot aan de betrokkene terugbetaald.

§ 5. Als de betrokkene wordt vrijgesproken, wordt de geïnde of in consignatie gegeven som of het in beslag genomen voertuig teruggegeven; de gerechtskosten en eventuele bewaringskosten van het voertuig vallen ten laste van de Staat.

§ 6. Als de betrokkene voorwaardelijk is veroordeeld, wordt de geïnde of in consignatie gegeven som teruggegeven na aftrek van de gerechtskosten; het in beslag genomen voertuig wordt teruggegeven nadat de gerechtskosten betaald zijn en het bewijs is geleverd dat de eventuele bewaringskosten van het voertuig betaald zijn.

§ 7. De in consignatie gegeven som of het in beslag genomen voertuig wordt aan de betrokkene teruggegeven wanneer het openbaar ministerie beslist geen vervolging in te stellen of wanneer de strafvordering vervallen of verjaard is.

§ 8. Indien, bij toepassing van artikel 216bis van het Wetboek van Strafvordering, de door het openbaar ministerie vastgestelde som lager is dan de geïnde som, wordt het overschot aan de betrokkene terugbetaald.

Art. 40. De Koning bepaalt het bedrag van de te innen som bedoeld in artikel 38, § 1, en van de in consignatie te geven som bedoeld in artikel 39, § 1, alsook de wijze van inning.

HOOFDSTUK 3. — Strafbepalingen

Art. 41. § 1. Worden gestraft met geldboete van 50 euro tot 250 euro, vermeerderd met de opdeciemen, zij die de volgende bepalingen van deze wet of haar uitvoeringsbesluiten overtreden :

1° de krachtens artikel 28, 4° en 6°, door de Koning vastgestelde regels betreffende de afgifte, de vervanging, de vernieuwing, de schrapping en de geldigheid van de vergunningen en de bestuurdersattesten;

2° de krachtens artikel 15, 5°, door de Koning vastgestelde verplichtingen van de borgen in geval van afneming op de borgtocht en in geval van vermindering of opzegging van de borgtocht;

3° de eventueel krachtens artikel 28, 9°, door de Koning vastgestelde verplichting tot het verstrekken van statistische gegevens;

4° de door artikel 29 vastgestelde verplichting een vrachtbrief op te maken en de eventueel daarmee gepaard gaande bijkomende regels vastgesteld door de Koning.

§ 2. Onverminderd de artikelen 269 tot 274 van het Strafwetboek, worden gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot zes maanden en met geldboete van 1.250 euro tot 50.000 euro, vermeerderd met de opdeciemen, of met een van deze straffen alleen, zij die op enigerlei wijze het toezicht op de naleving van de communautaire regelgeving, deze wet en haar uitvoeringsbesluiten belemmeren of verhinderen.

§ 3. Worden gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot één jaar en met geldboete van 500 euro tot 50.000 euro, vermeerderd met de opdeciemen, of met één van deze straffen alleen, zij die de volgende bepalingen van de communautaire regelgeving, deze wet en haar uitvoeringsbesluiten overtreden :

1° de verplichting houder te zijn van een geldige vergunning en van een geldig bestuurdersattest overeenkomstig de artikelen 3, 4 en 5 van de Verordening (EG) nr.1072/2009, de artikelen 16, 18, 21 en 27 van deze wet, evenals, in de door de Koning bepaalde gevallen, krachtens artikel 6, derde lid en artikel 28, 2° van deze wet;

2° de bij artikel 4 van de Verordening (EG) nr.1071/2009 en de eventuele krachtens artikel 6, tweede lid,van deze wet vastgestelde voorschriften inzake de vervoersmanager;

3° de meldingsplicht als bedoeld in artikel 11 en de krachtens artikel 13, 6°, a) en b), door de Koning vastgestelde termijnen inzake de vervoersmanager;

4° de verplichting houder te zijn van een geldige communautaire vergunning en een geldig bestuurdersattest om cabotage te verrichten overeenkomstig artikel 8, lid 1, van de Verordening (EG) nr.1072/2009;

5° de door artikel 8, leden 2 en 3, van de Verordening (EG) nr.1072/2009 vastgestelde regels betreffende de voorwaarden waaronder cabotage mag worden verricht;

6° de krachtens artikel 28, 5°, door de Koning vastgestelde verplichting om de vergunningen en de bestuurdersattesten terug te geven die het voorwerp hebben uitgemaakt van een beslissing tot intrekking;

7° de verplichting inlichtingen of documenten te verstrekken overeenkomstig de artikelen 30, § 1 of 31.

§ 4. Worden gestraft met gevangenisstraf van drie maanden tot drie jaar en veroordeeld tot ontzetting van hun rechten overeenkomstig artikel 33 van het Strafwetboek, zij die een vergunning of bestuurdersattest namaken of van een nagemaakte vergunning of bestuurdersattest gebruik maken.

Art. 42. § 1. Zonder afbreuk te doen aan de toepassing van zwaardere straffen voorzien in het Strafwetboek, worden gestraft met een gevangenisstraf van één maand tot twee jaar en met geldboete van 1.000 euro tot 20.000 euro, vermeerderd met de opdeciemen, zij die willens en wetens onjuiste of onvolledige inlichtingen hebben verstrekt of hebben doen verstrekken of zij die willens en wetens onjuiste of onvolledige verklaringen hebben gedaan om een vergunning of een bestuurdersattest voor zichzelf of voor een ander te verkrijgen of te behouden.

§ 2. De verstrekking door gebrek aan voorzichtigheid of voorzorg van de in paragraaf 1 bedoelde inlichtingen of verklaringen wordt bestraft met geldboete van 50 euro tot 500 euro, vermeerderd met de opdeciemen.

§ 3. De verjaring van de strafvordering vangt aan vanaf het einde van het gebruik van de vergunning of het bestuurdersattest die werd verkregen of behouden door middel van het verstrekken van de in paragraaf 1 bedoelde inlichtingen of verklaringen.

§ 4. De rechter die een persoon veroordeelt, zelfs voorwaardelijk, als dader van of als medeplichtige aan het in paragraaf 1 bedoelde strafbare feit, kan zijn veroordeling gepaard doen gaan met het verbod om, persoonlijk of door een tussenpersoon, het beroep van wegvervoerondernemer als bedoeld in artikel 11, § 9, uit te oefenen, of, in voorkomend geval, van het verbod om zijn getuigschrift of bewijs van vakbekwaamheid voor een in artikel 11, § 9, bedoelde wegvervoeronderneming te doen gelden voor een periode van ten minste één jaar en maximum drie jaar.

§ 5. Elke overtreding van het in paragraaf 4 gestelde verbod wordt bestraft met gevangenisstraf van drie maanden tot één jaar en met geldboete van 1.000 euro tot 10.000 euro, vermeerderd met de opdeciemen.

Art. 43. § 1. Worden gestraft met de straffen bepaald in artikel 41, § 3 :

1° volgens het geval, de opdrachtgever, de vervoerscommissionair of de commissionair-expediteur indien zij, op het ogenblik van het sluiten van de overeenkomst voor het vervoer van goederen waarop de communautaire regelgeving, deze wet en haar uitvoeringsbesluiten van toepassing zijn, hebben nagelaten, zelfs door gebrek aan voorzichtigheid of voorzorg, zich ervan te vergewissen dat de vervoersonderneming beschikt over een geldige vergunning;

2° de verlader indien hij, vóór de uitvoering van een vervoer van goederen waarop de communautaire regelgeving, deze wet en haar uitvoeringsbesluiten van toepassing zijn, heeft nagelaten, zelfs door gebrek aan voorzichtigheid of voorzorg, zich ervan te vergewissen dat een gewaarmerkt afschrift van de vergunning werd afgegeven.

§ 2. De verlader wordt gestraft met de straffen bepaald in artikel 41, § 1, indien hij, vóór de uitvoering van een vervoer van goederen waarop de communautaire regelgeving, deze wet en haar uitvoeringsbesluiten van toepassing zijn, heeft nagelaten, zelfs door gebrek aan voorzichtigheid of voorzorg, zich ervan te vergewissen dat de vereiste vrachtbrief werd opgemaakt.

§ 3. De opdrachtgever, de verlader, de vervoerscommissionair of de commissionair-expediteur van een vervoer van goederen waarop de communautaire regelgeving, deze wet of haar uitvoeringsbesluiten van toepassing zijn, worden op dezelfde wijze gestraft als de daders van de hierna genoemde inbreuken indien zij instructies hebben gegeven of daden hebben gesteld die tot deze inbreuken hebben geleid :

1° de overschrijding van de toegelaten massa's en afmetingen van de voertuigen of slepen;

2° de niet-naleving van de voorschriften betreffende de veiligheid van de lading van de voertuigen;

3° de niet-naleving van de voorschriften betreffende de rij- en rusttijden van de bestuurders van voertuigen;

4° de overschrijding van de toegestane maximumsnelheid van de voertuigen;

5° de niet-naleving van de voorschriften inzake cabotage over de weg.

§ 4. De vervoerder, de opdrachtgever, de vervoerscommissionair of de commissionair-expediteur worden gestraft met de straffen bepaald in artikel 41, § 3, indien zij een vervoer hebben aangeboden, verricht of laten verrichten, tegen een ongeoorloofd lage prijs.

Onder "ongeoorloofd lage prijs" dient te worden verstaan een prijs die onvoldoende is om tegelijkertijd te dekken :

— de niet te vermijden posten van de kostprijs van het voertuig, in het bijzonder de afschrijving of de huur, de banden, de brandstof en het onderhoud;

— de kosten voortvloeiende uit wettelijke of reglementaire verplichtingen, in het bijzonder sociale, fiscale, verzekerings- en veiligheidskosten;

— de kosten voortvloeiende uit het bestuur en de leiding van de onderneming.

Art. 44. De houder van een nationale of communautaire vergunning of, in voorkomend geval, van een krachtens artikel 6, derde lid, afgegeven vergunning, die nalaat de in artikel 23 bedoelde retributies te betalen, wordt gestraft met een geldboete gelijk aan tienmaal het bedrag van de niet betaalde retributies.

Art. 45. § 1. Alle bepalingen van boek I van het Strafwetboek, waaronder hoofdstuk VII en artikel 85, zijn van toepassing op alle in dit hoofdstuk bepaalde inbreuken.

§ 2. Onverminderd de bepalingen van artikel 56 van het Strafwetboek, mag de straf in geval van herhaling binnen de twee jaar na de veroordeling echter niet lager zijn dan het dubbele van de straf die vroeger wegens dezelfde inbreuk werd uitgesproken, tenzij de rechter van oordeel is dat er verzachtende omstandigheden kunnen in aanmerking worden genomen.

§ 3. Bij veroordeling wegens vervoer van goederen tegen vergoeding verricht met een voertuig waarvoor geen vergunning of bestuurdersattest werd afgegeven overeenkomstig de bepalingen van de communautaire regelgeving, deze wet en haar uitvoeringsbesluiten :

1° kan de rechter de verbeurdverklaring of de tijdelijke vastlegging van het voertuig bevelen;bij tijdelijke vastlegging bepaalt de rechter hoe lang die zal duren en op welke plaats het voertuig, op kosten en op risico van de eigenaar, aan de ketting zal worden gelegd;

2° worden de schadevergoedingen toegekend aan de burgerlijke partij, bevoorrecht op het voertuig dat voor het plegen van het misdrijf heeft gediend.Dit voorrecht neemt rang in onmiddellijk na het voorrecht bedoeld in artikel 20, 5°, van de hypotheekwet van 16 december 1851.

§ 4. In afwijking van artikel 43, eerste lid, van het Strafwetboek kan de verbeurdverklaring van het voertuig wegens inbreuk op de communautaire regelgeving, deze wet en haar uitvoeringsbesluiten slechts in het in paragraaf 3 bepaalde geval worden uitgesproken.

§ 5. De politierechtbanken zijn bevoegd om kennis te nemen van de in artikel 41, §§ 1, 2 en 3, en de in de artikelen 43 en 44 bedoelde misdrijven.

HOOFDSTUK 4. — Administratieve geldboetes

Art. 46. § 1. Onder de in dit artikel bepaalde voorwaarden kan aan degenen die de communautaire regelgeving, deze wet en haar uitvoeringsbesluiten overtreden, wanneer de vaststelling van de inbreuk niet is gebeurd op een openbare plaats, een administratieve geldboete worden opgelegd :

1° van 250 euro tot 1.250 euro voor de niet-naleving van :

a) de krachtens artikel 28, 4° en 6°, van deze wet, door de Koning vastgestelde regels betreffende de afgifte, de vervanging, de vernieuwing, de schrapping en de geldigheid van de vergunningen en de bestuurdersattesten;
b) de krachtens artikel 15, 5°, door de Koning vastgestelde verplichtingen van de borgen in geval van afneming op de borgtocht en in geval van vermindering of opzegging van de borgtocht;
c) de eventueel krachtens artikel 28, 9°, door de Koning vastgestelde verplichting tot het verstrekken van statistische gegevens;
d) de door artikel 29 vastgestelde verplichting een vrachtbrief op te maken en de eventueel daarmee gepaard gaande bijkomende regels vastgesteld door de Koning;
e) de in artikel 43, § 2, bedoelde verplichting van de verlader om zich ervan te vergewissen dat de vereiste vrachtbrief werd opgemaakt;

2° van 2.500 euro tot 250.000 euro voor de niet-naleving van :

a) de verplichting houder te zijn van een geldige vergunning en van een geldig bestuurdersattest overeenkomstig de artikelen 3, 4 en 5 van de Verordening (EG) nr.1072/2009 en overeenkomstig of krachtens de artikelen 6, derde lid, 16, 18 en 21 van deze wet;
b) de bij artikel 4 van de Verordening (EG) nr.1071/2009 en de eventuele krachtens artikel 6, tweede lid, van deze wet door de Koning vastgestelde voorschriften inzake de vervoersmanager;
c) de meldingsplicht als bedoeld in artikel 11 en de krachtens artikel 13, 6°, a) en b), door de Koning vastgestelde termijnen inzake de vervoersmanager;
d) de krachtens artikel 28, 5°, door de Koning vastgestelde verplichting om de vergunningen of de bestuurdersattesten terug te geven die het voorwerp hebben uitgemaakt van een beslissing tot intrekking;
e) de verplichting inlichtingen of documenten te verstrekken overeenkomstig de artikelen 30, § 1 of 31;
f) het verbod om op enigerlei wijze het toezicht op de naleving van de communautaire regelgeving, deze wet en haar uitvoeringsbesluiten te belemmeren of verhinderen;
g) de verplichtingen van de opdrachtgever, de verlader, de vervoerscommissionair of de commissionair-expediteur, naargelang het geval, overeenkomstig artikel 43, §§ 1 en 3, 5° ;
h) het verbod voor de vervoerder, de opdrachtgever, de vervoerscommissionair en de commissionair-expediteur een vervoer aan te bieden, te verrichten of te laten verrichten tegen een ongeoorloofd lage prijs, overeenkomstig artikel 43, § 4;

3° van vijfmaal het minimumbedrag tot vijfmaal het maximumbedrag van de strafrechtelijke geldboete, de opdeciemen niet inbegrepen, vastgesteld in de betrokken regelgevingen voor inbreuken als bedoeld in artikel 43, § 3, 1° tot 4° : wanneer als opdrachtgever, verlader, vervoerscommissionair of commissionair-expediteur instructies werden gegeven of daden werden gesteld die tot die inbreuken hebben geleid;

4° van negenmaal het bedrag van de niet betaalde retributies, wanneer wordt nagelaten de in artikel 23 bedoelde retributies te betalen als houder van een nationale of communautaire vergunning of, in voorkomend geval, van een krachtens artikel 6, derde lid, afgegeven vergunning.

§ 2. De ambtenaren bedoeld in artikel 48, § 1, kunnen, wanneer verzachtende omstandigheden aanwezig zijn, een administratieve geldboete opleggen die lager is dan de in paragraaf 1 vermelde minimumbedragen.

In geval van hoger beroep overeenkomstig artikel 50 heeft de rechtbank dezelfde bevoegdheid.

§ 3. Bij samenloop van verscheidene in paragraaf 1 bedoelde inbreuken worden de bedragen van de administratieve geldboeten samengevoegd, zonder dat zij het dubbele van het maximumbedrag van de zwaarste administratieve geldboete mogen overschrijden.

§ 4. Bij herhaling binnen de twee jaar volgend op een beslissing die een administratieve geldboete oplegt of op een strafrechtelijke veroordeling op grond van deze wet, mag de nieuwe administratieve geldboete niet lager zijn dan het dubbele van de geldboete die vroeger wegens een zelfde inbreuk werd opgelopen tenzij de ambtenaar van oordeel is dat er verzachtende omstandigheden kunnen in aanmerking genomen worden.

Art. 47. De overtreding van de communautaire regelgeving, deze wet en haar uitvoeringsbesluiten als bedoeld in artikel 46, § 1, wordt vervolgd door middel van een administratieve geldboete, tenzij het openbaar ministerie oordeelt dat, rekening houdend met de ernst van de inbreuk en, in voorkomend geval, rekening houdend met de vermogensvoordelen die zijn verkregen uit de inbreuk, de strafvervolging moet worden ingesteld.

Strafvervolging sluit het opleggen van een administratieve geldboete uit, ook wanneer de vervolging tot vrijspraak leidt.

De administratieve geldboete kan worden opgelegd samen met andere administratieve sancties.

Art. 48. § 1. De administratieve geldboete wordt opgelegd door de ambtenaren die hiertoe door de minister worden benoemd. De Koning bepaalt de voorwaarden waaraan die ambtenaren moeten voldoen.

De ambtenaren die zetelen in een orgaan waarin vertegenwoordigers van de sector van het goederenvervoer zetelen en dat een adviserende bevoegdheid of een beslissingsbevoegdheid heeft inzake de weigering of de intrekking van vergunningen, alsook de ambtenaren die de in artikel 46, § 1, vermelde inbreuken hebben vastgesteld, kunnen geen administratieve geldboete opleggen.

§ 2. De in paragraaf 1 bedoelde ambtenaren hebben, uitsluitend met het oog op de oplegging van de administratieve geldboetes, door middel van een geautomatiseerde verbinding, kosteloos toegang tot de gegevens van het Centraal Strafregister, met uitzondering van :

1° de veroordelingen en beslissingen opgesomd in artikel 593, 1° tot 4°, van het Wetboek van Strafvordering;

2° de arresten van herstel in eer en rechten en de veroordelingen waarop dat herstel in eer en rechten betrekking heeft;

3° de beslissingen tot opschorting van de uitspraak van de veroordeling en tot probatieopschorting;

4° de beslissingen die veroordelen tot een werkstraf overeenkomstig artikel 37ter van het Strafwetboek.

De in paragraaf 1 bedoelde ambtenaren hebben geen toegang meer tot gegevens betreffende veroordelingen tot een gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden, veroordelingen bij eenvoudige schuldigverklaring, veroordelingen tot een geldboete van ten hoogste 500 euro en veroordelingen tot een geldboete, ongeacht het bedrag ervan, die is opgelegd krachtens het koninklijk besluit van 16 maart 1968 tot coördinatie van de wetten betreffende de politie over het wegverkeer, na een termijn van drie jaar te rekenen vanaf de dag van de rechterlijke eindbeslissing waarbij zij zijn uitgesproken.

De in paragraaf 1 bedoelde ambtenaren hebben enkel toegang tot de gegevens van de veroordelingen die het bezoldigd vervoer van goederen over de weg en het namaken en de gebruikmaking van nagemaakte biljetten voor goederenvervoer betreffen, zoals bedoeld in de nomenclatuur van de overtredingen gebruikt door het Centraal Strafregister.

De gegevens verkregen overeenkomstig dit artikel mogen uitsluitend worden aangewend om de door of krachtens deze wet bepaalde taken uit te voeren. Zij mogen niet aan derden worden meegedeeld.

Voor de toepassing van het vierde lid worden niet als derden beschouwd :

1° de personen op wie die gegevens betrekking hebben of hun wettelijke vertegenwoordigers;

2° de door of krachtens de wet gemachtigde personen om het dossier te raadplegen waarin deze gegevens zouden kunnen voorkomen;

3° de door of krachtens de wet aangewezen personen, overheden en diensten die toegang hebben tot de gegevens van het Centraal Strafregister, voor zover het gaat om gegevens die hen op grond van hun aanwijzing en in het kader van hun onderlinge betrekkingen tijdens de uitoefening van hun wettelijke en reglementaire bevoegdheden mogen worden meegedeeld.

De in paragraaf 1 bedoelde ambtenaren verbinden zich er schriftelijk toe te waken over de veiligheid en de vertrouwelijkheid van de gegevens waartoe zij toegang hebben.

Artikel 458 van het Strafwetboek is van overeenkomstige toepassing.

De lijst van ambtenaren, met vermelding van hun graad en betrekking, die toegang hebben tot het Centraal Strafregister, wordt jaarlijks opgemaakt en toegezonden aan de Dienst Centraal Strafregister.

De gegevens die bij toepassing van dit artikel worden ingewonnen of ontvangen, worden vernietigd onmiddellijk nadat de beslissing tot oplegging van de administratieve geldboete definitief is geworden, of ingeval van beroep bij de rechtbank, onmiddellijk na het vonnis.

§ 3. Nadat de procureur des Konings de in artikel 34, § 2, tweede lid, 5°, bedoelde mededeling heeft gedaan of wanneer hij geen van de mededelingen als bedoeld in artikel 34, § 2, tweede lid, heeft gedaan binnen de daartoe voorziene termijn, geven de in paragraaf 1 bedoelde ambtenaren bij ter post aangetekende brief, vergezeld van een afschrift van het in artikel 34, § 1, bedoelde proces-verbaal, aan de betrokkene kennis van de feiten waarvoor een administratieve geldboete kan worden opgelegd, van het recht om zijn dossier te raadplegen en zich te laten bijstaan door een raadsman, alsook van de mogelijkheid om schriftelijk zijn verweermiddelen te doen geworden en dit, op straffe van onontvankelijkheid, binnen een termijn van dertig dagen die begint te lopen vanaf de derde werkdag die volgt op de dag waarop de brief werd overhandigd aan de postdiensten.

De in paragraaf 1 bedoelde ambtenaren stellen de betrokkene bij ter post aangetekende brief in kennis van hun beslissing.

De beslissing bepaalt het bedrag van de geldboete en bevat de bepalingen van artikel 50. De brief bevat eveneens een verzoek om betaling van de boete binnen de door de Koning bepaalde termijn. De geldboete staat in verhouding tot de ernst van de feiten die haar verantwoorden en, in voorkomend geval, tot de vermogensvoordelen die uit de inbreuk zijn verkregen.

De kennisgeving van de beslissing doet de strafvordering vervallen.

De betaling van de geldboete maakt een einde aan de vordering van de administratie.

§ 4. Er kan geen administratieve geldboete worden opgelegd na verloop van vijf jaar te rekenen vanaf de dag waarop de in artikel 46, § 1, bedoelde inbreuk werd begaan.

De daden van onderzoek of van vervolging verricht binnen de in het eerste lid gestelde termijn, met inbegrip van de kennisgeving van het openbaar ministerie over het al dan niet instellen van de strafvervolging en de kennisgeving van de in paragraaf 3, eerste lid, bedoelde mogelijkheid om verweermiddelen naar voor te brengen, stuiten de loop van de in het eerste lid bedoelde verjaring. Met die daden begint een nieuwe termijn van gelijke duur te lopen, ook ten aanzien van personen die daarbij niet betrokken waren.

Art. 49. § 1. In dezelfde beslissing waarin zij een administratieve geldboete opleggen, kunnen de in artikel 48, § 1, bedoelde ambtenaren geheel of gedeeltelijk uitstel van de tenuitvoerlegging van de betaling van die geldboete toekennen.

Het uitstel is enkel mogelijk indien de in artikel 48, § 1, bedoelde ambtenaren aan de overtreder geen andere administratieve geldboete hebben opgelegd of indien er geen strafrechtelijke veroordeling is geweest op grond van deze wet in de periode van één jaar voorafgaand aan de datum van de inbreuk.

Het uitstel geldt voor een proefperiode van één jaar die ingaat op de datum van de kennisgeving van de beslissing tot oplegging van de administratieve geldboete.

Het uitstel wordt van rechtswege herroepen wanneer tijdens de proefperiode een nieuwe inbreuk van hetzelfde of van een hoger niveau wordt gepleegd en die nieuwe inbreuk leidt tot een beslissing tot de oplegging van een nieuwe administratieve geldboete of tot een strafrechtelijke veroordeling.

Het uitstel kan ook worden herroepen wanneer een nieuwe inbreuk van een lager niveau tijdens de proefperiode wordt gepleegd en deze nieuwe inbreuk leidt tot een beslissing tot oplegging van een nieuwe administratieve geldboete of tot een strafrechtelijke veroordeling.

Om te bepalen of een inbreuk van een lager niveau, van hetzelfde niveau of van een hoger niveau is, dienen de maximumbedragen van de administratieve geldboeten voor die inbreuken te worden vergeleken.

Het uitstel wordt herroepen in dezelfde beslissing waarin een administratieve geldboete wordt opgelegd voor de nieuwe inbreuk gepleegd tijdens de proefperiode.

De administratieve geldboete waarvan de betaling uitvoerbaar wordt door de herroeping van het uitstel, wordt samengevoegd met die welke wordt opgelegd voor de nieuwe inbreuk.

In geval van hoger beroep, overeenkomstig artikel 50, tegen de beslissing van de in artikel 48, § 1, bedoelde ambtenaren, heeft de rechtbank dezelfde bevoegdheid.

§ 2. Indien degene die de administratieve geldboete verschuldigd is, in gebreke blijft om de geldboete te betalen binnen de door de Koning bepaalde termijn, wordt de beslissing overgezonden aan de Administratie van het kadaster, de registratie en domeinen met het oog op haar invordering overeenkomstig artikel 3 van de domaniale wet van 22 december 1949.

§ 3. De Koning stelt de termijn en de regels vast voor de betaling van de administratieve geldboeten opgelegd door de in artikel 48, § 1, bedoelde ambtenaren.

Art. 50. Degene die de in artikel 48, § 3, bedoelde beslissing betwist, kan, op straffe van verval, binnen de maand vanaf de kennisgeving, door middel van een verzoekschrift beroep instellen bij de politierechtbank. Het beroep schorst de uitvoering van de beslissing.

Tegen de beslissing van de politierechtbank staat geen hoger beroep open.

TITEL 8. — Vervoersovereenkomst

Art. 51. § 1. De bepalingen van artikel 1, punten 2 en 3, alsook van de artikelen 2 tot en met 41 van het Verdrag betreffende de overeenkomst tot internationaal vervoer van goederen over de weg, afgekort CMR-Verdrag, ondertekend te Genève op 19 mei 1956 en goedgekeurd door de wet van 4 september 1962, alsook de bepalingen van het Protocol bij het bovengenoemde verdrag, ondertekend te Genève op 5 juli 1978 en goedgekeurd door de wet van 25 april 1983, zijn ook van toepassing op het nationaal vervoer van goederen over de weg.

In afwijking van de bepalingen van het eerste lid, kan de Koning beslissen dat artikel 6 van voormeld CMR-Verdrag niet van toepassing is op de nationale transporten van goederen over de weg die Hij bepaalt.

§ 2. De artikelen 1 tot en met 7 en 9 van de wet van 25 augustus 1891 houdende herziening van de titel van het Wetboek van koophandel betreffende de vervoerovereenkomst zijn niet van toepassing op het vervoer van goederen over de weg.

§ 3. De bepalingen van de paragrafen 1 en 2 zijn niet van toepassing op :

1° postvervoer verricht in het kader van een universele dienst;

2° begrafenisvervoer;

3° verhuizingen.

§ 4. De regresvorderingen ontstaan uit de overeenkomst tot vervoer van goederen over de weg moeten, op straffe van verval, worden ingesteld binnen een termijn van één maand te rekenen vanaf de dagvaarding die aanleiding geeft tot recht van regres.

§ 5. Voor de toepassing van deze titel, wordt de vervoerscommissionair gelijkgesteld met een vervoerder, wat zijn contractuele verplichtingen en verantwoordelijkheden betreft.

TITEL 9. — Overlegcomité goederenvervoer over de weg

Art. 52. § 1. Een overleg- en adviesorgaan wordt ingesteld bij het bestuur dat bevoegd is voor het goederenvervoer over de weg, onder de benaming Overlegcomité goederenvervoer over de weg.

§ 2. Het Overlegcomité goederenvervoer over de weg bestaat uit vertegenwoordigers van het bestuur dat bevoegd is voor het goederenvervoer over de weg en uit vertegenwoordigers van de representatieve organisaties van de vervoersondernemers en van de in de vervoersondernemingen tewerkgestelde werknemers.

§ 3. De doelstellingen van het Overlegcomité goederenvervoer over de weg zijn :

1° de minister of zijn gemachtigde in staat stellen om de in paragraaf 2 bedoelde beroeps- en vakverenigingen te informeren over elke kwestie die de sector van het goederenvervoer over de weg kan interesseren en daarover te overleggen;

2° de in paragraaf 2 bedoelde beroeps- en vakverenigingen in staat stellen om de problemen van de sector die zij vertegenwoordigen voor te leggen aan de minister of aan de betrokken ministeriële departementen en daarover te overleggen;

3° op eigen initiatief of op verzoek van de minister of zijn gemachtigde, aan deze laatste een gemotiveerd advies geven over elke kwestie in verband met het goederenvervoer over de weg;

4° op verzoek van de minister of zijn gemachtigde, een gemotiveerd advies geven ter beoordeling van de betrouwbaarheid als bedoeld in artikel 8, § 8.

§ 4. Om de in paragraaf 3 gestelde doelstellingen te bereiken, kan het Overlegcomité goederenvervoer over de weg werkgroepen oprichten, belast met de studie van bijzondere kwesties.

§ 5. De Koning bepaalt :

1° de samenstelling van het Overlegcomité goederenvervoer over de weg;

2° de werking van het Overlegcomité goederenvervoer over de weg;

3° het minimumaantal bijeenkomsten per jaar.

§ 6. De minister benoemt de voorzitter van het Overlegcomité goederenvervoer over de weg.

TITEL 10. — Wijzigings- en opheffingsbepalingen

Art. 53. § 1. Artikel 601ter van het Gerechtelijk Wetboek, ingevoegd bij artikel 8 van de wet van 13 mei 1999, wordt aangevuld met de bepaling onder 4°, luidende :

"4° het beroep tegen de beslissing tot het opleggen van een administratieve geldboete overeenkomstig artikel 48, § 3, van de wet van 15 juli 2013 betreffende het goederenvervoer over de weg en houdende uitvoering van de Verordening (EG) nr. 1071/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels betreffende de voorwaarden waaraan moet zijn voldaan om het beroep van wegvervoerondernemer uit te oefenen en tot intrekking van Richtlijn 96/26/EG van de Raad en houdende uitvoering van de Verordening (EG) nr. 1072/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels voor toegang tot de markt voor internationaal goederenvervoer over de weg;".

§ 2. Artikel 10 van de wet van 17 april 1878 houdende de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 6 februari 2012, wordt aangevuld met de bepaling onder 7°, luidende :

"7° aan het wanbedrijf bedoeld in artikel 41, § 4, van de wet van 15 juli 2013 betreffende het goederenvervoer over de weg en houdende uitvoering van de Verordening (EG) nr. 1071/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels betreffende de voorwaarden waaraan moet zijn voldaan om het beroep van wegvervoerondernemer uit te oefenen en tot intrekking van Richtlijn 96/26/EG van de Raad en houdende uitvoering van de Verordening (EG) nr. 1072/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels voor toegang tot de markt voor internationaal goederenvervoer over de weg;".

Art. 54. De wet van 3 mei 1999 betreffende het vervoer van zaken over de weg wordt opgeheven.

TITEL 11. — Overgangsbepalingen en inwerkingtreding

Art. 55. Tot een door de Koning te bepalen datum is deze wet niet van toepassing op het vervoer met motorvoertuigen of slepen waarvan het nuttig laadvermogen niet meer dan vijfhonderd kg bedraagt.

In afwijking van het eerste lid blijft dit vervoer onderworpen aan de bepalingen van titel 4 wanneer de betrokken voertuigen de Belgische grens overschrijden.

Art. 56. De VZW Instituut Wegtransport en Logistiek België, Archimedesstraat 5, 1000 Brussel blijft tot één jaar na de inwerkingtreding van deze wet erkend voor het organiseren van de cursussen van vakbekwaamheid voor ondernemer van goederenvervoer over de weg als bedoeld in bijlage I van de Verordening (EG) nr. 1071/2009.

Art. 57. De ambtenaren die werden bekleed met een mandaat van gerechtelijke politie of met de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie overeenkomstig artikel 11, § 1, van de wet van 1 augustus 1960 betreffende het vervoer van zaken met motorvoertuigen tegen vergoeding, of overeenkomstig artikel 25 van de wet van 3 mei 1999 betreffende het vervoer van zaken over de weg, zijn bevoegd om de inbreuken op de communautaire regelgeving, deze wet en haar uitvoeringsbesluiten op te sporen en vast te stellen tot wanneer zij een andere dienstbetrekking krijgen of hun ambt neerleggen.

Art. 58. De Koning bepaalt de datum waarop deze wet in werking treedt.