Let op: de inhoud van de berichten weerspiegelt de situatie zoals ze op het ogenblik van publicatie van toepassing was. Het is dus mogelijk dat sommige berichten ondertussen verouderd zijn.

Wijzigingen zwaar vervoer

op .

Vanaf 11 april 2007 treden er ingevolge de Verordening (EG) nr. 561/2006 van het Europees parlement en de raad van 15 maart 2006 tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer, tot wijziging van Verordeningen (EEG) nr. 3821/85 en (EG) nr. 2135/98 van de Raad en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 3820/85 van de Raad (P.B. 11.04.2006) diverse wijzigingen op inzake “het wegvervoer” .

De uitvoering voor België wordt geregeld in het koninklijk besluit van 09 april 2007 houdende uitvoering van de verordening (EG) nr. 561/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2006 tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer, tot wijziging van verordeningen (EEG) nr. 3821/85 en (EG) nr. 2135/98 van de Raad en tot intrekking van verordening (EEG) nr. 3820/85 van de Raad (B.S. 11 april 2007).

1. Doelstelling verordening (EG) nr. 561/2006

Deze verordening geeft voorschriften voor de rijtijden, de onderbrekingen en de rusttijden van bestuurders in het wegvervoer van goederen en personen, met als doel de voorwaarden voor concurrentie tussen verschillende wijzen van vervoer over land te harmoniseren, met name met betrekking tot de wegvervoersector, en ter verbetering van de werkomstandigheden en de verkeersveiligheid. De verordening heeft tevens tot doel betere controle en handhaving door de lidstaten en betere arbeidsomstandigheden in de wegvervoerssector te bevorderen.

2. Toepassingsgebied

2.1. Wijzigingen afwijking toepassingsgebied

De Verordening (EG) nr. 561/2006 is niet van toepassing op wegvervoer door :

Tot 11/04/2007 - EG Nr. 3820/85 Vanaf 11/04/2007 - EG 561/2006
 • voertuigen waarvan de toegestane maximumsnelheid niet meer dan 30 km per uur bedraagt;  • voertuigen waarvan de toegestane maximumsnelheid niet meer dan 40 km per uur bedraagt;
 • voertuigen van of onder toezicht van strijdkrachten, bescherming burgerbevolking, brandweer en korpsen voor de handhaving van de openbare orde;  • voertuigen van, of zonder bestuurder gehuurd door, de strijdkrachten, civiele bescherming, brandweer en korpsen voor de handhaving van de openbare orde voorzover het vervoer plaatsvindt in het kader van de taak waarmee deze organen zijn belast en onder hun controle valt;
 • voertuigen die gebruikt worden in noodsituaties of voor reddingsoperaties;  • voertuigen, met inbegrip van voertuigen gebruikt bij niet-commerciële vervoersoperaties met betrekking tot humanitaire hulp, die gebruikt worden in noodsituaties of voor reddingsoperaties;
 • voertuigen die speciaal zijn uitgerust voor reparaties en wegslepen;  • voertuigen die speciaal zijn uitgerust voor reparaties en wegslepen, binnen een straal van 100 km rond hun standplaats;
 • voertuigen die worden gebruikt voor niet-commercieel goederenvervoer voor privé-doeleinden.  • voertuigen of een combinatie van voertuigen die worden gebruikt voor niet-commercieel goederenvervoer en waarvan de toegestane maximum massa niet meer dan 7,5 ton bedraagt.
 • commerciële voertuigen die krachtens de wetgeving van de lidstaat waar ermee wordt gereden een historisch statuut hebben, en die voor niet-commercieel vervoer van personen of goederen worden gebruikt.

2.2. Opheffing algemene afwijking toepassingsgebied

Tot 11/04/2007 was de verordening EG Nr. 3820/85 niet van toepassing voor bepaalde vormen van wegvervoer, en dit op het grondgebied van alle Lid-staten.

Vanaf 11/04/2007 zijn voor bepaalde vormen van wegvervoer deze uitzonderingen niet meer automatisch van toepassing voor het grondgebied van alle Lid-staten.

Elke Lid-staat kan voor zijn eigen grondgebied of, met instemming van de betrokken Staat, voor het grondgebied van een andere Lid-staat afwijkingen van de bepalingen inzake :

toestaan voor vervoer dat wordt verricht met een voertuig dat behoort tot één of meer van onderstaande categorieën :

  • voertuigen die worden gebruikt in verband met de rioleringsdienst, diensten ter bescherming tegen overstromingen, diensten met betrekking tot de water-, gas of electriciteitsvoorziening, onderhoud van en toezicht op wegen, de ophaaldienst voor huishoudelijk afval en de verwijdering ervan, diensten van telegrafie en telefonie, radio- en televisie-uitzendingen, evenals voor de opsporing van zend- of ontvangstapparatuur voor radio en televisie;
  • speciaal voor het vervoer van circus- of kermismateriaal uitgeruste voertuigen;
  • voertuigen voor het ophalen van melk op boerderijen en het terugbrengen van melkbussen of zuivelproducten voor de veevoeding naar boerderijen.

Voor België zijn alle voornoemde vormen van vervoer niet onderworpen aan de artikelen 5 tot 9 van de verordening EG 561/2006.

2.3. Wijzigingen bestaande afwijkingen

Tot 11/04/2007 kon elke Lid-staat voor zijn eigen grondgebied of, met instemming van de betrokken Staat, voor het grondgebied van een andere Lid-staat afwijkingen van de bepalingen op de gehele verordening EG Nr. 3820/85 voor bepaalde vormen van wegvervoer toestaan.

Vanaf 11/04/2007 kan elke Lid-staat voor zijn eigen grondgebied of, met instemming van de betrokken Staat, voor het grondgebied van een andere Lid-staat afwijkingen toestaan van de bepalingen inzake :

en deze laten afhangen voor vervoer dat wordt verricht met :

a.  vervoer waarbij de gehele afwijking kan vervangen worden door een gedeeltelijke

vervoer met :

  • voertuigen van, of zonder bestuurder gehuurd door, de overheid voor wegvervoer dat de particuliere vervoersondernemingen niet beconcurreert;
  • voertuigen gebruikt voor het vervoer van niet voor menselijke consumptie bestemde geslachte dieren of slachtafval;
  • voertuigen die uitsluitend rijden op eilanden waarvan de oppervlakte niet meer dan 2 300 km2 bedraagt en die niet met de rest van het nationale grondgebied zijn verbonden door een brug, een wad of een tunnel, geschikt voor het verkeer van motorvoertuigen;

b. vervoer waarbij de gehele afwijking kan vervangen worden door een gedeeltelijke en waarbij de aard van het vervoer gewijzigd werd

vervoer met :

Tot 11/04/2007 - EG Nr. 3820/85 Vanaf 11/04/2007 - EG 561/2006
 • voertuigen die voor personenvervoer zijn bestemd en, gezien hun constructie en uitrusting, geschikt zijn voor het vervoer van ten hoogste 17 personen, met inbegrip van de bestuurder, en daarvoor moeten dienen;  • voertuigen met 10 tot 17 zitplaatsen die uitsluitend worden gebruikt voor niet-commercieel personenvervoer;
 • voertuigen voor goederenvervoer die door landbouw-, tuinbouw-, bosbouw-, of visserijbedrijven worden gebruikt voor ritten binnen een straal van 50 km van de gebruikelijke standplaats van het voertuig, met inbegrip van het grondgebied van gemeenten waarvan de kern binnen deze straal is gelegen;  • voertuigen voor goederenvervoer van, of zonder bestuurder gehuurd door landbouw-, tuinbouw-, bosbouw-, veeteelt of visserijbedrijven die in het kader van hun eigen bedrijvigheid worden gebruikt voor ritten binnen een straal van 100 km rond de vestigingsplaats van het bedrijf;
 • voertuigen voor het vervoer van levende dieren van de boerderijen naar de plaatselijke markten en omgekeerd, of van de markten naar de plaatselijke slachthuizen;  • voertuigen die voor het vervoer van levende dieren van de boerderijen naar de plaatselijke markten en omgekeerd of van de markten naar de plaatselijke slachthuizen gebruikt worden binnen een straal van ten hoogste 50 km;
 • voertuigen voor het vervoer van het materieel of de uitrusting die de bestuurder beroepshalve gebruikt, binnen een straal van 50 km rond de gebruikelijke standplaats van het voertuig, op voorwaarde dat dit vervoer niet de hoofdactiviteit van de bestuurder is en dat door de afwijking de doelstellingen van de verordening niet ernstig worden geschaad. De Lid-Staten kunnen deze afwijking onderwerpen aan individuele voorwaarden;

 • voertuigen of combinaties van voertuigen met een toegestane maximummassa van ten hoogste 7,5 ton, die worden gebruikt voor het dragen van materiaal, apparatuur of machines die de bestuurder beroepshalve gebruikt;

Deze voertuigen mogen alleen binnen een straal van 50 km rond de vestigingsplaats van het bedrijf worden gebruikt en op voorwaarde dat dit vervoer niet de hoofdactiviteit van de bestuurder is;

 • voor goederenvervoer gebruikte voertuigen die worden aangedreven met in het voertuig geproduceerd gas of met elektriciteit, of die zijn uitgerust met een vertragingsinrichting, mits deze voertuigen krachtens de wetgeving van de Lid-Staat van inschrijving gelijk worden gesteld met benzine of dieselolie aangedreven voertuigen met een toegestaan maximumgewicht, met inbegrip van aanhangwagens of opleggers, van niet meer dan 3,5 ton;  • voor goederenvervoer gebruikte voertuigen, binnen een straal van 50 km rond de vestigingsplaats van het bedrijf, die worden aangedreven met aardgas of LPG of elektriciteit, met een toegestane maximummassa, met inbegrip van de massa van de aanhangwagens of opleggers, van niet meer dan 7,5 ton;
 • voertuigen die worden gebruikt voor autorijlessen met het oog op het verkrijgen van een rijbewijs;  • voertuigen die worden gebruikt voor autorijlessen en -examens met het oog op het verkrijgen van een rijbewijs of een getuigschrift van vakbekwaamheid, op voorwaarde dat deze voertuigen niet worden gebruikt voor het commerciële vervoer van goederen of personen;
 • trekkers die uitsluitend bestemd zijn voor landbouw en bosbouw.  • land- en bosbouwtrekkers die worden gebruikt voor land- of bosbouwwerkzaamheden, binnen een straal van 100 km rond de vestigingsplaats van het bedrijf dat deze voertuigen bezit, huurt of least.


c. nieuwe vormen van vervoer waarbij een gedeeltelijke afwijking mogelijk is

vervoer met :

  • speciaal uitgeruste voertuigen voor mobiele projecten, die in stilstand voornamelijk als educatieve inrichting bedoeld zijn;
  • speciaal voor geld- en/of waardetransporten uitgeruste voertuigen;
  • voertuigen die uitsluitend gebruikt worden op wegen binnen hubfaciliteiten, zoals havens, intermodale overslagcentra en spoorwegterminals;
  • voertuigen of combinaties van voertuigen met een toegestane maximummassa van ten hoogste 7,5 ton, die worden gebruikt: door leveranciers van de universele dienst als gedefinieerd in artikel 2, onder 13, van Richtlijn 97/67/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 december 1997 betreffende gemeenschappelijke regels voor de ontwikkeling van de interne markt voor postdiensten in de Gemeenschap en de verbetering van de kwaliteit van de dienst voor het bezorgen van goederen in het kader van de universele dienst.

d.  vervoer waarbij de mogelijkheid tot afwijking afgeschaft werd

vervoer met :

  • voertuigen voor gebruik als winkels op plaatselijke markten, voor de verkoop aan huis, voor ambulante werkzaamheden van banken, wisselkantoren of spaarbanken, voor de eredienst, voor het uitlenen van boeken, platen of cassettes, voor culturele manifestaties of voor tentoonstellingen en speciaal voor dergelijk gebruik uitgerust.

(bepaalde tot deze categorie behorende vormen van vervoer behoren nu tot "speciaal uitgeruste voertuigen voor mobiele projecten, die in stilstand voornamelijk als educatieve inrichting bedoeld zijn" - zie punt c)

Voor België zijn alle voornoemde vormen van vervoer niet onderworpen aan de artikelen 5 tot 9 van de verordening EG 561/2006.

2.4.  Bijzondere afwijking

Op voorwaarde dat geen afbreuk wordt gedaan aan de doelstellingen en de bestuurders voldoende worden beschermd, kan een lidstaat na goedkeuring door de Commissie voor voertuigen die worden gebruikt in van tevoren afgebakende gebieden met een bevolkingsdichtheid van minder dan vijf inwoners per vierkante kilometer op zijn grondgebied in de volgende gevallen beperkte uitzonderingen op deze verordening toestaan:
voor nationale geregelde diensten van personenvervoer waarvan de dienstregelingen door de autoriteiten zijn bevestigd, uitzonderingen wat betreft de onderbrekingen, en

voor binnenlandse goederenvervoersactiviteiten over de weg voor eigen rekening of voor rekening van derden die geen gevolgen hebben voor de interne markt en die nodig zijn om bepaalde sectoren van de industrie op het grondgebied in stand te houden en waarvoor de uitzonderingsbepalingen van deze verordening een straal van maximaal 100 km voorschrijven.

Het wegvervoer waarop deze uitzonderingen van toepassing zijn, kan, uitsluitend om de rit te beginnen of te beëindigen, een rit omvatten naar een gebied met een bevolkingsdichtheid van vijf of meer inwoners per vierkante kilometer. De aard en omvang van dergelijke maatregelen dienen proportioneel te zijn.

3.  Rijtijd (art 6 - EG 561/2006)

3.1. Dagelijkse rijtijd.

3.1.1. Duur

De dagelijkse rijtijd mag niet meer bedragen dan negen uur.

De dagelijkse rijtijd mag echter worden verlengd tot ten hoogste tien uur, doch niet meer dan twee keer in een week.

De dagelijkse en wekelijkse rijtijd omvat alle rijtijd binnen het grondgebied van de Gemeenschap of van een derde land.

3.1.2. Onderbreking van de dagelijkse rusttijd

Tot 11/04/2007 mocht een dagelijkse rusttijd onder bepaalde voorwaarden éénmaal onderbroken worden ingeval een bestuurder in het goederen- of personenvervoer een voertuig begeleidt dat per veerboot of trein wordt vervoerd.

Vanaf 11/04/2007 mag, wanneer een bestuurder een voertuig begeleidt dat per veerboot of trein wordt vervoerd, en op voorwaarde dat hij een normale dagelijkse rusttijd neemt, die rusttijd hooguit tweemaal worden onderbroken door andere activiteiten die niet langer dan één uur duren.

Tijdens die normale dagelijkse rusttijd moet de bestuurder kunnen beschikken over een bed of slaapbank.

3.2.  De wekelijkse rijtijd

De wekelijkse rijtijd mag niet meer bedragen dan 56 uur, waarbij de maximale wekelijkse arbeidstijd (*) als gedefinieerd in Richtlijn 2002/15/EG niet mag worden overschreden.

Tot voor 11/04/2006 was er een afwijking voorzien in het geval van het internationaal personenvervoer op andere dan geregelde diensten.  Deze afwijking wordt op 11/04/2007 opgeheven.

3.3. Totale bij elkaar opgetelde rijtijd gedurende twee opeenvolgende weken (ongewijzigd)

De totale bij elkaar opgetelde rijtijd gedurende twee opeenvolgende weken mag niet meer bedragen dan 90 uur.

3.4.  Worden vanaf 11/04/2007 niet geteld als rust of onderbreking

  • Tijd besteed om te reizen naar een plaats om controle te nemen over een voertuig dat onder het toepassingsgebied van deze verordening valt, of om terug te keren van deze plaats, wanneer het voertuig zich niet in de woonplaats van de bestuurder of in de exploitatievestiging van de werkgever waaraan de bestuurder normalerwijze verbonden is, bevindt, wordt niet geteld als rust of een onderbreking, tenzij de bestuurder reist met een veerboot of trein en een bed of slaapbank ter beschikking heeft.
  • Tijd besteed door een bestuurder om met een voertuig dat buiten het toepassingsgebied van deze verordening valt, te rijden naar of van een voertuig dat onder het toepassingsgebied van deze verordening valt en zich niet in de woonplaats van de bestuurder of in de exploitatievestiging van de werkgever waaraan de bestuurder normalerwijze verbonden is, bevindt, wordt geteld als „andere werkzaamheden”.

4.  Onderbrekingen  (art 7 - EG 561/2006)

4.1. Algemene regel

Na een rijperiode van vier en een half uur neemt de bestuurder een aaneengesloten onderbreking van ten minste vijfenveertig minuten, tenzij hij een rusttijd neemt.

4.2. Wijziging - afwijkingen

Tot 11/04/2007 - EG Nr. 3820/85 Vanaf 11/04/2007 - EG 561/2006
 • Deze onderbreking kan vervangen worden door onderbrekingen van ten minste 15 minuten elk, die zodanig in de rijtijd of onmiddellijk daarna worden ingelast dat aan de bepalingen van lid 1 wordt voldaan.  • Deze onderbreking kan vervangen worden door een onderbreking van ten minste 15 minuten gevolgd door een onderbreking van ten minste 30 minuten die elk zodanig tijdens de periode worden ingelast, dat aan de bepalingen van de algemene regel wordt voldaan.

4.3.  Opheffing afwijking

De afwijking die tot 11/04/2007 van toepassing was voor geregeld nationaal personenvervoer wordt opgeheven.

4.4.  Andere werkzaamheden

Tot 11/04/2007 mocht de bestuurder tijdens de onderbrekingen geen andere werkzaamheden verrichten.  De wachttijd en de tijd die niet aan het stuur werd doorgebracht in een rijdend voertuig, op een veerboor of in een trein werden niet aangemerkt als “andere werkzaamheden”.

Ingevolge de nieuwe definitie van andere werkzaamheden, luidend : „andere werkzaamheden”: alle activiteiten die worden gedefinieerd als arbeidstijd in artikel 3, onder a)*, van Richtlijn 2002/15/EG, behalve „rijden”, met inbegrip van alle werkzaamheden voor dezelfde of voor een andere werkgever in of buiten de vervoerssector;” wordt deze tijd wel aangemerkt als “andere werkzaamheden”.

5. De rusttijden

5.1. De dagelijkse rusttijd

5.1.1. Definities

"dagelijkse rusttijd": de dagelijkse periode waarin een bestuurder vrijelijk over zijn tijd kan beschikken, en die een „normale dagelijkse rusttijd” en een „verkorte dagelijkse rusttijd” omvat;

  • "normale dagelijkse rusttijd": een periode van rust van ten minste elf uur. De normale dagelijkse rusttijd kan ook worden opgesplitst in twee perioden, waarvan de eerste ten minste drie ononderbroken uren bedraagt en de tweede ten minste negen ononderbroken uren bedraagt;
  • "verkorte dagelijkse rusttijd": een periode van rust van ten minste negen uur doch minder dan elf uur;

5.1.2. Wijzigingen algemeen

Tot 11/04/2007 - EG Nr. 3820/85 Vanaf 11/04/2007 - EG 561/2006
 • In elke periode van 24 uur geniet de bestuurder een dagelijkse rusttijd van ten minste 11 achtereenvolgende uren;

 • Binnen elke periode van 24 uur na het einde van de voorafgaande dagelijkse of wekelijkse rusttijd moet een bestuurder een nieuwe dagelijkse rusttijd genomen hebben.

Indien het gedeelte van de dagelijkse rusttijd dat binnen die periode van 24 uur valt ten minste negen doch niet meer dan elf uur bedraagt, wordt deze dagelijkse rusttijd als een verkorte dagelijkse rusttijd aangemerkt.

 • deze rusttijd zou maximaal 3 maal per week kunnen worden bekort tot een minimum van 9 achtereenvolgende uren, mits voor het eind van de volgende week ter compensatie een even lange rusttijd wordt verleend.  • Een bestuurder mag tussen twee wekelijkse rusttijden ten hoogste drie keer een verkorte dagelijkse rusttijd (een periode van rust van ten minste negen uur doch minder dan elf uur) hebben.
 • Op dagen dat de rusttijd niet overeenkomstig het vorige punt wordt bekort, mag deze worden genomen in twee of drie afzonderlijke perioden tijdens de periode van 24 uur, waarbij één van die perioden ten minste acht achtereenvolgende uren moet bedragen. In dat geval wordt de minimumduur van de rusttijd op 12 uur gebracht.  • Deze bepaling vervalt ogenschijnlijk, doch gezien er op dagen waarop geen verkorte dagelijkse rusttijd genomen werd, er een normale dagelijkse rusttijd (=een periode van rust van ten minste elf uur) moet genomen worden, vervalt dit feitelijk niet. De normale dagelijkse rusttijd kan ook worden opgesplitst in twee perioden, waarvan de eerste ten minste drie ononderbroken uren bedraagt en de tweede ten minste negen ononderbroken uren bedraagt.


5.1.3. Wijzigingen meervoudige bemanning

Tot 11/04/2007 - EG Nr. 3820/85 Vanaf 11/04/2007 - EG 561/2006
 • Tijdens elke periode van 30 uur waarin het voertuig wordt bemand door ten minste twee bestuurders, moeten dezen elk een dagelijkse rusttijd van ten minste acht achtereenvolgende uren genieten.

 • In afwijking geldt dat een bestuurder die deel uitmaakt van een meervoudige bemanning, een nieuwe dagelijkse rusttijd van ten minste 9 uur moet hebben genomen binnen 30 uur na het einde van een dagelijkse of wekelijkse rusttijd.

5.2. Wekelijkse rusttijd

5.2.1. Definities

"wekelijkse rusttijd": een wekelijkse periode waarin een bestuurder vrijelijk over zijn tijd kan beschikken, en die een „normale wekelijkse rusttijd” en een „verkorte wekelijkse rusttijd” omvat:

  • "normale wekelijkse rusttijd": een periode van rust van ten minste 45 uur;
  • "verkorte wekelijkse rusttijd": een periode van rust van minder dan 45 uur die, onder de voorwaarden van artikel 8, lid 6, (verkorting moet worden gecompenseerd door een equivalente periode van rust die voor het einde van de derde week na de betrokken week en bloc genomen moet worden) kan worden bekort tot minimaal 24 achtereenvolgende uren;

5.2.2. Wijzigingen

Tot 11/04/2007 - EG Nr. 3820/85 Vanaf 11/04/2007 - EG 561/2006
 • In de loop van elke week moet één van de in lid 1 en lid 2 (=dagelijkse) bedoelde rusttijden, uit hoofde van een wekelijkse rusttijd, worden gebracht op een totaal van 45 achtereenvolgende uren.

 • Per periode van twee opeenvolgende weken moet een bestuurder ten minste:

 • twee normale wekelijkse rusttijden (=45 uur), of

 • Deze rusttijd mag worden ingekort tot een minimum van 36 achtereenvolgende uren indien hij in de gebruikelijke standplaats van het voertuig dan wel in de standplaats van de bestuurder wordt genomen,     Deze vorm van verkorting valt onder de “verkorte wekelijkse rusttijd”, de plaats waar deze rusttijd genomen wordt is niet meer bepalend.
of tot ten minste 24 achtereenvolgende uren indien hij buiten deze plaatsen wordt genomen. Verkortingen worden gecompenseerd door een even grote rusttijd die aaneengesloten wordt genomen voor het einde van de derde week die volgt op de betrokken week.  • één normale wekelijkse rusttijd (=45 uur) en één verkorte wekelijkse rusttijd van ten minste 24 uur nemen. De verkorting moet evenwel worden gecompenseerd door een equivalente periode van rust die voor het einde van de derde week na de betrokken week en bloc genomen moet worden. 

Een wekelijkse rusttijd mag niet later beginnen dan aan het einde van zes perioden van 24 uur te rekenen vanaf het einde van de vorige wekelijkse rusttijd.
 • Rusttijd ter compensatie van de inkorting van de dagelijkse en/of wekelijkse rusttijden, moet bij een andere rusttijd van ten minste acht uur worden gevoegd  • Rust die wordt genomen ter compensatie van een verkorte wekelijkse rusttijd moet aansluitend op een andere rusttijd van ten minste negen uur worden genomen.
   en moet, op verzoek van de betrokkene, worden toegestaan op de plaats waar het voertuig geparkeerd is of in de standplaats van de bestuurder.  • Wanneer een bestuurder dit zo verkiest, mogen dagelijkse rusttijden en verkorte wekelijkse rusttijden buiten de standplaats in een voertuig worden doorgebracht indien dit voor iedere bestuurder behoorlijke slaapfaciliteiten biedt en het voertuig stilstaat.
 • Een wekelijkse rusttijd die in een week begint en zich in de volgende week uitstrekt, kan bij de ene of bij de ander week worden gevoegd.  • Een wekelijkse rusttijd die in twee weken valt, mag in één van beide weken geteld worden, maar niet in beide.


5.2.3.  Personenvervoer

De afwijking die van toepassing was voor het personenvervoer op andere dan geregelde diensten wordt opgeheven.

6.  Plichten vervoersondernemingen

Een vervoersonderneming mag bestuurders die zij in dienst heeft of die haar ter beschikking zijn gesteld, niet betalen, zelfs niet wanneer dit geschiedt in de vorm van premies of loontoeslagen naar gelang van de afgelegde afstand en/of de hoeveelheid vervoerde goederen, ingeval dergelijke betalingen van die aard zijn de verkeersveiligheid in gevaar te brengen en/of inbreuken op deze verordening aan te moedigen.

De vervoersonderneming organiseert het werk van de bestuurders zodanig dat zij de reglementaire bepalingen kunnen naleven. De vervoersonderneming instrueert de bestuurder naar behoren, en zij controleert daartoe regelmatig of de reglementaire bepalingen worden nageleefd.

De vervoersonderneming is aansprakelijk voor inbreuken van de bestuurders van de onderneming, ook wanneer die inbreuken zijn begaan op het grondgebied van een andere lidstaat of van een derde land.

Onverminderd het recht van de lidstaten om de vervoersondernemingen volledig aansprakelijk te stellen, kunnen de lidstaten die aansprakelijkheid laten afhangen van de vraag of de onderneming een inbreuk tegen de twee voornoemde leden heeft begaan. De lidstaten mogen alle bewijsstukken in overweging nemen die kunnen staven dat de vervoersonderneming redelijkerwijs niet aansprakelijk kan worden gesteld voor de begane inbreuk.

Ondernemingen, expediteurs, bevrachters, touroperators, hoofd- en onderaannemers en uitleenbedrijven voor bestuurders zorgen ervoor dat contractueel overeengekomen tijdschema's voor het vervoer aan deze verordening voldoen.

Daarnaast zijn de vervoersondernemingen die gebruik maken van voertuigen die uitgerust zijn met een digitale tachograaf verplicht om de gegevens van de bestuurderskaarten en voertuigunits tijdig over te dragen en deze gegevens gedurende 12 maanden te bewaren.

7. Dienstrooster

In volgende gevallen worden door de onderneming een dienstregeling en een dienstrooster opgesteld:  

  • binnenlands geregeld personenvervoer;
  • internationaal geregeld personenvervoer, indien het begin en het eindpunt van de lijn zich bevinden binnen een straal van 50 km in vogelvlucht van een grens tussen twee Lid-Staten, en indien het traject niet langer is dan 100 km.

waarop deze verordening van toepassing is.

De voorwaarden inzake het dienstrooster die van toepassing waren blijven behouden, behoudens :

Tot 11/04/2007 - EG Nr. 3820/85 Vanaf 11/04/2007 - EG 561/2006
 • Het dienstrooster moet alle in lid 2 genoemde gegevens bevatten voor een periode die, naast de lopende week, ten minste ook de voorgaande en de volgende week omvat.  • Het dienstrooster moet alle in lid 2 genoemde gegevens bevatten voor een periode die minimaal de vorige 28 dagen beslaat; deze gegevens moeten met regelmatige tussenpozen, die niet langer mogen zijn dan één maand, worden bijgewerkt;

8. Sancties

In de verordening EG 561/2006 werd expliciet voorzien dat de lidstaten sancties moeten opleggen zelfs wanneer een inbreuk wordt vastgesteld:

  • die niet is begaan op het grondgebied van de betrokken lidstaat, en
  • die is begaan door een onderneming die in een andere lidstaat of een derde land is gevestigd, of door een bestuurder wiens plaats van tewerkstelling zich aldaar bevindt.

Wanneer een lidstaat voor een bepaalde inbreuk een procedure instelt of een sanctie oplegt, verstrekt hij de bestuurder een schriftelijk bewijs daarvan.

De bestuurder moet alle bewijzen die een lidstaat met betrekking tot sancties of het instellen van een procedure heeft verstrekt, bewaren totdat dezelfde inbreuk op deze verordening niet langer tot een tweede procedure of sanctie uit hoofde van de verordening kan leiden.

De bestuurder legt de hierboven bedoelde bewijzen op verzoek over.

9. Diverse

  • Een bestuurder die in dienst is bij of ter beschikking gesteld wordt van meer dan één vervoersonderneming, moet elke onderneming de informatie verschaffen die deze nodig heeft om te voldoen aan rijtijden, onderbrekingen en rusttijden.
  • De bevoegde autoriteiten kunnen, in de gevallen dat zij oordelen dat er zich een inbreuk op deze verordening stelt die de verkeersveiligheid op manifeste wijze in gevaar brengt, het betrokken voertuig stil leggen tot het ogenblik waarop een einde is gemaakt aan de oorzaak van de inbreuk.
  • De bestuurder kan verplicht worden een dagelijkse rusttijd te nemen.
  • Een lidstaat kan tevens in voorkomend geval de vergunning van een onderneming intrekken, schorsen of beperken als die onderneming in de betrokken lidstaat is gevestigd, of het rijbewijs van een bestuurder intrekken, schorsen of beperken.
  • De lidstaten verlenen elkaar assistentie bij de toepassing van deze verordening en het toezicht op de naleving daarvan.

(*) a) "Arbeidstijd" :

1. in het geval van mobiele werknemers: de periode tussen het begin en het einde van het werk, waarin de werknemer op het werk is, ter beschikking van de werkgever staat en zijn taken of activiteiten uitoefent, dat wil zeggen:

  • de tijd die wordt besteed aan alle wegvervoersactiviteiten. Deze activiteiten zijn met name:

i) rijden;

ii) laden en lossen;

iii) toezicht houden op het in- en uitstappen van passagiers;

iv) schoonmaken en technisch onderhoud;

v) alle andere werkzaamheden om de veiligheid van het voertuig, de lading of de passagiers te verzekeren, dan wel om te voldoen aan de wettelijke of bestuursrechtelijke verplichtingen die direct met het specifieke vervoer in kwestie verband houden met inbegrip van toezicht op het laden en lossen, afwikkeling van administratieve formaliteiten bij de politie, de douane, de immigratieautoriteiten, enz.

  • de periodes waarin de werknemer niet vrijelijk over zijn tijd kan beschikken en op de werkplek moet blijven, gereed om aan het werk te gaan, en daarbij belast is met bepaalde aan die dienst verbonden taken, met name de wachttijden bij laden of lossen wanneer de verwachte duur daarvan niet vooraf bekend is, dat wil zeggen: vóór het vertrek of net vóór het daadwerkelijk begin van de periode in kwestie, of op grond van de algemene bepalingen die de sociale partners hebben afgesproken en/of die in de wetgeving van de lidstaten zijn vastgelegd.

2. in het geval van zelfstandige bestuurders geldt dezelfde definitie voor de periode tussen het begin en het einde van het werk, waarin de zelfstandige bestuurder op de werkplek is, ter beschikking van de klant staat en zijn taken of activiteiten uitoefent, andere dan algemeen administratief werk dat niet direct verband houdt met het specifieke vervoer in kwestie.

Als arbeidstijd worden niet aangemerkt, de pauzes van artikel 5, de rusttijden van artikel 6, alsmede, - onverminderd de wetgeving van de lidstaten of afspraken tussen de sociale partners op grond waarvan dergelijke perioden moeten worden gecompenseerd of beperkt -, de onder b) bedoelde beschikbaarheidstijd.

{module 327}