Wet van 15 juli 2013 betreffende het reizigersvervoer over de weg

en houdende uitvoering van de Verordening (EG) nr. 1071/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels betreffende de voorwaarden waaraan moet zijn voldaan om het beroep van wegvervoerondernemer uit te oefenen en tot intrekking van Richtlijn 96/26/EG van de Raad en houdende uitvoering van de Verordening (EG) nr. 1073/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels voor toegang tot de internationale markt voor touringcar- en autobusdiensten en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 561/2006

B.S. 18.02.2014

TITEL 1. — Algemeen

HOOFDSTUK 1. — Inleidende bepalingen

Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

Afdeling 1. — Toepassingsgebied

Art. 2. Deze wet is van toepassing op de volgende vormen van reizigersvervoer :

1° de ongeregelde vervoerdiensten, ongeacht of zij worden verricht in hoofdberoep of in bijberoep;

2° de internationale geregelde en de internationale bijzonder geregelde vervoerdiensten, ongeacht of zij worden verricht in hoofdberoep of in bijberoep, met uitzondering van het vervoer bedoeld in artikel 6, § 1, X, eerste lid, 8°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen;

3° het vervoer voor eigen rekening, met uitzondering van het vervoer bedoeld in artikel 6, § 1, X, eerste lid, 8°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen.

Afdeling 2. — Definities

Art. 3. § 1. Voor de toepassing van deze wet en van haar uitvoeringsbesluiten wordt verstaan onder :

1° "minister" : de minister die bevoegd is voor het reizigersvervoer over de weg;

2° "onderneming" : elke natuurlijke persoon, elke rechtspersoon met of zonder winstoogmerk, elke vereniging of groepering van personen zonder rechtspersoonlijkheid, met of zonder winstoogmerk, alsmede elke overheidsinstantie, ongeacht of zij zelf rechtspersoonlijkheid bezit of afhankelijk is van een autoriteit met rechtspersoonlijkheid, die reizigersvervoer over de weg verricht in de zin van deze wet;

3° "voertuig" : elke autobus of autocar;

4° "opdrachtgever" : elke natuurlijke persoon, elke rechtspersoon met of zonder winstoogmerk, elke persoon handelend voor rekening van een vereniging van personen zonder rechtspersoonlijkheid en met of zonder winstoogmerk, alsmede elke onder de publieke overheid ressorterende instelling, ongeacht of deze een eigen rechtspersoonlijkheid bezit of afhangt van een overheid met rechtspersoonlijkheid, die een vervoerovereenkomst sluit met een onderneming van reizigersvervoer over de weg of met een reisbemiddelaar;

5° "professionele opdrachtgever" :

a) de opdrachtgever die een vervoerovereenkomst sluit met een onderneming van reizigersvervoer over de weg en waarvan de activiteit bestaat uit het tegen betaling of op regelmatige basis organiseren, bestellen of laten uitvoeren van reizen, inzonderheid over de weg; of
b) de onderneming van reizigersvervoer over de weg die een overeenkomst van onderaanneming sluit;

6° "niet-professionele opdrachtgever" : de opdrachtgever die een vervoerovereenkomst sluit met een onderneming van reizigersvervoer over de weg of met een reisbemiddelaar en waarvan de activiteit niet bestaat uit het tegen betaling of op regelmatige basis organiseren, bestellen of laten uitvoeren van reizen, inzonderheid over de weg;

7° "openbare plaats" : de openbare weg, de terreinen toegankelijk voor het publiek en de niet openbare terreinen die voor een zeker aantal personen toegankelijk zijn;

8° "Verordening (EG) nr.1071/2009" : de Verordening (EG) nr. 1071/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels betreffende de voorwaarden waaraan moet zijn voldaan om het beroep van wegvervoerondernemer uit te oefenen en tot intrekking van richtlijn 96/26/EG van de Raad;

9° "Verordening (EG) nr.1073/2009" : de Verordening (EG) nr. 1073/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels voor toegang tot de internationale markt voor touringcar- en autobusdiensten en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 561/2006;

10° "communautaire regelgeving" : de communautaire regelgeving betreffende het reizigersvervoer over de weg.

§ 2. De begrippen die niet in deze wet gedefinieerd zijn, moeten worden begrepen overeenkomstig de definities die eraan gegeven zijn in de communautaire regelgeving.

§ 3. De definities gegeven in artikel 2, vierde en vijfde lid, van de Verordening (EG) nr. 1073/2009, gelden eveneens voor het reizigersvervoer beperkt tot het nationale grondgebied.

HOOFDSTUK 2. — Beginselen

Art. 4. De ondernemingen die gevestigd zijn in België mogen het reizigersvervoer bedoeld in artikel 2, 1° en 2°, slechts verrichten indien zij beschikken over een communautaire vergunning als bedoeld in artikel 4 van de Verordening (EG) nr. 1073/2009.

Art. 5. Elk nationaal vervoer voor eigen rekening is slechts toegestaan wanneer het in hoofdzaak bestaat uit het vervoer van personen die een reële en vaste band hebben met de onderneming.

Art. 6. Het reizigersvervoer bedoeld in artikel 2 mag slechts worden uitgevoerd op het nationale grondgebied indien de door de Koning bepaalde controle- en vergunningsdocumenten zich aan boord van de hiertoe gebruikte voertuigen bevinden.

HOOFDSTUK 3. — Communautaire vergunning

Art. 7. § 1. De communautaire vergunning bedoeld in artikel 4 van de Verordening (EG) nr. 1073/2009 wordt door de minister of zijn gemachtigde op aanvraag verleend aan de onderneming die voldoet aan de voorwaarden voor de toegang tot en de uitoefening van het beroep bedoeld in titel 2; deze vergunning wordt door de minister of zijn gemachtigde geweigerd of ingetrokken indien de onderneming niet of niet meer voldoet aan deze voorwaarden.

§ 2. De Koning kan beslissen om elektronische communautaire vergunningen af te geven vanaf een datum die Hij vaststelt.

§ 3. De Koning bepaalt :

1° de regels betreffende de afgifte, de vervanging, de vernieuwing en de schrapping van de communautaire vergunningen, rekening houdend met de bepalingen van de Verordeningen (EG) nrs.1071/2009 en 1073/2009;

2° de geldigheidsvoorwaarden van de communautaire vergunningen, rekening houdend met de bepalingen van de Verordening (EG) nr.1073/2009;

3° de regels betreffende de weigering en de intrekking van de communautaire vergunningen, rekening houdend met de bepalingen van de verordeningen (EG) nrs.1071/2009 en 1073/2009;

4° de eventuele termijn gedurende welke de communautaire vergunningen die het voorwerp van een intrekking zijn geweest niet opnieuw kunnen worden afgegeven;

5° de statistische gegevens die door de ondernemingen moeten worden verstrekt.

Art. 8. § 1. Elke onderneming die een communautaire vergunning aanvraagt of die houdster is van een communautaire vergunning, alsook haar aangestelden en lasthebbers, moeten aan de minister of zijn gemachtigde alle informatie en elk document verstrekken overeenkomstig de communautaire regelgeving, deze wet en haar uitvoeringsbesluiten.

De minister of zijn gemachtigde bepaalt binnen welke termijn de informatie of het document moet worden verstrekt.

De minister of zijn gemachtigde mag aan de onderneming, haar aangestelden en lasthebbers geen inlichtingen vragen die reeds in het bezit zijn van een Belgische overheid en die hij rechtstreeks en kosteloos langs elektronische weg bij haar kan verkrijgen. Hij kan het niet rechtstreeks meedelen ervan niet meer ten laste leggen van de betrokkene.

§ 2. Elke natuurlijke persoon en elke privaatrechtelijke of openbare rechtspersoon moet aan de minister of zijn gemachtigde elke inlichting en elk document verstrekken onder de voorwaarden bepaald in deze wet en haar uitvoeringsbesluiten, alsook elke andere inlichting en elk ander document die de minister of zijn gemachtigde noodzakelijk acht met het oog op de afgifte of het behoud van de communautaire vergunning en dit binnen de termijn die hij bepaalt.

TITEL 2. — Toegang tot en uitoefening van het beroep

HOOFDSTUK 1. — Voorwaarden

Art. 9. Elke onderneming die het beroep van vervoerder van reizigers over de weg wenst uit te oefenen of dat beroep uitoefent, moet voldoen aan de in artikel 3 van de Verordening (EG) nr. 1071/2009 en de in deze titel gestelde voorwaarden inzake vestiging, betrouwbaarheid, vakbekwaamheid en financiële draagkracht.

HOOFDSTUK 2. — Vestiging

Art. 10. Behalve de documenten bepaald in artikel 5, a), van de Verordening (EG) nr. 1071/2009, moeten in voorkomend geval ook de reisbladen te allen tijde beschikbaar zijn in de Belgische vestiging van de onderneming.

HOOFDSTUK 3. — Betrouwbaarheid

Art. 11. § 1. De onderneming voldoet aan de voorwaarde van betrouwbaarheid wanneer noch zijzelf, noch de door haar aangewezen vervoersmanager, noch de personen belast met het dagelijks bestuur van de onderneming, in België of in het buitenland :

1° gedurende de laatste tien jaar, behoudens herstel in eer en rechten, een in kracht van gewijsde gegane ernstige strafrechtelijke veroordeling heeft opgelopen wegens :

a) in-, uit-, of doorvoer van wapens, munitie en speciaal voor militair gebruik dienstig materieel en daaraan verbonden technologie;
b) namaking of vervalsing van zegels en stempels;
c) valsheid in geschrifte en gebruik van valse stukken;
d) omkoping van openbare ambtenaren;
e) diefstal, afpersing, verduistering, misbruik van vertrouwen, oplichting, heling of andere verrichtingen met betrekking tot zaken die uit een misdrijf voortkomen;
f) inbreuk betreffende de staat van faillissement en het fictief in omloop brengen van handelseffecten of overtreding van de bepalingen betreffende fondsbezorging van cheques of andere titels tot een contante betaling of betaling op zicht op beschikbare gelden;
g) inbreuk op de regelgevingen inzake de belasting over de toegevoegde waarde, de douane en accijnzen;
h) inbreuk op de regelgeving betreffende de jaarrekening en de boekhouding van ondernemingen;
i) lidmaatschap van een criminele organisatie;
j) mensenhandel;
k) inbreuk op de regelgevingen betreffende de gifstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen, antiseptica en stoffen met hormonale, antihormonale, anabole, beta-adrenergische, productiestimulerende, anti-infectieuze, antiparasitaire en anti-inflammatoire werking;
l) inbreuk op de regelgeving betreffende de politie op het wegverkeer;
m) inbreuk op de regelgeving betreffende de arbeidsvoorwaarden, het niet aangeven van arbeid, de sociale documenten, de collectieve arbeidsbetrekkingen en de sociale zekerheid;
n) illegale arbeid;

2° gedurende de laatste tien jaar, behoudens herstel in eer en rechten, twee of meer in kracht van gewijsde gegane ernstige strafrechtelijke veroordelingen heeft opgelopen wegens inbreuken op de regelgeving betreffende de politie op het wegverkeer;

3° bezwaard is met een beroepsuitoefeningsverbod dat is opgelegd ten aanzien van één van de misdrijven bepaald in 1°, b), c), d), e), f), g) en i) of in artikel 31, § 4;

4° gedurende de laatste tien jaar, behoudens herstel in eer en rechten of behoudens rehabilitatie als bedoeld in paragraaf 7, een in kracht van gewijsde gegane strafrechtelijke veroordeling of sanctie heeft opgelopen wegens een ernstige inbreuk op de regelgevingen inzake :

a) de rij- en rusttijden van de bestuurders, de arbeidstijd en de installatie of het gebruik van het controleapparaat;
b) de vakbekwaamheid, de opleiding en de nascholing van bestuurders;
c) de technische staat van de voertuigen met inbegrip van de verplichte technische keuring;
d) de toegang tot de markt van het wegvervoer;
e) de installatie en het gebruik van snelheidsbegrenzers;
f) het rijbewijs;
g) de toegang tot het beroep van wegvervoerondernemer.

Wanneer een rechtspersoon belast is met het dagelijks bestuur van de onderneming, is de in het eerste lid vermelde voorwaarde eveneens van toepassing op die rechtspersoon, alsook op de vaste vertegenwoordiger van die rechtspersoon.

§ 2. Voor de toepassing van de bepalingen van paragraaf 1, eerste lid, 1°, wordt als een ernstige strafrechtelijke veroordeling beschouwd, elke strafrechtelijke veroordeling die aanleiding heeft gegeven tot een hoofdgevangenisstraf van meer dan zes maanden of tot een geldboete van meer dan 4.000 euro.

§ 3. Voor de toepassing van de bepalingen van paragraaf 1, eerste lid, 2°, worden als twee of meer ernstige strafrechtelijke veroordelingen beschouwd, het geheel van strafrechtelijke veroordelingen die samen aanleiding hebben gegeven tot een totale hoofdgevangenisstraf van meer dan vier maanden of tot een totale geldboete van meer dan 2.000 euro.

§ 4. Voor de toepassing van de bepalingen van paragraaf 1, eerste lid, 1° en 2°, wordt geen rekening gehouden met de opdeciemen bij de strafrechtelijke geldboeten.

Voor de toepassing van de bepalingen van paragraaf 1, eerste lid, 2°, wordt geen rekening gehouden met :

1° veroordelingen tot een geldboete die niet hoger is dan 75 euro of tot een hoofdgevangenisstraf die niet hoger is dan vijftien dagen;

2° straffen of gedeelten van straffen met uitstel indien de geldboete minder dan 1.000 euro of de hoofdgevangenisstraf minder dan drie maanden bedraagt.

Bij veroordelingen wegens inbreuken waarop de wetgeving betreffende de opdeciemen op de strafrechtelijke geldboeten geen toepassing vindt, is het in aanmerking te nemen bedrag gelijk aan het quotiënt van de deling van het bedrag van de opgelegde boete door een deler die door de Koning wordt bepaald.

§ 5. Voor de toepassing van de bepalingen van paragraaf 1, eerste lid, 4°, worden als ernstige inbreuken beschouwd deze die zijn opgenomen in de lijst van zwaarste inbreuken in bijlage IV van de Verordening (EG) nr. 1071/2009.

De Koning vult de lijst van de in het eerste lid bedoelde inbreuken aan met de door de Europese Commissie op te stellen lijst van ernstige inbreuken op de communautaire wetgeving als bedoeld in artikel 6, lid 1, alinea 3, b), van de Verordening (EG) nr. 1071/2009.

§ 6. Voor de toepassing van de bepalingen van paragraaf 1, eerste lid, 4°, wordt onder "sanctie" verstaan : elke betaling van een geldsom die de strafvordering doet vervallen, elke administratieve geldboete, alsook elke gelijkwaardige straf die is opgelegd in het buitenland.

§ 7. Eenieder die een strafrechtelijke veroordeling of een sanctie heeft opgelopen voor een inbreuk op de in paragraaf 1, eerste lid, 4°, bepaalde regelgevingen wordt, voor de toepassing van dit artikel, als gerehabiliteerd beschouwd voor die inbreuk na verloop van twee jaar of, in geval van wettelijke herhaling, na verloop van vier jaar.

De betrokken persoon of onderneming moet de geldstraf hebben betaald. Indien de straf is verjaard, dan kan hij voor die inbreuk enkel als gerehabiliteerd worden beschouwd wanneer de niet-uitvoering ervan niet aan hem is te wijten. De minister of zijn gemachtigde kan aan de betrokkene een bewijs van betaling vragen.

§ 8. Wanneer een onderneming, haar vervoersmanager of één van de personen belast met het dagelijks bestuur van de onderneming, een strafrechtelijke veroordeling of een sanctie heeft opgelopen wegens een in paragraaf 1, eerste lid, 4°, bepaalde ernstige inbreuk, beoordeelt de minister of zijn gemachtigde de betrouwbaarheid en bepaalt of het weigeren of het ontnemen van de betrouwbaarheidsstatus een onevenredige sanctie uitmaakt. Elke beslissing in die zin moet met redenen worden omkleed.

§ 9. Wanneer de vervoersmanager niet voldoet aan de voorwaarde van betrouwbaarheid, verklaart de minister of zijn gemachtigde hem ongeschikt om de vervoerswerkzaamheden te leiden van een onderneming waarop de Verordening (EG) nr. 1071/2009 rechtstreeks van toepassing is of waarop de toepassing van deze verordening werd uitgebreid.

Art. 12. De Koning bepaalt :

1° de bewijsmiddelen waarmee de betrouwbaarheid wordt aangetoond;

2° de termijn die wordt toegekend aan de onderneming om de in 1° bedoelde bewijsmiddelen over te leggen;

3° de periodiciteit van de controle van de betrouwbaarheidsstatus;

4° de regels betreffende de in artikel 11, § 8, bedoelde beoordeling van de betrouwbaarheid.

HOOFDSTUK 4. — Vakbekwaamheid

Art. 13. Het getuigschrift van vakbekwaamheid wordt afgegeven door de minister of zijn gemachtigde aan elke natuurlijke persoon die geslaagd is voor het desbetreffende examen. Dit examen wordt georganiseerd door een examencommissie die door de minister wordt samengesteld.

Ter voorbereiding van het examen van vakbekwaamheid worden cursussen georganiseerd door de minister of zijn gemachtigde of door een of meer daartoe door de minister erkende opleidingsinstellingen. Onverminderd de bepalingen van het derde lid, is het volgen van deze cursussen niet verplicht.

De kandidaten die niet slagen bij hun eerste deelneming aan het examen van vakbekwaamheid en de in het tweede lid bedoelde cursussen niet gevolgd hebben, zijn verplicht deze cursussen te volgen vooraleer zich opnieuw voor het examen in te schrijven.

Art. 14. Een onderneming die niet voldoet aan de vereisten vermeld in artikel 3, lid 1, d), van de Verordening (EG) nr. 1071/2009, kan een vervoersmanager aanwijzen onder de voorwaarden bepaald bij artikel 4, lid 2, van deze verordening.

In dit geval mag de vervoersmanager voor niet meer dan vier ondernemingen worden aangewezen met een totaal wagenpark van maximaal vijftig voertuigen.

Het aantal ondernemingen waarin hij vervoersmanager is in de omstandigheden als bedoeld in artikel 4, lid 1, van de Verordening (EG) nr. 1071/2009 en het aantal op die ondernemingen betrekking hebbende voertuigen, moeten in mindering worden gebracht van de in het tweede lid voorziene maxima.

Voor de toepassing van het tweede en het derde lid dienen onder "ondernemingen" en "voertuigen" alle wegvervoersondernemingen en alle motorvoertuigen te worden verstaan waarop de Verordening (EG) nr. 1071/2009 rechtstreeks van toepassing is of waarop de toepassing van deze verordening werd uitgebreid.

Art. 15. Elke aanwijzing van een vervoersmanager, alsook elke wijziging in of beëindiging van de status van de aangewezen vervoersmanager, moet worden gemeld aan de minister of zijn gemachtigde.

Art. 16. De Koning bepaalt :

1° de bewijsmiddelen waarmee de vakbekwaamheid wordt aangetoond, de termijn die eventueel aan de onderneming wordt toegekend om die bewijsmiddelen over te leggen en de periodiciteit van de controle van de vakbekwaamheidsstatus;

2° de selectiecriteria en de gewogen erkenningcriteria op basis waarvan de opleidingsinstellingen worden erkend door de minister;

3° de wijze waarop de erkenning wordt aangevraagd door de kandidaat-instellingen evenals de geldigheidsduur van de toegekende erkenning;

4° de eventuele bijkomende onderwerpen die, naast deze die zijn opgenomen in bijlage I van de Verordening (EG) nr.1071/2009, het voorwerp uitmaken van de cursussen en het examen;

5° de wijze waarop de cursussen en het examen worden georganiseerd;

6° de termijn die wordt toegestaan :

a) aan de vervoersmanager om aan de minister of zijn gemachtigde mee te delen dat zijn status in de onderneming is gewijzigd of geëindigd;
b) aan de onderneming om aan de minister of zijn gemachtigde mee te delen dat haar vervoersmanager overleden is of lichamelijk ongeschikt is geworden;
c) aan de onderneming om haar toestand te regulariseren nadat een van de gebeurtenissen bedoeld onder a) of b) heeft plaatsgevonden;

7° de eventuele vrijstellingen van de in artikel 13 bedoelde verplichtingen.

HOOFDSTUK 5. — Financiële draagkracht

Art. 17. § 1. De onderneming die er toe gehouden is jaarrekeningen neer te leggen bij de Nationale Bank van België, voldoet aan de voorwaarde van financiële draagkracht indien zij beschikt over kapitaal en reserves zoals voorzien in artikel 7 van de Verordening (EG) nr. 1071/2009.

§ 2. Indien de onderneming een natuurlijke persoon is of een rechtspersoon die er niet toe gehouden is jaarrekeningen neer te leggen bij de Nationale Bank van België, voldoet zij aan de voorwaarde van financiële draagkracht wanneer zij aantoont een hoofdelijke borgtocht te hebben gesteld zoals bepaald in artikel 7 van de Verordening (EG) nr. 1071/2009.

Art. 18. De Koning bepaalt :

1° het bewijsmiddel van de kapitalen en reserves;

2° de verplichtingen van de ondernemingen bij vermindering van het bedrag van hun kapitalen en reserves;

3° de aard van de borgen die de borgtocht mogen stellen;

4° de bestemming van de borgtocht;

5° de regels inzake de aanspraak op de borgtocht;

6° de verplichtingen van de betrokken partijen in geval van afneming op de borgtocht en in geval van vermindering of opzegging van de borgtocht;

7° de regels inzake de bevrijding van de borg.

TITEL 3. — Medeverantwoordelijkheid

HOOFDSTUK 1. — Verplichtingen

Art. 19. Op het ogenblik van het sluiten van de vervoerovereenkomst betreffende een reizigersvervoer bedoeld in artikel 2, 1° en 2°, dient de professionele opdrachtgever zich ervan te vergewissen dat de vervoerder beschikt over het origineel van de communautaire vergunning.

Art. 20. Het is de professionele opdrachtgever, de niet-professionele opdrachtgever evenals hun mandatarissen die bevoegd zijn om tijdens de reis instructies te geven aan de bestuurder van het voertuig, verboden instructies te geven of daden te stellen die leiden tot :

1° de overschrijding van het toegelaten maximumaantal te vervoeren personen, zoals vermeld op het keuringsbewijs van het voertuig;

2° de niet-naleving van de voorschriften betreffende de rij- en rusttijden van de bestuurders van voertuigen;

3° de overschrijding van de toegestane maximumsnelheid van de voertuigen.

Art. 21. Het is de vervoerder verboden om een vervoer tegen ongeoorloofd lage prijs uit te voeren.

Het is de professionele opdrachtgever verboden om de vervoerder ertoe aan te zetten een vervoer tegen een ongeoorloofd lage prijs uit te voeren.

Onder "ongeoorloofd lage prijs" dient te worden verstaan een prijs die onvoldoende is om tegelijkertijd te dekken :

— de niet te vermijden posten van de kostprijs van het voertuig, in het bijzonder de afschrijving of de huur, de banden, de brandstof en het onderhoud;

— de kosten voortvloeiende uit wettelijke of reglementaire verplichtingen, in het bijzonder sociale, fiscale, verzekerings- en veiligheidskosten;

— de kosten voortvloeiende uit het bestuur en de leiding van de onderneming.

TITEL 4. — Controle

HOOFDSTUK 1. — Bevoegde ambtenaren

Art. 22. § 1. Het toezicht op de naleving van de communautaire regelgeving, deze wet en haar uitvoeringsbesluiten, alsook de opsporing en de vaststelling van de inbreuken op de communautaire regelgeving, deze wet en haar uitvoeringsbesluiten worden toevertrouwd aan :

1° de politieambtenaren van de federale en van de lokale politie;

2° de ambtenaren van de dienst die bevoegd is voor het vervoer over de weg van de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer;

3° de ambtenaren van de Administratie van Douane en Accijnzen van de Federale Overheidsdienst Financiën.

§ 2. De in paragraaf 1 bedoelde ambtenaren die belast zijn met de opsporing en de vaststelling van de inbreuken op de communautaire regelgeving, deze wet en haar uitvoeringsbesluiten, worden bekleed met de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie.

Zij worden aangeduid door de Koning.

§ 3. De in paragraaf 2 bedoelde ambtenaren zijn belast met de toepassing van de artikelen 27 en 28 voor zover zij daartoe individueel zijn gemachtigd door de procureur-generaal bij het hof van beroep van het rechtsgebied waar deze ambtenaren hun standplaats hebben.

HOOFDSTUK 2. — Toezicht, opsporing en vaststelling van de inbreuken

Art. 23. § 1. De in artikel 22 bedoelde ambtenaren mogen zich toegang verschaffen tot alle voertuigen, zowel in het verkeer als geparkeerd, op de openbare weg of op voor het publiek toegankelijke plaatsen, indien zij op grond van de gedragingen van de bestuurder of passagier, op grond van materiële aanwijzingen of van omstandigheden van tijd of plaats, redelijke gronden hebben om te denken dat het voertuig wordt gebruikt om inbreuken te plegen op de bepalingen van de communautaire regelgeving, deze wet en haar uitvoeringsbesluiten.

In de in het eerste lid bedoelde omstandigheden mogen zij ook overgaan tot het doorzoeken van het voertuig voor zover het doorzoeken niet langer duurt dan de tijd vereist door de omstandigheden die het rechtvaardigen.

Het voertuig dat permanent als woning is ingericht en dat op het ogenblik van het doorzoeken daadwerkelijk als woning wordt gebruikt, wordt gelijkgesteld met huiszoeking.

§ 2. Met het oog op de controle op de naleving van de communautaire regelgeving, deze wet en haar uitvoeringsbesluiten moet aan de in artikel 22 bedoelde ambtenaren toegang worden verleend tot de onroerende goederen die bestemd zijn voor de beroepswerkzaamheden van de vervoerders, hun opdrachtgevers en ieder die tussenkomt in de uitvoering van een vervoer van reizigers.

Dit toegangsrecht kan slechts worden uitgeoefend tussen acht en achttien uur, tenzij de onroerende goederen uitsluitend voor beroepsdoeleinden bestemd zijn of tenzij kan worden vastgesteld dat er beroepswerkzaamheden aan de gang zijn. Het toegangsrecht moet steeds worden uitgeoefend in aanwezigheid van minstens één persoon die het feitelijk genot heeft over het onroerend goed of een door hem aangestelde persoon.

§ 3. De in artikel 22 bedoelde ambtenaren mogen een huiszoeking verrichten indien er aanwijzingen bestaan dat die maatregel de mogelijkheid biedt het bewijs van schuld vast te stellen van de persoon die ervan wordt verdacht een strafbaar feit te hebben gepleegd als bepaald in de communautaire regelgeving, deze wet en haar uitvoeringsbesluiten en mits, op straffe van nietigheid, voorafgaande toelating van de onderzoeksrechter. De toelating vermeldt de aard van het strafbare feit en de op te sporen zaken. De huiszoeking moet worden verricht tussen vijf en eenentwintig uur.

De bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek inzake het eenzijdig verzoekschrift zijn niet van toepassing op het verzoek om toelating tot huiszoeking.

De in het eerste lid vermelde toelating is niet vereist indien de persoon die het werkelijke genot heeft van de plaats schriftelijk en voorafgaandelijk zijn toestemming geeft.

De huiszoeking kan plaatsvinden in de woonplaats of in de verblijfplaats van de inverdenkinggestelde of van de persoon die ervan wordt verdacht een strafbaar feit te hebben gepleegd zoals bepaald in de wet om er elk gegeven te zoeken dat kan dienen om de waarheid aan de dag te brengen of met het oog op inbeslagneming.

In voorkomend geval kan beroep worden gedaan op de federale en lokale politiediensten in geval van langdurige afwezigheid of tegen de weigering van de bewoner.

De verdachte wordt verzocht de huiszoeking bij te wonen. Indien de persoon afwezig is of geen vertegenwoordiger aanduidt, vindt de huiszoeking plaats in aanwezigheid van twee getuigen.

Van de huiszoeking wordt steeds proces-verbaal opgesteld dat het precieze verloop van de werkzaamheden en hun resultaat vermeldt.

§ 4. De Koning bepaalt een lijst van de documenten die moeten overgelegd worden op verzoek van een ambtenaar bedoeld in artikel 22.

§ 5. De in artikel 22 bedoelde ambtenaren mogen voor de uitvoering van hun opdracht :

1° elke persoon identificeren, verhoren en oproepen voor verhoor.

De identiteitscontrole en het verhoor zijn alleen toegestaan bij personen van wie de ambtenaren redelijkerwijze kunnen vermoeden dat zij de in paragraaf 2, eerste lid, bedoelde werkzaamheden uitoefenen of wier verhoor zij nodig achten voor de uitvoering van hun opdracht; de ondervraging mag alleen betrekking hebben op feiten waarvan de kennisname dienstig is voor de uitvoering van hun opdracht;

2° alle informatiedragers onderzoeken die zich bevinden op de plaatsen die aan hun toezicht zijn onderworpen en die gegevens bevatten die ingevolge een wet dienen te worden opgemaakt, bijgehouden en bewaard, zelfs wanneer die ambtenaren niet zijn belast met het toezicht op die wetgeving, alsook kopieën nemen, onder welke vorm ook, van deze informatiedragers of van de informatie die zij bevatten, of zich deze kosteloos laten verstrekken door de onderneming, haar aangestelden of lasthebbers.Onder "informatiedragers" worden alle dragers van informatie verstaan zoals boeken, registers, documenten, digitale informatiedragers, schijven en banden. Het doorzoeken of kopiëren van digitale informatiedragers die door een paswoord zijn vergrendeld, is enkel mogelijk mits voorafgaande machtiging van een onderzoeksrechter.

§ 6. Alle diensten van de Staat, met inbegrip van de parketten en de griffies van de Hoven en van alle rechtscolleges, de diensten van de provincies, de gemeenten, de verenigingen van gemeenten en alle diensten van de openbare instellingen die ervan afhangen, alsook alle private personen, moeten aan de in artikel 22 bedoelde ambtenaren, op hun verzoek, alle inlichtingen verstrekken en hen alle akten, boeken, registers, documenten, schijven, banden en andere informatiedragers ter inzage voorleggen, met uitzondering van de inlichtingen en documenten die beschermd worden door een wettelijk beroepsgeheim alsook met uitzondering van de inlichtingen en documenten betreffende niet afgesloten gerechtelijke procedures, welke alleen mogen gegeven worden met toestemming van de procureur-generaal. De in het eerste lid genoemde diensten zijn ertoe gehouden de inlichtingen, uittreksels, afschriften, afdrukken en uitdraaien kosteloos te verstrekken.

§ 7. De in artikel 22 bedoelde ambtenaren mogen alleen beslag leggen op hetgeen noodzakelijk is om een inbreuk te bewijzen, om de zaken te bewaren die zijn verkregen uit de schending van de artikelen 4 en 6, of om de mededaders of medeplichtigen van de overtreders op te sporen.

De inbeslagneming kan gebeuren op de plaats waar zij hun ambt uitoefenen of waar zij een huiszoeking verrichten zoals bepaald in paragraaf 3.

Zij zijn, op straffe van nietigheid, gehouden hetgeen in beslag werd genomen of hetgeen hen vrijwillig wordt overhandigd door de personen die het in hun bezit hebben, te inventariseren. Proces-verbaal wordt opgemaakt van deze handelingen.

De in beslag genomen zaken worden neergelegd bij de griffie van de politierechtbank, of, ingeval van misdrijf als bedoeld in de artikelen 30, § 4, en 31, bij de griffie van de correctionele rechtbank.

In geval van beslag op vorderingen, met uitzondering van rechten aan order of aan toonder, gebeurt het beslag door schriftelijke kennisgeving aan de schuldenaar. Zij wordt aan de schuldenaar verzonden bij ter post aangetekende brief, alsook per gewone brief. Deze brief bevat, behalve de referenties eigen aan de zaak, de tekst van het zevende lid van deze paragraaf, van artikel 1452 van het Gerechtelijk Wetboek en van artikel 28sexies of 61quater van het Wetboek van Strafvordering.

Het proces-verbaal wordt ter ondertekening aan de beslagene aangeboden, die kosteloos kopie van dit proces-verbaal kan ontvangen. Ingeval van beslag onder derden, hebben zowel de derde-beslagene als de beslagene recht op een kosteloze kopie. Aan de derde-beslagene wordt een document overhandigd dat de vermeldingen bepaald in het vijfde lid bevat.

Vanaf de ontvangst van de kennisgeving mag de derde-beslagene de sommen of zaken die het voorwerp zijn van het beslag, niet meer uit handen geven. Binnen de vijftien dagen na het beslag is de derde-beslagene verplicht om bij ter post aangetekende brief verklaring te doen van de sommen of zaken die het voorwerp zijn van het beslag, overeenkomstig artikel 1452 van het Gerechtelijk Wetboek. De derde-beslagene heeft recht op vergoeding van de kosten van de verklaring die als gerechtskosten worden beschouwd.

§ 8. De in dit artikel bedoelde onderzoeksdaden die worden gesteld in het kader van een gerechtelijk onderzoek zijn onderworpen aan de bepalingen van de artikelen 61 tot 61quinquies van het Wetboek van Strafvordering.

§ 9. De in artikel 22, § 2, bedoelde ambtenaren hebben steeds en uitsluitend in het kader van hun opdrachten, door middel van een geautomatiseerde verbinding, toegang tot de in het Strafregister opgenomen gegevens zoals bepaald in artikel 593 van het Wetboek van Strafvordering.

De Koning stelt de voorwaarden vast waaronder de in artikel 22, § 2, bedoelde ambtenaren toegang hebben tot de andere gegevensbanken die Hij bepaalt.

§ 10. De in artikel 22 bedoelde ambtenaren kunnen in de uitoefening van hun ambt de bijstand van de federale en lokale politie vorderen.

§ 11. Onverminderd het geheim van het strafonderzoek, kunnen de in artikel 22 bedoelde ambtenaren de inlichtingen die zij hebben ingewonnen bij hun onderzoek, meedelen aan alle ambtenaren die belast zijn met het toezicht op andere wetgevingen in zoverre die inlichtingen hen kunnen aanbelangen bij de uitoefening van hun opdrachten.

Art. 24. § 1. Uitgezonderd bij toepassing van artikel 27, sporen de ambtenaren bedoeld in artikel 22 de inbreuken op de communautaire regelgeving, deze wet en haar uitvoeringsbesluiten op; zij stellen die inbreuken vast door middel van processen-verbaal die bewijskracht hebben zolang het tegendeel niet is bewezen.

§ 2. Deze processen-verbaal worden toegezonden aan de procureur des Konings en, wanneer de vaststellingen niet zijn gebeurd op een openbare plaats, aan de ambtenaren bedoeld in artikel 36, § 1.

In laatstgenoemd geval beschikt de procureur des Konings over een termijn van drie maanden, te rekenen van de datum van ontvangst van het proces-verbaal, om aan de in artikel 36, § 1, bedoelde ambtenaren mee te delen dat :

1° er een opsporingsonderzoek of een gerechtelijk onderzoek werd geopend, of

2° de strafvervolging werd ingesteld, of

3° er toepassing is gemaakt van de artikelen 216bis of 216ter van het Wetboek van Strafvordering, of

4° de zaak werd geseponeerd om redenen die verband houden met de constitutieve bestanddelen van de inbreuk, of

5° de zaak werd geseponeerd om redenen die geen verband houden met de constitutieve bestanddelen van de inbreuk.

Een afschrift van de processen-verbaal wordt aan de overtreders gezonden binnen de vijftien dagen na vaststelling van de inbreuken.

§ 3. Paragraaf 2 is niet van toepassing op de processen-verbaal die worden opgesteld in het kader van een gerechtelijk onderzoek.

TITEL 5. — Sancties

HOOFDSTUK 1. — Administratieve maatregelen van ambtswege

Art. 25. Indien een van de ambtenaren bedoeld in artikel 22 vaststelt dat een vervoer van reizigers over de weg wordt verricht met een voertuig zonder geldige communautaire vergunning overeenkomstig artikel 4 of zonder geldig controle- of vergunningsdocument overeenkomstig artikel 6, kan hij, op kosten van de overtreder, overgaan tot het ophouden van het voertuig en de overbrenging van de reizigers in een ander voertuig, zonder afbreuk te doen aan de bepalingen van artikel 24.

Art. 26. § 1. Elke communautaire vergunning bedoeld in artikel 4 die het voorwerp is geweest van een beslissing tot intrekking en die in het bezit van de houder of zijn aangestelden wordt gevonden, wordt, tegen ontvangstbewijs, onmiddellijk in beslag genomen door de ambtenaren bedoeld in artikel 22 en overgezonden aan de minister of zijn gemachtigde.

§ 2. Elk document bedoeld in de artikelen 4 en 6 dat in het bezit van een andere persoon dan de houder of zijn aangestelden wordt gevonden, of ongeldig is krachtens de communautaire regelgeving, deze wet en haar uitvoeringsbesluiten, alsook elk nagemaakt document, wordt, tegen ontvangstbewijs, door de ambtenaren bedoeld in artikel 22 onmiddellijk in beslag genomen en, volgens het geval, overgezonden aan de minister of zijn gemachtigde of neergelegd ter griffie van de correctionele rechtbank.

Voor de ondernemingen die een vestiging in België hebben, kunnen de in het eerste lid bedoelde documenten pas zestig dagen na de inbeslagneming worden teruggegeven, en dit op verzoek van de houder, behalve indien blijkt dat hem geen schuld kan worden verweten. In laatst vermeld geval worden de documenten teruggegeven zodra de minister of zijn gemachtigde tot de bevinding komt dat hem geen schuld treft.

HOOFDSTUK 2. — Inning en consignatie van een som bij de vaststelling van sommige inbreuken

Art. 27. § 1. Bij de vaststelling op een openbare plaats, van een van de in artikel 30 bedoelde inbreuken, kan, indien het feit geen schade aan derden heeft veroorzaakt en met instemming van de overtreder, hetzij onmiddellijk, hetzij binnen een door de Koning bepaalde termijn, een som geïnd worden die niet hoger mag zijn dan het maximum van de geldboete die op deze inbreuk staat, vermeerderd met de opdeciemen.

§ 2. Door de betaling van de in paragraaf 1 vermelde som vervalt de strafvordering, tenzij het openbaar ministerie binnen de twee maanden, te rekenen vanaf de dag van de betaling, de betrokkene kennis geeft van zijn voornemen de strafvordering in te stellen.

De kennisgeving geschiedt bij een ter post aangetekende brief; zij wordt geacht te zijn gedaan de derde werkdag die volgt op die waarop de brief werd overhandigd aan de postdiensten, tenzij de geadresseerde het tegendeel bewijst.

§ 3. De bepalingen van dit artikel zijn niet van toepassing wanneer de inbreuk is begaan door één van de personen bedoeld in de artikelen 479 en 483 van het Wetboek van Strafvordering.

Art. 28. § 1. Indien de dader van de op een openbare plaats vastgestelde inbreuk geen woonplaats of vaste verblijfplaats in België heeft en de voorgestelde som niet onmiddellijk betaalt, moet hij aan de ambtenaren bedoeld in artikel 22 een som in consignatie geven, bestemd om de eventuele geldboete en de gerechtskosten te dekken.

§ 2. Het door de overtreder bestuurde voertuig wordt op zijn kosten en risico ingehouden tot de in paragraaf 1 vermelde som betaald is en het bewijs geleverd wordt dat de eventuele bewaringskosten van het voertuig betaald zijn.

§ 3. Indien de verschuldigde som niet betaald wordt binnen de zesennegentig uren, te rekenen vanaf de vaststelling van de inbreuk, mag de inbeslagneming van het voertuig door het openbaar ministerie bevolen worden.

Een bericht van inbeslagneming wordt binnen twee werkdagen aan de eigenaar van het voertuig gezonden.

De kosten en het risico voor het voertuig blijven tijdens de duur van de inbeslagneming ten laste van de overtreder.

De inbeslagneming wordt opgeheven nadat het bewijs is geleverd dat de som die in consignatie moet worden gegeven en de eventuele bewaringskosten van het voertuig zijn betaald.

§ 4. Indien de strafvordering tot veroordeling van de betrokkene leidt, zijn de volgende bepalingen van toepassing :

1° indien de aan de Staat verschuldigde gerechtskosten en de uitgesproken geldboete lager zijn dan de geïnde of in consignatie gegeven som, wordt het overschot terugbetaald aan de betrokkene;

2° indien het voertuig in beslag genomen is, gaat de administratie bevoegd voor het beheer van de Domeinen over tot de verkoop van het voertuig bij niet-betaling van de geldboete en de gerechtskosten binnen een termijn van veertig dagen vanaf de uitspraak van het vonnis;deze beslissing is uitvoerbaar niettegenstaande elk rechtsmiddel.

Indien de aan de Staat verschuldigde gerechtskosten, de uitgesproken geldboete en de eventuele bewaringskosten van het voertuig lager zijn dan de opbrengst van de verkoop, wordt het overschot terugbetaald aan de betrokkene.

§ 5. Als de betrokkene wordt vrijgesproken, wordt de geïnde of in consignatie gegeven som of het in beslag genomen voertuig teruggegeven; de gerechtskosten en eventuele bewaringskosten van het voertuig vallen ten laste van de Staat.

§ 6. Als de betrokkene voorwaardelijk is veroordeeld, wordt de geïnde of in consignatie gegeven som teruggegeven na aftrek van de gerechtskosten; het in beslag genomen voertuig wordt teruggegeven nadat de gerechtskosten betaald zijn en het bewijs is geleverd dat de eventuele bewaringskosten van het voertuig betaald zijn.

§ 7. De in consignatie gegeven som of het in beslag genomen voertuig wordt teruggegeven aan de betrokkene wanneer het openbaar ministerie beslist geen vervolging in te stellen of wanneer de strafvordering vervallen of verjaard is.

§ 8. Indien, bij toepassing van artikel 216bis van het Wetboek van Strafvordering, de door het openbaar ministerie vastgestelde som lager is dan de geïnde som, wordt het overschot terugbetaald aan de betrokkene.

Art. 29. De Koning bepaalt het bedrag van de te innen som bedoeld in artikel 27, § 1, en het bedrag van de in consignatie te geven som bedoeld in artikel 28, § 1, alsook de wijze van inning.

HOOFDSTUK 3. — Strafbepalingen

Art. 30. § 1. Worden gestraft met een geldboete van 50 tot 250 euro, vermeerderd met de opdeciemen, zij die de volgende bepalingen van deze wet en haar uitvoeringsbesluiten overtreden :

1° de krachtens artikel 7, § 3, 1° en 2°, door de Koning vastgestelde regels voor de afgifte, de vervanging, de vernieuwing, de schrapping en de geldigheid van de communautaire vergunningen;

2° de krachtens artikel 7, § 3, 5°, door de Koning vastgestelde verplichtingen tot het verstrekken van statistische gegevens;

3° de krachtens artikel 18, 6°, door de Koning vastgestelde verplichtingen van de borgen in geval van afneming op de borgtocht en in geval van vermindering of opzegging van de borgtocht.

§ 2. Onverminderd de artikelen 269 tot 274 van het Strafwetboek, worden gestraft met een gevangenisstraf van acht dagen tot zes maanden en met een geldboete van 1.250 euro tot 50.000 euro, vermeerderd met de opdeciemen, of met een van deze straffen alleen, zij die op enigerlei wijze het toezicht op de naleving van de communautaire regelgeving, deze wet en haar uitvoeringsbesluiten belemmeren of verhinderen.

§ 3. Worden gestraft met een gevangenisstraf van acht dagen tot één jaar en met een geldboete van 500 euro tot 50.000 euro, vermeerderd met de opdeciemen, of met één van deze straffen alleen, zij die de volgende bepalingen van de communautaire regelgeving, deze wet en haar uitvoeringsbesluiten overtreden :

1° de verplichting houder te zijn van een geldige communautaire vergunning, overeenkomstig de artikelen 4 en 14 van de Verordening (EG) nr.1073/2009 en artikel 4 van deze wet;

2° de verplichting houder te zijn van geldige controle- en vergunningsdocumenten, overeenkomstig artikel 6;

3° de krachtens artikel 7, § 3, 3°, door de Koning vastgestelde verplichting om de communautaire vergunningen terug te geven die het voorwerp hebben uitgemaakt van een beslissing tot intrekking;

4° de verplichting informatie of documenten te verstrekken overeenkomstig artikel 8;

5° de bij artikel 4 van de Verordening (EG) nr.1071/2009 vastgestelde voorschriften inzake de vervoersmanager;

6° de meldingsplicht als bedoeld in artikel 15 alsook de verplichting de krachtens artikel 16, 6°, a) en b), door de Koning vastgestelde termijnen inzake de vervoersmanager te eerbiedigen.

§ 4. Worden gestraft met een gevangenisstraf van drie maanden tot drie jaar en veroordeeld tot ontzetting van hun rechten overeenkomstig artikel 33 van het Strafwetboek, zij die een communautaire vergunning namaken of van een nagemaakte communautaire vergunning gebruik maken.

Art. 31. § 1. Zonder afbreuk te doen aan de toepassing van zwaardere straffen voorzien in het Strafwetboek, worden gestraft met een gevangenisstraf van één maand tot twee jaar en met een geldboete van 1.000 tot 20.000 euro, vermeerderd met de opdeciemen, zij die willens en wetens onjuiste of onvolledige inlichtingen hebben verstrekt of hebben doen verstrekken of zij die willens en wetens onjuiste of onvolledige verklaringen hebben gedaan om een communautaire vergunning of een van de vergunningsdocumenten, respectievelijk bedoeld in de artikelen 4 en 6, voor zichzelf of voor een ander te verkrijgen of te behouden.

§ 2. De verstrekking door gebrek aan voorzichtigheid of voorzorg van de in paragraaf 1 bedoelde inlichtingen of verklaringen wordt bestraft met een geldboete van 50 euro tot 500 euro, vermeerderd met de opdeciemen.

§ 3. De verjaring van de strafvordering vangt aan vanaf het einde van het gebruik van het document dat werd verkregen of behouden door middel van het verstrekken van de in paragraaf 1 bedoelde inlichtingen of verklaringen.

§ 4. De rechter die een persoon veroordeelt, zelfs voorwaardelijk, als dader van of als medeplichtige aan het in paragraaf 1 bedoelde strafbare feit kan zijn veroordeling gepaard doen gaan met het verbod om, persoonlijk of door een tussenpersoon, het beroep van wegvervoerondernemer als bedoeld in artikel 11, § 9, uit te oefenen of, in voorkomend geval, van het verbod om zijn getuigschrift of bewijs van vakbekwaamheid voor een in artikel 11, § 9, bedoelde wegvervoeronderneming te doen gelden voor een periode van ten minste één jaar en maximum drie jaar.

§ 5. Elke overtreding van het in paragraaf 4 gestelde verbod wordt bestraft met een gevangenisstraf van drie maanden tot één jaar en met een geldboete van 1.000 euro tot 10.000 euro, vermeerderd met de opdeciemen.

Art. 32. § 1. De professionele opdrachtgever wordt gestraft met de straffen bepaald in artikel 30, § 3, indien hij, zelfs door gebrek aan voorzichtigheid of voorzorg, de verplichting bedoeld in artikel 19 niet nakomt.

§ 2. De professionele opdrachtgever, de niet-professionele opdrachtgever en/of hun mandatarissen die bevoegd zijn om tijdens de reis instructies te geven aan de bestuurder van het voertuig worden gestraft op dezelfde wijze als de daders van de door de onderneming begane overtredingen en wanbedrijven indien zij de verbodsbepalingen bedoeld in artikel 20 overtreden.

§ 3. De vervoerder wordt gestraft met de straffen bepaald in artikel 30, § 3, indien hij de verbodsbepaling bedoeld in artikel 21, eerste lid, overtreedt.

De professionele opdrachtgever wordt gestraft met de straffen bepaald in artikel 30, § 3, indien hij de verbodsbepaling bedoeld in artikel 21, tweede lid overtreedt.

Art. 33. § 1. Alle bepalingen van boek I van het Strafwetboek, waaronder hoofdstuk VII en artikel 85, zijn van toepassing op alle in dit hoofdstuk bepaalde inbreuken.

§ 2. Onverminderd de bepalingen van artikel 56 van het Strafwetboek, mag de straf in geval van herhaling binnen de twee jaar na de veroordeling echter niet lager zijn dan het dubbele van de straf die vroeger wegens dezelfde inbreuk werd uitgesproken, tenzij de rechter van oordeel is dat er verzachtende omstandigheden kunnen in aanmerking worden genomen.

§ 3. Bij veroordeling wegens vervoer van reizigers verricht met een voertuig waarvoor geen geldige controle- en vergunningsdocumenten werden afgegeven, overeenkomstig artikel 6 :

1° kan de rechter de verbeurdverklaring of de tijdelijke vastlegging van het voertuig bevelen;bij tijdelijke vastlegging bepaalt de rechter hoe lang deze zal duren en op welke plaats het voertuig, op kosten en op risico van de eigenaar, aan de ketting zal worden gelegd;

2° worden de schadevergoedingen toegekend aan de burgerlijke partij, bevoorrecht op het voertuig dat voor het plegen van het misdrijf heeft gediend.Dit voorrecht neemt rang in onmiddellijk na het voorrecht bedoeld in artikel 20, 5°, van de hypotheekwet van 16 december 1851.

§ 4. In afwijking van artikel 43, eerste lid, van het Strafwetboek kan de verbeurdverklaring van het voertuig wegens inbreuk op de communautaire regelgeving, deze wet en haar uitvoeringsbesluiten slechts in het in paragraaf 3 bepaalde geval worden uitgesproken.

§ 5. De politierechtbanken zijn bevoegd om kennis te nemen van de in artikel 30, §§ 1, 2 en 3 en de in artikel 32 bedoelde misdrijven.

HOOFDSTUK 4. — Administratieve geldboetes

Art. 34. § 1. Onder de in dit artikel bepaalde voorwaarden kan aan degenen die de communautaire regelgeving, deze wet of haar uitvoeringsbesluiten overtreden, wanneer de vaststelling van de inbreuk niet is gebeurd op een openbare plaats, een administratieve geldboete worden opgelegd :

1° van 250 euro tot 1.250 euro voor de niet-naleving van :

a) de krachtens artikel 7, § 3, 1° en 2°, door de Koning vastgestelde regels voor de afgifte, de vervanging, de vernieuwing, de schrapping en de geldigheid van de communautaire vergunningen;
b) de krachtens artikel 7, § 3, 5°, door de Koning vastgestelde verplichtingen tot het verstrekken van statistische gegevens;
c) de krachtens artikel 18, 6°, door de Koning vastgestelde verplichtingen van de borgen in geval van afneming op de borgtocht en in geval van vermindering of opzegging van de borgtocht.

2° van 2 500 euro tot 250 000 euro voor de niet-naleving van :

a) de verplichting houder te zijn van een geldige communautaire vergunning overeenkomstig de artikelen 4 en 14 van de Verordening (EG) nr.1073/2009 en artikel 4 van deze wet;
b) de verplichting houder te zijn van geldige controle- en vergunningsdocumenten, overeenkomstig artikel 6;
c) de krachtens artikel 7, § 3, 3°, door de Koning vastgestelde verplichting de communautaire vergunningen terug te geven die het voorwerp hebben uitgemaakt van een beslissing tot intrekking;
d) de verplichting informatie of documenten te verstrekken overeenkomstig artikel 8;
e) de bij artikel 4 van de Verordening (EG) nr.1071/2009 vastgestelde voorschriften inzake de vervoersmanager;
f) de meldingsplicht voorzien in artikel 15 alsook de verplichting de krachtens artikel 16, 6°, a) en b), door de Koning vastgestelde termijnen inzake de vervoersmanager te eerbiedigen;
g) de verplichting van de professionele opdrachtgever overeenkomstig artikel 19, § 1, eerste lid;
h) de verbodsbepaling voor de vervoerder, als bedoeld in artikel 21, eerste lid;
i) de verbodsbepaling voor de professionele opdrachtgever, als bedoeld in artikel 21, tweede lid;
j) het verbod om op enigerlei wijze het toezicht op de naleving op de communautaire regelgeving, deze wet en haar uitvoeringsbesluiten te belemmeren of te verhinderen;

3° van vijfmaal het minimumbedrag tot vijfmaal het maximumbedrag van de strafrechtelijke geldboete, de opdeciemen niet inbegrepen, vastgesteld in de betrokken regelgevingen voor inbreuken als bedoeld in artikel 20, 1° tot 3° : voor de niet-naleving van de in artikel 20 bedoelde verbodsbepaling voor de professionele opdrachtgever, de niet-professionele opdrachtgever en/of hun mandatarissen die bevoegd zijn om tijdens de reis instructies te geven aan de bestuurder van het voertuig.

§ 2. De ambtenaren bedoeld in artikel 36, § 1, kunnen, wanneer verzachtende omstandigheden aanwezig zijn, een administratieve geldboete opleggen die lager is dan de in paragraaf 1 vermelde minimumbedragen.

In geval van beroep overeenkomstig artikel 38, heeft de rechtbank dezelfde bevoegdheid.

§ 3. Bij samenloop van verscheidene in paragraaf 1 bedoelde inbreuken worden de bedragen van de administratieve geldboeten samengevoegd, zonder dat zij het dubbele van het maximumbedrag van de zwaarste geldboete mogen overschrijden.

§ 4. Bij herhaling binnen de twee jaar volgend op een beslissing die een administratieve geldboete oplegt of op een strafrechtelijke veroordeling op grond van deze wet, mag de nieuwe administratieve geldboete niet lager zijn dan het dubbele van de geldboete die vroeger wegens een zelfde inbreuk werd opgelopen tenzij de ambtenaar van oordeel is dat er verzachtende omstandigheden kunnen in aanmerking genomen worden.

Art. 35. De overtreding van de communautaire regelgeving, deze wet en haar uitvoeringsbesluiten als bedoeld in artikel 34, § 1, wordt vervolgd door middel van een administratieve geldboete, tenzij het openbaar ministerie oordeelt dat, in acht genomen de ernst van de inbreuk en, in voorkomend geval, in acht genomen de vermogensvoordelen die zijn verkregen uit de inbreuk, de strafvervolging moet worden ingesteld.

Strafvervolging sluit het opleggen van een administratieve geldboete uit, ook wanneer de vervolging tot vrijspraak leidt.

De administratieve geldboete kan worden opgelegd samen met andere administratieve sancties.

Art. 36. § 1. De administratieve geldboete wordt opgelegd door de ambtenaren die hiertoe door de minister worden benoemd. De Koning bepaalt de voorwaarden waaraan die ambtenaren moeten voldoen.

De ambtenaren die zetelen in een orgaan waarin vertegenwoordigers van de sector van het reizigersvervoer zetelen en dat een adviserende bevoegdheid of een beslissingsbevoegdheid heeft inzake de weigering of de intrekking van de communautaire vergunningen bedoeld in artikel 4, alsook de ambtenaren die de in artikel 34, § 1, vermelde inbreuken hebben vastgesteld, kunnen geen administratieve geldboete opleggen.

§ 2. De in paragraaf 1 bedoelde ambtenaren hebben, uitsluitend met het oog op de oplegging van de administratieve geldboetes, door middel van een geautomatiseerde verbinding, kosteloos toegang tot de gegevens van het Centraal Strafregister, met uitzondering van :

1° de veroordelingen en beslissingen opgesomd in artikel 593, 1° tot 4°, van het Wetboek van Strafvordering;

2° de arresten van herstel in eer en rechten en de veroordelingen waarop dat herstel in eer en rechten betrekking heeft;

3° de beslissingen tot opschorting van de uitspraak van de veroordeling en tot probatieopschorting;

4° de beslissingen die veroordelen tot een werkstraf overeenkomstig artikel 37ter van het Strafwetboek.

De in paragraaf 1 bedoelde ambtenaren hebben geen toegang meer tot gegevens betreffende veroordelingen tot gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden, veroordelingen bij eenvoudige schuldigverklaring, veroordelingen tot een geldboete van ten hoogste 500 euro en veroordelingen tot een geldboete, ongeacht het bedrag ervan, die is opgelegd krachtens het koninklijk besluit van 16 maart 1968 tot coördinatie van de wetten betreffende de politie over het wegverkeer, na een termijn van drie jaar te rekenen vanaf de dag van de rechterlijke eindbeslissing waarbij zij zijn uitgesproken.

De in paragraaf 1 bedoelde ambtenaren hebben enkel toegang tot de gegevens van de veroordelingen die het bezoldigd reizigersvervoer over de weg en het namaken en de gebruikmaking van nagemaakte biljetten voor reizigersvervoer betreffen, zoals bedoeld in de nomenclatuur van de inbreuken gebruikt door het Centraal Strafregister.

De gegevens verkregen overeenkomstig dit artikel mogen uitsluitend worden aangewend om de door of krachtens deze wet bepaalde taken uit te voeren. Zij mogen niet aan derden worden meegedeeld.

Voor de toepassing van het vierde lid worden niet als derden beschouwd :

1° de personen op wie die gegevens betrekking hebben of hun wettelijke vertegenwoordigers;

2° de door of krachtens de wet gemachtigde personen om het dossier te raadplegen waarin die gegevens zouden kunnen voorkomen;

3° de door of krachtens de wet aangewezen personen, overheden en diensten die toegang hebben tot de gegevens van het Centraal Strafregister, voor zover het gaat om gegevens die hen op grond van hun aanwijzing en in het kader van hun onderlinge betrekkingen tijdens de uitoefening van hun wettelijke en reglementaire bevoegdheden mogen worden meegedeeld.

De in paragraaf 1 bedoelde ambtenaren verbinden zich er schriftelijk toe te waken over de veiligheid en de vertrouwelijkheid van de gegevens waartoe zij toegang hebben.

Artikel 458 van het Strafwetboek is van overeenkomstige toepassing.

De lijst van ambtenaren, met vermelding van hun graad en betrekking, die toegang hebben tot het Centraal Strafregister, wordt jaarlijks opgemaakt en toegezonden aan de Dienst Centraal Strafregister.

De gegevens die bij toepassing van dit artikel worden ingewonnen of ontvangen, worden vernietigd onmiddellijk nadat de beslissing tot oplegging van de administratieve geldboete definitief is geworden, of ingeval van beroep bij de rechtbank, onmiddellijk na het vonnis.

§ 3. Nadat de procureur des Konings de in artikel 24, § 2, tweede lid, 5°, bedoelde mededeling heeft gedaan of wanneer hij geen van de mededelingen als bedoeld in artikel 24, § 2, tweede lid, heeft gedaan binnen de daartoe voorziene termijn, geven de in paragraaf 1 bedoelde ambtenaren bij ter post aangetekende brief, vergezeld van een afschrift van het in artikel 24, § 1, bedoelde proces-verbaal, aan de betrokkene kennis van de feiten waarvoor een administratieve geldboete kan worden opgelegd, van het recht om zijn dossier te raadplegen en zich te laten bijstaan door een raadsman, alsook van de mogelijkheid om schriftelijk zijn verweermiddelen te doen geworden en dit, op straffe van onontvankelijkheid, binnen een termijn van dertig dagen die begint te lopen vanaf de derde werkdag die volgt op de dag waarop de brief werd overhandigd aan de postdiensten.

De in paragraaf 1 bedoelde ambtenaren stellen de betrokkene bij ter post aangetekende brief in kennis van hun beslissing.

De beslissing bepaalt het bedrag van de geldboete en bevat de bepalingen van artikel 38. De brief bevat eveneens een verzoek om betaling van de boete binnen de door de Koning bepaalde termijn. De geldboete staat in verhouding tot de ernst van de feiten die haar verantwoorden en, in voorkomend geval, tot de vermogensvoordelen die uit de inbreuk zijn verkregen.

De kennisgeving van de beslissing doet de strafvordering vervallen.

De betaling van de geldboete maakt een einde aan de vordering van de administratie.

§ 4. Er kan geen administratieve geldboete worden opgelegd na verloop van vijf jaar te rekenen vanaf de dag waarop de in artikel 34, § 1, bedoelde inbreuk werd begaan.

De daden van onderzoek of van vervolging verricht binnen de in het eerste lid gestelde termijn, met inbegrip van de kennisgevingen van het openbaar ministerie over het al dan niet instellen van de strafvervolging en de in paragraaf 3, eerste lid, bedoelde mogelijkheid om verweermiddelen naar voor te brengen, stuiten de loop van de in het eerste lid bedoelde verjaring. Met die daden begint een nieuwe termijn van gelijke duur te lopen, zelfs ten aanzien van personen die daarbij niet betrokken waren.

Art. 37. § 1. In dezelfde beslissing waarin zij een administratieve geldboete opleggen, kunnen de in artikel 36, § 1, bedoelde ambtenaren geheel of gedeeltelijk uitstel van de tenuitvoerlegging van de betaling van die geldboete toekennen.

Het uitstel is enkel mogelijk indien de in artikel 36, § 1, bedoelde ambtenaren aan de overtreder geen andere administratieve geldboete hebben opgelegd of indien er geen strafrechtelijke veroordeling is geweest op grond van deze wet in de periode van één jaar voorafgaand aan de datum van de inbreuk.

Het uitstel geldt voor een proefperiode van één jaar die ingaat op de datum van de kennisgeving van de beslissing tot oplegging van de administratieve geldboete.

Het uitstel wordt van rechtswege herroepen wanneer tijdens de proefperiode een nieuwe inbreuk van hetzelfde of van een hoger niveau wordt gepleegd en die nieuwe inbreuk leidt tot een beslissing tot de oplegging van een nieuwe administratieve geldboete of tot een strafrechtelijke veroordeling.

Het uitstel kan ook worden herroepen wanneer tijdens de proefperiode een nieuwe inbreuk van een lager niveau wordt gepleegd en die nieuwe inbreuk leidt tot een beslissing tot de oplegging van een nieuwe administratieve geldboete of tot een strafrechtelijke veroordeling.

Om te bepalen of een inbreuk van een lager niveau, van hetzelfde niveau of van een hoger niveau is, dienen de maximumbedragen van de administratieve geldboeten voor die inbreuken te worden vergeleken.

Het uitstel wordt herroepen in dezelfde beslissing waarin een administratieve geldboete wordt opgelegd voor de nieuwe inbreuk gepleegd tijdens de proefperiode.

De administratieve geldboete waarvan de betaling uitvoerbaar wordt door de herroeping van het uitstel, wordt samengevoegd met die welke wordt opgelegd voor de nieuwe inbreuk.

In geval van hoger beroep, overeenkomstig artikel 38, tegen de beslissing van de in artikel 36, § 1, bedoelde ambtenaren, heeft de rechtbank dezelfde bevoegdheid.

§ 2. Indien degene die de administratieve geldboete verschuldigd is, in gebreke blijft om de geldboete te betalen binnen de door de Koning bepaalde termijn, wordt de beslissing overgezonden aan de Administratie van het kadaster, de registratie en domeinen met het oog op haar invordering overeenkomstig artikel 3 van de domaniale wet van 22 december 1949.

§ 3. De Koning stelt de termijn en de regels vast voor de betaling van de administratieve geldboeten opgelegd door de in artikel 36, § 1, bedoelde ambtenaren.

Art. 38. Degene die de in artikel 36, § 3, bedoelde beslissing betwist, kan, op straffe van verval, binnen de maand vanaf de kennisgeving, door middel van een verzoekschrift beroep instellen bij de politierechtbank. Dit beroep schorst de uitvoering van de beslissing.

Tegen de beslissing van de politierechtbank staat geen hoger beroep open.

TITEL 6. — Overlegcomité reizigersvervoer over de weg

Art. 39. § 1. Een overleg- en adviesorgaan wordt ingesteld bij het bestuur dat bevoegd is voor het reizigersvervoer over de weg, onder de benaming Overlegcomité reizigersvervoer over de weg.

§ 2. Het Overlegcomité reizigersvervoer over de weg bestaat uit vertegenwoordigers van het bestuur dat bevoegd is voor het reizigersvervoer over de weg en uit vertegenwoordigers van de representatieve organisaties van de vervoersondernemers en van de in de vervoersondernemingen tewerkgestelde werknemers.

§ 3. De doelstellingen van het Overlegcomité reizigersvervoer over de weg zijn :

1° de minister of zijn gemachtigde in staat stellen om de in paragraaf 2 bedoelde beroeps- en vakverenigingen te informeren over elke kwestie die de sector van het reizigersvervoer over de weg kan interesseren en daarover te overleggen;

2° de in paragraaf 2 bedoelde beroeps- en vakverenigingen in staat stellen om de problemen van de sector die zij vertegenwoordigen voor te leggen aan de minister of aan de betrokken ministeriële departementen en daarover te overleggen;

3° op eigen initiatief of op verzoek van de minister of zijn gemachtigde, aan deze laatste een gemotiveerd advies geven over elke kwestie in verband met het reizigersvervoer over de weg;

4° op verzoek van de minister of zijn gemachtigde, een gemotiveerd advies te geven ter beoordeling van de betrouwbaarheid als bedoeld in artikel 11, § 8.

§ 4. Om de in paragraaf 3 gestelde doelstellingen te bereiken, kan het Overlegcomité reizigersvervoer over de weg werkgroepen oprichten, belast met de studie van bijzondere kwesties.

§ 5. De Koning bepaalt :

1° de samenstelling van het Overlegcomité reizigersvervoer over de weg;

2° de werking van het Overlegcomité reizigersvervoer over de weg;

3° het minimumaantal bijeenkomsten per jaar.

§ 6. De minister benoemt de voorzitter van het Overlegcomité reizigersvervoer over de weg.

TITEL 7. — Wijzigings-, opheffings- en overgangsbepalingen

Art. 40. § 1. Artikel 601ter van het Gerechtelijk Wetboek, ingevoegd bij artikel 8 van de wet van 13 mei 1999, wordt aangevuld met de bepaling onder 5°, luidende :

"5° het beroep tegen de beslissing tot het opleggen van een administratieve geldboete overeenkomstig artikel 36, § 3, van de wet van 15 juli 2013 betreffende het reizigersvervoer over de weg en houdende uitvoering van de Verordening (EG) nr. 1071/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels betreffende de voorwaarden waaraan moet zijn voldaan om het beroep van wegvervoerondernemer uit te oefenen en tot intrekking van Richtlijn 96/26/EG van de Raad en houdende uitvoering van de Verordening (EG) nr. 1073/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels voor toegang tot de internationale markt voor touringcar- en autobusdiensten en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 561/2006.".

§ 2. Artikel 10 van de wet van 17 april 1878 houdende de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 6 februari 2012, wordt aangevuld met de bepaling onder 8°, luidende :

"8° aan het wanbedrijf bedoeld in artikel 30, § 4, van de wet van 15 juli 2013 betreffende het reizigersvervoer over de weg en houdende uitvoering van de Verordening (EG) nr. 1071/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels betreffende de voorwaarden waaraan moet zijn voldaan om het beroep van wegvervoerondernemer uit te oefenen en tot intrekking van Richtlijn 96/26/EG van de Raad en houdende uitvoering van de Verordening (EG) nr. 1073/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels voor toegang tot de internationale markt voor touringcar- en autobusdiensten en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 561/2006.".

Art. 41. De reglementaire bepalingen genomen ter uitvoering van de besluitwet van 30 december 1946 betreffende het bezoldigd vervoer van personen over de weg met autobussen en met autocars, die niet tegenstrijdig zijn met deze wet, blijven van kracht tot hun opheffing of vervanging door besluiten genomen ter uitvoering van deze wet.

Art. 42. Worden opgeheven in de besluitwet van 30 december 1946 betreffende het bezoldigd vervoer van personen over de weg met autobussen en met autocars, voor wat de federale overheid betreft :

1° artikel 1 voor wat betreft de vervoersactiviteiten bedoeld in artikel 2 van deze wet;

2° artikel 2, eerste lid, C;

3° de artikelen 14, 15, 30, 30bis, 31, 31bis, 32 en 33;

4° in de artikelen 2bis, 16, 18, 19 en 22, de woorden "ongeregelde diensten".

Art. 43. De ambtenaren die werden bekleed met een mandaat van gerechtelijke politie of met de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie overeenkomstig artikel 31 van de besluitwet van 30 december 1946 betreffende het bezoldigd vervoer van personen over de weg met autobussen en met autocars, zijn bevoegd om de inbreuken op de communautaire regelgeving, deze wet en haar uitvoeringsbesluiten op te sporen en vast te stellen tot wanneer zij een andere dienstbetrekking krijgen of hun ambt neerleggen.

Art. 44. De VZW Instituut Wegtransport en Logistiek België, Archimedesstraat 5, 1000 Brussel is tot één jaar na de inwerkingtreding van deze wet erkend voor het organiseren van de cursussen van vakbekwaamheid voor ondernemer van personenvervoer over de weg als bedoeld in bijlage I van de Verordening (EG) nr. 1071/2009.

TITEL 8. — Inwerkingtreding

Art. 45. De Koning bepaalt de datum waarop deze wet in werking treedt.